Zegeningen en vloek van de geneeskunde

HET IS MET de geneeskunde merkwaardig gesteld. Een eeuwenlange historie met een reeks van opzienbarende ontdekkingen heeft de belangrijkste vragen rond het ontstaan van ziekten niet beantwoord....

Waardoor ontstaat precies een longontsteking? Waarom worden hartkleppen dikker en verliezen ze hun elasticiteit? Wat brengt het groeiproces van een tumor op gang? Waardoor worden kronkelende plooien in de hersenen vlak en ontstaan daar eiwitplakken met dementie als gevolg? Hoe ontstaat het proces waarbij zich aanslag afzet aan bloedvatwanden waardoor bloedvaten vernauwen en uiteindelijk dichtslibben? En waarom gebeurt iets bij de een wel en de ander niet? Allemaal vragen waarop hooguit voorlaatste antwoorden zijn. Onduidelijk blijft vooralsnog welke processen de primaire aanzet geven tot een ziekte of hapering.

Sherwin B. Nuland, chirurg en hoogleraar medische geschiedenis aan de Amerikaanse Yale University, aarzelt niet om aan het eind van zijn nu in het Nederlands vertaalde boek Artsen - Een biografie van de geneeskunde deze ontnuchterende feiten aan de orde te stellen. Daarmee zet hij de voorafgaande vijfhonderd pagina's, waarin hij soms in superlatieven de verworvenheden van de geneeskunde memoreert, in een gedempt licht.

Het is alsof hij, alles overziende, zich door de feiten verplicht weet enkele retorische registers alsnog dicht te schuiven: alle verworvenheden ten spijt gaan mensen nog altijd dood aan chronische ziekten waarvan men wel veel weet, maar waarbij over het prille begin hooguit iets wordt gestameld over genetische factoren. Er is nog veel niet bereikt, en over wat wel is bereikt, hangt de schaduw van overbehandeling, van levensverlenging waarmee een zieke niet is gediend en die hem soms veroordeelt tot twee- of zelfs driemaal 'sterven'. Over dit laatste schreef Nuland in 1993, vijf jaar na Artsen, het boek Hoe wij doodgaan - Bespiegelingen over het einde van het leven, dat al eerder in vertaling verscheen (1994) en waarvoor hij de American Book Award kreeg. Binnenkort verschijnt de vertaling van The Wishdom of the Body, waarin Nuland schetst wat ons lichaam allemaal moet presteren om zichzelf in stand te houden.

Nuland is een gedreven arts en een boeiend verteller. Dat bewijst hij in Artsen sterker dan in Hoe wij doodgaan. Maakt hij in het laatste boek nog wel eens uitglijder als het om zorgvuldige woordkeus gaat, in Artsen typeert hij mensen en ontwikkelingen meestal goed doordacht. Het boek biedt geen wetenschappelijk-historische verhandeling, maar bevat dertien portretten van 'grote artsen', onder wie Hippokrates, ook wel de vader van de geneeskunde genoemd, en Andreas Vesalius. Deze toonde de dynamiek in het menselijk lichaam aan. Voor zijn onderzoek gebruikte hij, noodgedwongen, botten uit ingestorte graven op het Kerkhof der Onschuldigen in Parijs en 'verse' lijken, waarvoor hij met enkele vertrouwelingen lugubere nachtelijke plundertochten ondernam naar onder meer Monfaucon, waar bij een knekelhuis geëxecuteerde misdadigers aan balken hingen tot ze voldoende vergaan waren om in een kelder te worden gegooid.

Nuland portretteert ook William Harvey, de ontdekker van de bloedsomloop, John Hunter, een workaholic die de chirurgie een wetenschappelijk gezicht gaf en de eerste kunstmatige inseminatie uitvoerde (in 1776), René Laënnec, de uitvinder van de stethoscoop, en Helen Haussig, een warm-menselijke kindercardiologe uit deze eeuw. Slechts twee hoofdstukken hebben geen arts tot onderwerp, het tiende over narcose en het afsluitende vijftiende hoofdstuk over transplantatiegeneeskunde.

Nulands keus is subjectief. Hij wil stem geven aan wie in zijn ogen de dragers zijn van de geneeskunde, aan de artsen die in zijn eigen doen en laten zwijgend aanwezig zijn. 'Het verhaal der geneeskunde is derhalve het verhaal van mijn leven als arts', schrijft hij plechtig. Gelukkig benadrukt hij verder die binding aan zichzelf niet meer.

Persoonlijk blijft hij wel waar het gaat om interpretatie en kwalificaties van ontwikkelingen. Daarnaast is hij ook niet afkerig van een scheut psychologie uit eigen koker. Storend is die subjectiviteit niet. Nuland schrijft niet met de drammerigheid van iemand die alles bestudeerd heeft en dus gelijk heeft. Integendeel, daar waar hij tegendraadse visies opschrijft, drukt hij zich vaker uit in vermoedens dan in stelligheden.

Dit neemt niet weg dat hij met sommige uitspraken tegen schenen schopt. Over Galenus (tweede eeuw na Christus) - hij introduceerde het anatomisch concept (elke structuur is volgens hem toegesneden op een specifieke functie, waaruit gezondheid en ziekte te verklaren moeten zijn) - zegt Nuland bijvoorbeeld dat 'misschien hij en niet Hippokrates eigenlijk degene is die de titel van vader der geneeskunde verdient'.

Elk portret is een combinatie van feitelijke informatie en anekdotes, en op deze wijze houdt Nuland de aandacht vast. In tegenstelling tot veel anderen die over de geschiedenis van de geneeskunde hebben geschreven, hebben de anekdotes bij Nuland steeds een functie. Ze illustreren een ontwikkeling of manier van werken van iemand. Het zou voor de auteur gemakkelijk zijn geweest om een veelvoud aan anekdotes te vertellen, maar dan zouden die een doel op zichzelf worden, en in die valkuil stapt hij niet.

Nuland schuwt superlatieven niet, maar toch vervalt hij niet in adoratie, met alle verblinding die daaraan eigen is. Bij nauwkeurige lezing betreft zijn uitbundigheid vooral feitelijke ontwikkelingen en gebeurtenissen. Zelfs koestert hij een uitgesproken haat tegen mythologisering van mensen.

Zo rekent hij bijvoorbeeld in harde bewoordingen af met de mythen die geconstrueerd zijn rond het uitblijven van erkenning voor Ignaz Semmelweis, de Weense arts die ontdekte dat kraamvrouwenkoorts werd veroorzaakt doordat ziekenhuispersoneel vanuit de sectiekamer van het lijkenhuis zomaar naar de kraamafdeling liepen, met de restanten van etter nog aan hun handen.

Nuland: 'De mythologiseerders schilderen hem af als een eenzame, onbegrepen figuur die bijna de hele wereld tegenover zich vond en uiteindelijk onder de voet werd gelopen en vernietigd door het numerieke overwicht en de politieke invloed van zijn tegenstanders.' Een zielig mens dus. Niets daarvan, schrijft Nuland. Een aantal belangrijke mensen in Wenen stond als één man achter hem. Erkenning bleef uit door een combinatie van wetenschappelijke slordigheid, waardoor hij niet overtuigde, en zijn persoonlijkheid: hij was moeilijk in de omgang, vaak ronduit onbeschoft, en narcistisch.

Nuland schetst de geschiedenis van de geneeskunde als een ontwikkeling van een holistische opvatting over ziekte en gezondheid (Hippokrates) naar de moderne reductionistische visie. Van een zich uitbreidende verstoring van in- en uitwendige mechanismen wil de geneeskunde niets meer weten, aldus Nuland. Steeds eenzijdiger aandacht is er voor objectieve, verifieerbare verschijnselen en behandelingen. Ziekte moet meetbaar zijn, of zij is niet, dat lijkt het paradigma.

Is dat nu winst of verlies? Nuland waagt zich niet aan het opmaken van de balans, zo dat al zou kunnen. De zegeningen van de vooruitgang zijn onmiskenbaar, de schaduwzijden evenzo. Het is maar net welke kant je opkijkt. De één z'n leven wordt voor de poorten van de dood weggesleept, de ander wordt weken, maanden en soms zelfs jaren weerhouden om de laatste bocht door te gaan.

Toch wil Nuland niet in deze vrijblijvendheid blijven steken. Behoud van de zegeningen en terugdringen van de vloek van de vooruitgang kunnen volgens hem deels worden bereikt door een en hetzelfde, namelijk hernieuwde aandacht voor de mens. Artsen moeten eenkennigheid afleren, is zijn boodschap. Het is de hoogste tijd voor een nieuw model in de geneeskunde, waarin 'studies op psychologisch gebied en het milieu het podium met immunologie, genetica en bacteriologisch laboratorium delen', schrijft hij.

Nuland ziet een hoopvolle kentering in deze richting. Hij schreef deze woorden tien jaar geleden. Het valt hem daarom niet kwalijk te nemen, maar na tien jaar is van die verwachting nog niet veel terechtgekomen. Het gevecht tegen het meetbare als maat is nog geen achterhoedegevecht.

Hans van Dam

Sherwin B. Nuland: Artsen - Een biografie van de geneeskunde.

Vertaald uit het Engels door Piet Verhagen en J. Verheydt.

Anthos; 565 pagina's; ¿ 79,50.

ISBN 90 414 0051 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden