Interview Vrouwen van verzet

Zeventig jaar later vertellen deze vrouwen over hun tijd bij het verzet: ‘We voelden ons onaantastbaar’

Gerda Alsma en Joke Folmer. Beeld Erik Smits

Ze waren jong, optimistisch en zagen er onschuldig uit. Nu, meer dan zeventig jaar later, vertellen drie vrouwen over hun tijd bij het verzet. 'We voelden ons onaantastbaar.'

'Ik heb mezelf nooit als verzetsvrouw gezien, alsjeblieft zeg'

Gerda Munk-Talsma (89) begon op haar 14de met het rondbrengen van illegale kranten. Op haar 16de werd ze koerier.

'Ik ging regelmatig met vrienden naar de garage van een autodealer in Heemstede. Daar speelden we tafeltennis en rookten zelfgerolde sigaretten. Er kwamen ook mensen die contact hadden met het verzet. Zij vonden mij verstandig voor mijn leeftijd en vroegen me voor het rondbrengen van illegale krantjes. Op mijn 16de kreeg mijn vader bezoek van een man die bij het studentenverzet hoorde. Hij droeg zo'n grote hoed waardoor je zijn gezicht nauwelijks zag en vroeg of ik koerierswerk wilde gaan doen. Mijn schuilnaam werd Irene. Hij gaf me een adres waar ik geschreven berichten afhaalde. Die verstopte ik onder mijn jas en gaf ze op andere adressen weer af, bijvoorbeeld op een fiets met banden van tuinslang.

Soms kon ik mijn opdracht niet uitvoeren. Zo moest ik in de buurt van de Wagenweg in Haarlem waarschuwen dat er een razzia aankwam. Maar de straat was afgesloten door Duitse soldaten. Ik deed alsof ik dat niet begreep en wilde doorfietsen. Toen werden ze boos. 'Duvel op!', Schreeuwden ze. Een soldaat schoot in de lucht. Daardoor kon ik het bericht niet doorgeven. Dat vond ik heel erg.

De Duitse soldaten hadden een wijk met grote huizen in Bloemendaal gevorderd. Daar hadden ze hun kamp opgeslagen. Ik moest gaan kijken welke symbolen er op hun legervoertuigen stonden. Die gaf ik door aan de verzetsgroep. Die symbolen stonden voor het soort missie dat ze uitvoerden; ziekenvervoer bijvoorbeeld, of inlichtingen, of bevoorrading. Toen ik daar op een keer rondfietste werd ik tegengehouden door een Duitse bewaker. Ik vertelde hem dat ik verdwaald was. Hij gaf me uit medelijden een stuk chocola. Het was eigenlijk best een aardige man. Hij had enorme heimwee naar zijn gezin in Beieren.

Gerda Alsma. Beeld Erik Smits

Bij ons thuis zat een medicijnenstudent ondergedoken vanwege de Arbeitseinsatz. Zijn broer zat ergens anders en kwam soms stiekem langs. Om niet op te vallen had hij zich een keer verkleed als vrouw. Hij had zich enorm opgemaakt, op het dellerige af. Toen ik hem terugbracht naar zijn onderduikadres, kwamen we pal achter een open vrachtauto met Duitse soldaten terecht. Tot mijn schrik had 'mijn vriendin' sjans en floten de soldaten naar hem. Ik was zo bang dat ze zouden stoppen om te vragen of we mee wilden rijden, dat we snel afgeslagen zijn.

Of het jeugdige overmoed was weet ik niet, maar ik had een onwankelbaar geloof in een goede afloop. Mijn vader wist altijd waar ik was, maar mijn moeder vertelde ik dat ik naar een leraar ging die thuis lesgaf. Mijn broer heb ik na de oorlog wel over het koerierswerk verteld, maar verder niemand. Ik was gewend om er mijn mond over te houden. Het is best gek om het er na al die tijd over te hebben. Alsof ik een stukje van mezelf weggeef, dat alleen ik kende. Ik twijfel over de zin van het doorvertellen van oorlogsverhalen. Het weerhoudt idioten als Assad er niet van om chemische wapens in te zetten waardoor kinderen stikken.

Ik heb mezelf nooit als verzetsvrouw gezien, alsjeblieft zeg. Ik deed wat klussen voor die groep van het studentenverzet. Dat was het. Hannie Schaft was pas een verzetsvrouw. Ze zat bij mij op school, een klas hoger. We waren er kapot van toen we hoorden dat ze gefusilleerd was. Mijn beste vriendin en ik moesten van de schooldirecteur de ouders van Hannie bloemen brengen toen de oorlog afgelopen was. Maar die namen ze niet aan. Ze waren hun dochter kwijt, wat moesten ze in hemelsnaam met bloemen?'

Kirsten Munk

‘Waar het op aankomt is wat je ná de oorlog hebt gedaan’

Ellis Brandon (95) was een van de 1.700 Engelandvaarders. Zij reisden door bezet gebied naar Engeland met de bedoeling zich van daaruit aan te sluiten bij het verzet. Na de oorlog kreeg ze een lintje aangeboden, maar dat weigerde ze. In 1980 kreeg ze alsnog het Verzetsherdenkingskruis.

'Op 10 mei, de dag dat de Duitsers Nederland bezetten, ben ik in onze straat in Heemstede langs alle deuren gegaan. Tegen iedereen die opendeed zei ik dat ze vooral niet moesten luisteren naar wat de Duitsers zeiden. Dat we potverdomme bij onze positieven moesten blijven. Ik was 17, had net een paar weken eerder eindexamen gedaan. De meeste mensen reageerden nogal verbaasd of ze zeiden: 'Ik heb er niets mee te maken.'

Al snel begon ik op de fiets illegale kranten rond te brengen, zoals Het Parool en Vrij Nederland, zodat de mensen niet alleen maar de Duitse propaganda zouden horen.

Mijn vriendje Herman Friedhoff zat al meteen vrij hoog in het verzet. Hij moest vaak ergens naar toe om te overleggen met andere verzetsmensen en dan ging ik met hem mee. Een kwajongen in een trui die alleen over straat liep trok veel meer aandacht van de bezetter dan een keurig stelletje.

Toen de Gestapo plotseling bij Herman voor de deur stond, moesten we onderduiken. Een jaar lang zijn we van adres naar adres getrokken. Dat vond ik vreselijk: je brengt de mensen die je helpen in gevaar. Uiteindelijk kwamen we terecht in een verzorgingstehuis in Rotterdam, waar we een paar maanden konden blijven. Toen een van de Joodse onderduikers daar tegen alle afspraken in toch naar buiten ging en werd opgepakt, moesten wij onmiddellijk weg. Ik kan me daar nu, zeventig jaar later, nóg kwaad over maken.

Daarna zijn we aan onze reis naar Engeland begonnen. We reisden via België, Frankrijk en Spanje naar Portugal en vandaar zouden we naar Engeland proberen te komen.

Elles Brandon. Beeld Erik Smits

Eén keer ben ik heel erg bang geweest. Dat was toen ik in mijn eentje 's nachts door een donker bos de grens naar Frankrijk moest oversteken. Maar angst leer je af, of beter gezegd: je leert ermee omgaan. Op het gevaarlijkste moment bleef ik juist heel rustig. Dat was toen we vlak bij de Spaanse grens met de trein een klein stationnetje binnenreden en ik iets verderop een overvalwagen en soldaten zag staan. Ik gaf Herman een kort knikje en we stonden tegelijkertijd op. Zodra de trein stilstond stapten we uit en liepen innig gearmd het station uit. Toen die auto kwam aanrijden waren we net weg.

Het gevolg was wel dat we in die ruige bergstreek lopend naar de grens moesten. Na een paar dagen zag ik in een dal een stadje liggen dat baadde in het licht en ik voelde hoe alles van me afviel. We waren vrij.

Er zijn in totaal 1.700 Engelandvaarders geweest en ik ben het enige meisje dat nog leeft. We waren denk ik allemaal mensen die beslissingen durfden te nemen. Die ergens voor stonden. Dat mis ik in de huidige tijd. Er zijn nog maar weinig mensen die pal voor hun overtuiging staan.

Na de oorlog hadden we het moeilijk. Voor ons was de wereld zoveel groter geworden maar in Nederland was niets veranderd. De meeste Engelandvaarders zijn daarom vertrokken; naar Amerika, Australië, Canada. Mijn man en ik gingen naar Curaçao.

Ik word zo moe van al die heldenverhalen over de oorlog. Wij waren jong en avontuurlijk. We zagen geen gevaar en voelden ons onaantastbaar. Dat hoort bij je leeftijd. Waar het op aankomt is wat je ná de oorlog hebt gedaan.

Onze wereld was erg zwart-wit. Dat kan ook niet anders in een oorlog, maar het beïnvloedt je wel. Ik heb mijn hele leven niet naar Duitsland gewild. Al moet ik zeggen dat Angela Merkel met Wir schaffen das indruk op me gemaakt heeft. Dat was toch een manier om iets goed te maken denk ik, al wil niet iedereen dat zo zien.

Ik heb geleerd om alles wat ik doe zo goed mogelijk te doen. Ik ben nu 95, maar ik voel me jonger van geest dan vroeger. Ik heb alles al meegemaakt. Nu maak ik me alleen nog maar druk om leuke dingen.'

Linda Huijsmans

De kleindochter van Ellis Brandon, Carlijn Vis, schreef een historische roman gebaseerd op de oorlogstijd van haar oma: Vrij spel.

‘Pas toen mijn kinderen op school over de oorlog leerden, kwam alles boven’

Joke Folmer (94) was koerierster en hielp meer dan driehonderd mensen, onder wie 120 geallieerde piloten. Voor haar verzetswerk kreeg ze onder meer de Britse George Medal, de Amerikaanse Medal of freedom met gouden palm, de Bronzen Leeuw en het Verzetsherdenkingskruis.

'Het begon voor mij als 18-jarige in 1942, toen een goede Joodse vriendin moest onderduiken. Een leraar vroeg me haar huiswerk te brengen. Daarna werd ik vaker gevraagd om spullen weg te brengen. Ik wist nooit wat het was. Soms ging het om zwaardere pakjes, ik vermoed dat er dan munitie of een pistool in zat. Eerst deed ik het vooral omdat ik kwaad was dat mijn vriendin moest onderduiken, ik bedacht me dat niets doen geen optie was. Dat zit in mijn genen, mijn ouders hebben in beide wereldoorlogen mensen geholpen. Ik rolde in het verzetswerk en voor ik het wist, was ik een spin in het web met overal contacten. Per trein reisde ik door het hele land. Het was een voordeel dat ik er jong en onschuldig uitzag, daardoor werd ik niet gecontroleerd. Ik ben ook vaak door het oog van de naald gegaan. Zoals die keer in Amsterdam dat een fietsenmaker me waarschuwde een bepaald adres te mijden. Later bleken daar Duitsers te zitten. De spanning was soms ondraaglijk. Als je bang bent, komt het in een golf over je heen. Dan riep ik mezelf tot de orde en drukte de angst weg, ik had alle zintuigen nodig.

Joke Folmer. Beeld Erik Smits

Bij het koerierswerk raakte ik verzeild in de smokkel van mensen voor wie Nederland te gevaarlijk was. Zoals onderduikers, Engelandvaarders, joodse mensen, Franse krijgsgevangen en geallieerde piloten die waren neergestort. In 1944 ben ik opgepakt op het station in Amsterdam, waar ik met mijn moeder had afgesproken. De Duitsers waren haar gevolgd om mij te vinden. Ik werd ter dood veroordeeld wegens mensensmokkel. Met een groep van zeven nationaliteiten, de voertaal was Frans, zat ik ruim een jaar gevangen. Elke dag kon onze laatste zijn. Om elkaar op te beuren deelden we recepten, maakten kleine cadeautjes en zongen we liedjes voor elkaar. Hoe ziek en hongerig we ook waren, we verspilden geen energie aan elkaars brood afpakken. Deze instelling heeft ervoor gezorgd dat ik er mentaal goed ben uitgekomen. Door Dolle Dinsdag ontstond er paniek onder de Duitsers in Nederland. We werden in Duitsland van hot naar her verplaatst. Ik hield stiekem een soort dagboek bij met alle locaties en data van de kampen waar we zaten. Pen en papier waren er niet, ik borduurde alles op een zakdoek. De naald had ik verstopt in het eelt van mijn hand en de draadjes in mijn kleren. Na de oorlog kreeg ik de papieren met de doodsvonnissen onder ogen. De Duitsers hadden op deze officiële orders gewacht om ons te executeren, maar hadden ze door al het verplaatsen nooit ontvangen. De poststempels op de grote bruine envelop kon ik vergelijken met de data op mijn zakdoek. Eén keer waren we de dans maar op twee dagen na ontsprongen.

Op 6 mei 1945 zijn we bevrijd, in het oosten van Duitsland. Tevergeefs hebben we op de auto's van het Rode Kruis gewacht. Het Nederlandse reglement schreef namelijk voor dat ze alleen militairen en krijgsgevangen mee mochten nemen. Na de oorlog vroeg ik me bij iedereen, zelfs bij de bakker of de melkboer, af of ik er mee in een cel had willen zitten. Het werd een nieuwe stelregel als ik mensen ontmoette. De eerste jaren na de oorlog heb ik nauwelijks gepraat over wat ik had meegemaakt, ik was bezig mijn leven op orde te krijgen.

Pas toen de kinderen bij geschiedenis over de oorlog leerden, kwam alles boven en raakte ik betrokken bij organisaties van oud-verzetsstrijders. Ik haalde mijn spullen van zolder en ben gaan vertellen. Mijn kinderen begrepen nu waar bepaald gedrag vandaan kwam. Zo hield ik deuren altijd op een kier en zat ik achterin of aan de zijkant van een ruimte. Ik wilde het overzicht houden en weg kunnen. Ik heb tot mijn 91ste op scholen over de oorlog verteld en uitgelegd dat er nu nog slechte regimes zijn die de mens als individu onbelangrijk vinden. Ik vind het belangrijk mensen wakker te schudden; de wereld is groter dan je denkt.'

Dorine van der Wind

Peter Gerritse schreef bij Uitgeverij Balans het boek De verzetsvrouw en de SS'er over het leven van Joke Folmer en haar neef Jan, die bij de Waffen-SS zat. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.