Interview

Yvonne Keuls: ‘Door over die misbruikte kinderen te schrijven, heb ik anderen laten zien hoe het zit’

Yvonne Keuls .  Beeld Pablo Delfos
Yvonne Keuls .Beeld Pablo Delfos

Deze week verschijnt de 98ste titel van Yvonne Keuls. Een boek dat ze móést schrijven, over haar pleegkind Gemmetje. Zoals ze ook al die andere onrechtvaardige verhalen, onder meer over kindermisbruik door hooggeplaatsten, móést vertellen. ‘Als ik zie dat er met het recht wordt gesjoemeld, sta ik op.’

Yvonne Keuls wordt volgende maand 90, maar dat betekent niet dat ze weinig Whatsapp-berichten krijgt. Sterker nog, ‘het gaat de hele dag door’, zegt ze. Ze laat de babyfoto’s zien die in de familie-app verschijnen: een van haar drie achterkleinkinderen. ‘Ik heb drie eigen dochters, vier kleinkinderen en drie achterkleinkinderen. Die vreet ik op. Ze hebben allemaal bloemkooloortjes, omdat ik eraan heb geknabbeld.’

Drie eigen dochters, zegt u. Waarom?

‘Omdat ik in de loop der jaren ook nog wat pleegkinderen heb gehad. Een van hen is 25 jaar in mijn leven gebleven, dat is Gemmetje. Het heeft vrij lang geduurd voor ik over haar kon schrijven, maar het moest gebeuren, dat weet ik al twintig jaar, sinds haar dood. Ik heb met niemand zo gelachen als met dat wezentje. Hooguit met mijn moeder. En weet je wat het is: als je met iemand wézenlijk lacht, vergeet je dat nooit – je kunt er de vinger niet op leggen, maar als je echt kunt lachen met elkaar, loopt de band onderhuids.’

De roman die Keuls schreef over dat ‘wezentje’, Gemmetje Victoria, verschijnt deze week. Het is haar 98ste titel. Een boek in de lijn van de ‘sociale romans’ die tot haar grootste successen behoren, en die nog altijd worden gelezen: Het verrotte leven van Floortje Bloem (1982), De moeder van David S. (1980) en Jan Rap en z’n maat (1977), waarin Gemmetje (als Gemma) ook een van de hoofdrollen speelt.

Verhalen over echte jongeren, die Keuls leerde kennen toen ze in Den Haag als hulpverlener werkte. Met een bevlogen groep mensen begon ze in 1972 een opvanghuis, en daar kwam Gemmetje zomaar een keer binnenlopen. ‘Ze zei: ‘Hé jij, jij daar, lange met je lange poten, jij kunt wel ’s wat voor mij doen, want je zit hier toch niet om uit je neus te pulken? Nou dan.’ Toen moest ik koffie voor haar zetten. Ze had zich helemaal opgetuigd, prachtige kleren – alles gejat, natuurlijk, Gemmetje heeft nooit iets gekocht in haar leven. Ik vind het gek om te zeggen, maar ik hield meteen van haar.’

Eigenlijk kun je zeggen dat Keuls, aan de hand van het veelbewogen en tragische leven van Gemmetje, aantoont hoe het ‘een hele groep’ is vergaan. ‘Ik ben al veertig jaar bezig met jeugdzorg. Het functioneerde toen niet en het functioneert nog steeds niet, is mijn trieste conclusie. Een kind dat uit huis wordt geplaatst krijgt met tientallen verschillende hulpverleners te maken. Een kind vertelt zijn hele verhaal aan een hulpverlener en de volgende keer zit er een ander. En de keer daarna weer.’

Waarom bent u zich ooit met deze jongeren gaan bezighouden, terwijl u een bloeiende schrijverscarrière had?

‘Ik maakte televisiebewerkingen van werk van Vestdijk en Couperus en had daarmee veel succes, maar ik was met papieren mensen bezig. Het gaf geen voldoening. Bovendien had ik drie tienerdochters en ik vond dat ik van hen vervreemdde door me bezig te houden met personages uit 1900. Mijn dochters gingen naar Frank Zappa en ik dacht: wie is Frank Zappa? Ik vond dat ik de verkeerde kant uit bewoog. Ik werd in het televisievak niet gewaardeerd waarom ik gewaardeerd wílde worden.’

Verloochende u uzelf?

‘Zoiets, ja. Dus ik ben als dertiger met verslaafde jongeren gaan werken, daarna begonnen we het opvanghuis. Met Jan Rap en z’n maat, mijn boek over dat opvanghuis, heb ik aangetoond hoe het leven van deze jongeren in elkaar steekt. Ik heb er een toneelstuk van gemaakt dat tien jaar lang overal te zien is geweest, tot in Australië, het is succesvol verfilmd. Maar het huis is aan het eigen succes ten onder gegaan, na een jaar waren we failliet. Gemmetje kwam toen korte tijd bij mij in huis.’

Yvonne Keuls. Beeld Pablo Delfos
Yvonne Keuls.Beeld Pablo Delfos

Wat had Gemmetje achter de rug, toen ze in uw leven kwam?

‘Ze was 17 jaar – althans, dat zei ze. De moeder van Gemmetje was een tiener in een streng katholiek milieu bij Nijmegen, het kind was haar afgenomen en naar de nonnen gebracht, ze zou een deugdelijke katholieke opvoeding krijgen. Maar Gemmetje is van het ene tehuis naar het andere gesleept. Ze zat in zeventien kindertehuizen, in acht particuliere pleeggezinnen en drie psychiatrische inrichtingen. Ze is overal misbruikt. Haar eerste ervaring is de ernstigste geweest. Toen ze voor het eerst ongesteld werd, was er een groepsleider die het maandverband uit haar broek viste, in haar mond stopte, het haar mond dichtplakte met tape en haar verkrachtte. In de jeugdinstelling in Zetten werkte een psychiater, Theo Finkensieper, die meisjes misbruikte. In Gemmetje heeft hij zich vergist, want zij heeft hem aangegeven, als eerste. Daarna moest ze vluchten, want hij had veel belangrijke vriendjes. Uiteindelijk is Finkensieper, veel later, tot zes jaar cel veroordeeld. Misbruik op jonge leeftijd laat diepe sporen na. Al sprak ze er eigenlijk niet over, je voelt het, je merkt het. Altijd moest de deur op slot, een stoel ertegenaan. Gemmetje wilde ook eigenlijk niet alleen slapen, ze wist mensen te vinden om tegenaan te schurken. Ze is overal weggestuurd, weggelopen, gevlucht. Maar uit ons huis wou ze niet meer weg.’

In het nawoord schrijft u: ‘Ik hoop van harte dat jeugdzorg, die hier een grote rol in speelt, zich diep zal schamen wanneer dit boek door hen wordt gelezen.’

‘Ja, dat hoop ik. Diep schamen is het eerste wat je moet doen, het állereerste. Een mens is een mens, en een mens is te treffen. Ook jeugdzorg is te treffen. Als zij lezen over het leven van Gemmetje, denken ze, daar ben ik van overtuigd: verdomme, wij hebben hier toch een hoop nagelaten. Als het misgaat met een kind, wordt het door de instanties vaak op het kind geschoven: het kind is onhandelbaar, het kind is beschadigd, het kind wil wraak nemen, het kind kletst maar wat of overdrijft. Nee! Ik zeg: het kind spreekt de waarheid. Die waarheid kan soms opgeklopt zijn, omdat er niemand luistert en het kind het nog eens moet vertellen, en nog eens. Maar toch: het kind spreekt altijd de waarheid. Altijd. Als je daarvan uitgaat, heb je een andere insteek. Ik heb vaak als getuige-deskundige tegenover rechters gezeten in zaken over jongeren met wie ik te maken had gehad. Dan werd ik 40 minuten verhoord, die rechter beluisterde mij, en ik voelde dat hij dacht: ja ja, het zal wel meevallen. Ik heb nooit een rechter meegemaakt die opstond en zei: jezus mevrouw, wat vreselijk. Toen Gemmetje als volwassen vrouw eens voor de rechter moest komen, werd ik ook opgeroepen, om te vertellen wie Gemmetje was, wat ze had meegemaakt. Dus ik begon, ik vertelde over de tehuizen, de pleeggezinnen, het gruwelverhaal met het maandverband. De advocaat van Gemmetje vroeg om nóg een voorbeeld. En die rechter vroeg of ik het functioneel kon houden. Zonder enige empathie. Moet een rechter empathie hebben? Niet altijd misschien, niet als je te maken hebt met een doortrapte crimineel. Maar wel bij een vrouw die heeft meegemaakt wat Gemmetje heeft meegemaakt.’

Waarom moest Gemmetje toen voor de rechter komen?

‘Even denken, want ik heb veel zaken met haar meegemaakt. Dit was de drugssmokkel uit Suriname, waarvan ik ben overtuigd dat het uit onnozelheid was. Gemmetje heeft een hoop rotzooi uitgehaald, maar dit keer dacht ze écht dat ze paaseitjes meekreeg.’

Er zullen lezers zijn die denken: dat is wel erg naïef van mevrouw Keuls.

‘Kan me niet schelen, ik vertel gewoon hoe het zit.’

U zei: ik moest over haar schrijven. Waarom moest het?

‘Omdat ik het niet terecht vond dat zij op haar 40ste dood is gegaan, na alles wat haar is overkomen. Ik vond het onterecht en heb me er eigenlijk nooit bij neergelegd. Ze had 80 moeten worden, van groot belang kunnen zijn, want ze wist goede mensen aan zich te binden en had een enorme energie. Ze had echt iets kunnen betekenen, ze wilde graag zelf een opvanghuis oprichten.’

Wilde u een eerbetoon maken voor Gemmetje?

‘Misschien wel. Ik zou het zelf misschien niet zo zeggen, maar het is eigenlijk wel zo. Ik hou van overlevers, daarom hield ik ook van het meisje Floortje Bloem, het minderjarige heroïnehoertje dat haar knuffelkonijn terug wil, het gaat zoeken en het vindt. Zo zag ik Gemmetje ook. Maar ze overleefde niet: ze kreeg longkanker op jonge leeftijd en verklaarde zichzelf genezen terwijl ze hartstikke ziek was. Uit angst. Wat ik mensen wil meegeven in dit boek is: geef niet op. Het heeft me meer moeite gekost dan andere boeken, want ik wilde geen onzin kletsen. Alles is gedocumenteerd, er stond hier een enorme Action-tas met alle documenten. En mijn leeftijd speelt een rol. Ik zei tegen mezelf: waar wacht je op, tot je 100 bent?’

U heeft nooit gedacht: ik ben 89, ik ga lekker met m’n benen omhoog zitten?

‘Nee. Dat zit er niet in, bij mij.’

Wat vonden uw man en dochters ervan, dat u Gemmetje in huis nam?

‘Mijn kinderen vonden haar enig. Ik heb altijd alles met mijn man en kinderen besproken, en ze hebben altijd geweten dat dit niet zomaar een bevlieging van mij was. Het werken met die kinderen, dat was een, eh – ik wil niet katholiek klinken, maar ik weet even geen beter woord: een missie, een opdracht. Begrijp je?’

Yvonne Keuls. Beeld Pablo Delfos
Yvonne Keuls.Beeld Pablo Delfos

Geen opdracht van boven, in ieder geval.

‘Van boven, daar heb ik helemaal niks mee. Het kwam van binnen. Ik dacht: ik kán het en ik doe het. Dat heeft toch met de oorlog te maken, denk ik. Ik was 8 toen de oorlog begon en heb me in gedachten altijd verzet. Ik zag wat er gebeurde en ik schreef erover in mijn dagboek: dit kan niet, dit is onrechtvaardig. Er werden fietsen gevorderd, dekens, radio’s. Dat gevoel van verzet is in de oorlog ontstaan en gegroeid. Ik kon er alleen weinig mee. Ik kreeg tbc. Na de oorlog heb ik als 13-jarige een jaar in een sanatorium gelegen. In een zaal met anderen, mannetje aan mannetje, weg van mijn familie, want bezoek was niet welkom. De littekens zitten nog steeds op mijn longen.’

Uw vader had ook tbc, maar hij was er nog slechter aan toe.

‘Mijn vader was echt ten dode opgeschreven. Mijn vader was een Joodse jongen, Samuel Bamberg, Joodser krijg je ze niet. Hij was ingenieur en getalenteerd muzikaal mens. Bij de razzia van 21 november 1944, voor de Hongerwinter, is hij uit huis gehaald, maar in de vrachtauto kreeg hij longbloedingen, en toen hebben ze hem eruit gegooid, want ze dachten: hij besmet ons straks allemaal. Daarna is hij naar huis gelopen. Twee dagen later heeft hij twee buisjes slaappillen genomen, tweemaal twintig tabletten sonoril. Wij vonden hem.’

Waarom deed hij dat?

‘Hij heeft een brief achtergelaten, waarin stond dat hij niet het eten van zijn kinderen wilde opeten. En, ik zal je vertellen: ik was 12 en ik had er begrip voor. Hij was doodziek en met de medicijnen die er toen waren, zou hij niet meer beter worden. Van de vier kinderen thuis was ik de jongste – mijn taak was voor mijn moeder zorgen, want mijn moeder was een Indische vrouw, een half-Javaanse, die totaal niet wist wat dit voor land was. We waren in 1938 vanuit Batavia naar Holland gekomen en ze heeft nooit kunnen wennen. En dan ook nog een oorlog! Ze begreep er niks van. Ik moest haar op mijn nek nemen. Ik had nauwelijks tijd om stil te staan bij mijn vaders dood. Ik ben nooit kind geweest, nooit.’

Uw man Rob heeft in de oorlog in jappenkampen gezeten. Sprak u met hem over de oorlog?

‘Ik kon er beter mee omgaan dan hij. Ik heb kansen gehad om in de oorlog een weerwoord te geven. Ik kon met een sleetje naar het Westland om de bontjas van mijn moeder te ruilen voor een kluit boter. Je hebt het idee dat je íéts kunt doen. Mijn man was overgeleverd. Hij heeft vanaf zijn 13de alle jappenkampen die je kunt verzinnen van binnen gezien. De oudste broer van mijn man is 24 uur aan zijn benen opgehangen, in de brandende zon. Hij zag het en kon niks doen, dat soort wreedheden heb ik niet meegemaakt. Rob is 93, helder van geest en we lachen nog steeds met elkaar. Hij heeft mankementen, dat wel – in huis heeft hij een rollator en op straat een scootmobiel. Traplopen kan hij nog, want hij heeft sterke armen en schouders, maar zijn benen zijn moeilijk. Door het jappenkamp. Hij heeft etterende wonden gehad, alle aders zijn verlittekend. Maar weet je, ik zie hem nog altijd zoals op deze foto, die ik hier heb neergezet.’

Ze staat op van de keukentafel en loopt naar het bureau, waarvan elke vierkante centimeter gevuld is met fotolijstjes, het zijn er tientallen. Op de muur achter het bureau hangen nog meer foto’s, sommige met zilverkleurige ducttape vastgeplakt: voorouders, vader, moeder, kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen. Ze komt terug met een vakantiefoto van haar en Rob: hij in Speedo, zij in bikini. ‘Hier was hij 36 en al helemaal grijs. Maar verder: niks veranderd. Zo zie ik hem nog altijd.’

Toen u trouwde moest u stoppen met werken. Hoe vond u dat?

‘Dat was natuurlijk niks voor mij. Ik was voor mijn huwelijk onderwijzeres op een lagere school in de Schilderswijk, ik had een klas met 53 leerlingen. Toen ik 22 was, trouwde ik met Rob. De dag erna kwam ik op school en er stond een ander. Ik was ontslagen, want getrouwde vrouwen mochten in die tijd niet werken. Toen kregen we kinderen, de eerste toen ik 24 was, en toen nog twee erachteraan, binnen vijf jaar tijd. Er waren geen crèches, geen oppassen en geen kleuterscholen. We zaten in een flatje in de periferie van Den Haag, hadden geen auto. Ik dacht: dit moet zo niet doorgaan. Ik wist dat ik andere capaciteiten had. En die boorde ik aan door te gaan schrijven.’

Ik begreep dat u die derde zwangerschap absoluut niet wilde.

‘Natuurlijk niet. Wie wil er nou een derde zwangerschap? Mijn man studeerde economie en was overdag projectleider in een machinefabriek. Ik stond er helemaal alleen voor. Een grappige buurvrouw zei: ‘Als je een miskraam wilt, moet je 75 keer van het aanrecht springen. Gewoon, alsof je in het water springt.’ Ik ben geloof ik tien keer gesprongen, en toen lag ik met mijn kaak op de grond. Ik ben opgehouden, en gelukkig kreeg ik mijn derde kind. Tegen mijn dochters ben ik er heel eerlijk over, hoor, en ze lachen zich rot. Ik heb een ontzettende band met alle drie.’

In 1985 publiceerde Keuls het boek dat haar leven veranderde: Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel. Een sociale roman, deze keer over de krakerswereld, maar met een verhaallijn over een jongen die wordt misbruikt door een kinderrechter. Het boek was op feiten gebaseerd. De naam van de rechter noemde ze niet, maar die lag nog voor de publicatie op straat, waarop Keuls het mikpunt werd van een golf aan kritiek. ‘Ook in de Volkskrant. Daarin stond op de dag dat mijn boek uitkwam een interview met de procureur-generaal van de Hoge Raad, waarin mijn naam werd besmeurd. Het verwijt was dat ik het voor het geld zou doen, dat ik zo’n verhaal de wereld in hielp om meer boeken te verkopen. Onbegrijpelijk, hoe kún je het zeggen? Als je me ergens mee treft, is het daarmee. Omdat het zó oneerlijk is. En zoiets wordt dan gezegd door de hoogste rechter van het land. Hij was niet de enige, er werd vanuit justitiële kringen op mij ingehakt. Justitie was een mannenwereld, dat moet je niet vergeten, het werd niet op prijs gesteld dat een vrouw dit aankaartte. En die aanval had effect. Mijn boeken werden vanaf dat moment in de grote kranten zo ongeveer doodgezwegen. Het was onrechtvaardig.’

De kinderrechter in kwestie was een vriend van u.

‘Een fantastische man, die in het bestuur zat van het opvanghuis waar ik werkte. Ik zag hem dagelijks. En geen moment heb ik gedacht dat hij op dat terrein bezig was. Ik zag hem werkelijk als een goede vriend.’

Kun je een fantastische man zijn en kinderen misbruiken?

‘Het was een fantastische man met een mankement. Als kinderrechter ben je de belangrijkste man in het leven van die kinderen, omdat je zoveel over ze te zeggen hebt. Je kunt daar geen misbruik van maken. Ik hoorde van jongens dat hij ze zelfs op zaterdagen naar het Paleis van Justitie liet komen, dat hij ze daar misbruikte, pornografische foto’s van ze maakte en ze sloeg met een zweep, dat hij straffen kwijtschold in ruil voor seksuele diensten. Ik was vertrouwenspersoon van ik weet niet hoeveel jongens en ze vertelden mij allemaal hetzelfde. Ik geloofde het niet, ik dacht: die jongens willen wraak nemen omdat ze door die man in een tuchthuis zijn geplaatst of weet ik veel wat. Maar op een zeker moment kon ik er niet meer omheen.’

Wanneer kon u er niet meer omheen, wat was het omslagpunt?

‘Toen zijn zoon Marnix Rueb, de striptekenaar (bekend van Haagse Harry, red.), bij mij kwam, en mij vertelde dat hij sinds zijn 5de door zijn vader was misbruikt. Ik denk dat hij het uit de hand vond lopen. Hij zei: ‘Het moet stoppen, en jij bent de enige die er wat aan kan doen.’ Hij wist dat ik in het opvanghuis werkte en dat jongens uit het opvanghuis bij zijn vader thuis kwamen. Zelf kon hij het niet, hij kon zijn vader niet aangeven. Marnix heeft erg geleden onder zijn vader, zo erg, dat kon je gewoon aan hem zien. Mijn rechtsgevoel was ernstig aangetast. Wat ik mezelf kwalijk neem, is dat ik toen niet de kinderrechter heb benaderd en heb gezegd: laat je behandelen. Dan had hij zélf kunnen stoppen. Maar ik koos de andere route, in 1981 deed ik aangifte. Binnen een week werd de zaak geseponeerd, schandalig genoeg. De rechter, die toen begin 60 was, kreeg eervol ontslag, er was een receptie. Er werd niets onderzocht, maar de rechter werd wél van zijn functie ontheven. Toen verwerkte ik het verhaal in mijn boek.’

U schetst de jongens die het overkomt niet als willoze slachtoffers.

‘Dat waren ze ook niet, het waren niet alleen arme donders, het waren ook rotjongens. Ze chanteerden de rechter, ze profiteerden óók van hem, door hem geld afhandig te maken. Mijn vriend werd er volkomen tussen genomen. Dat maakt het natuurlijk nog erger. Het recht mag niet chantabel zijn.’

Toen het boek uit was, kwam Marnix toen bij u terug?

‘Niet echt. Ik zag hem weleens. Een keer stonden we samen op het podium in Diligentia, omdat we allebei genomineerd waren voor Hagenaar van het Jaar. En toen pakte hij ineens mijn hand. Maar hij was er de jongen niet naar om mij luid applaus te geven. Bovendien: het was voor hem natuurlijk een groot verdriet.’

Hoe reageerde uw directe omgeving op het boek?

‘Iedereen koos partij voor die arme, aimabele rechter. Ik had geen vrienden meer, de enige die achter mij bleef staan, was mijn man. Hij, en de man van mijn vriendin Hella Haasse, Jan van Lelyveld, die rechter was in Den Haag. Hij wist van het misbruik en had ontslag genomen vanwege de misstanden bij justitie. In een brief aan de procureur-generaal, waarvan hij mij een kopie gaf, stond het allemaal. In die brief stond dat er kinderen op het Paleis van Justitie met stok en zweep werden geslagen. Die brief was de bevestiging van mijn verhaal, als ik de brief had geopenbaard was mijn leven anders verlopen. Want Van Lelyveld zou wél worden geloofden ik dan dus ook. Van Jan mocht het, alleen Hella wilde niet dat ik die brief zou openbaren. En ik deed het niet, want dat had me mijn vriendschap met Hella gekost. Maar het hele gebeuren kwam onze vriendschap natuurlijk niet ten goede. Van mijn kant is er een stuk koppigheid gekomen, richting Hella.’

U vroeg haar om het eerste exemplaar van het boek in ontvangst te nemen, zij weigerde. Begrijpt u dat, achteraf?

‘Ik zei: je moet dat eerste exemplaar aannemen, want als jij dat doet, als vrouw van een rechter, laat je zien dat je het er niet mee eens bent dat die zaak zomaar is geseponeerd. En zij zei nee. Ik kon me er iets bij voorstellen, maar niet veel. Ik ben een vechtjas, zij zit anders in elkaar. Zij wilde haar kalme leventje niet in gevaar brengen. Ook aan Maarten ’t Hart vroeg ik mij openlijk te steunen. O god, die Maarten. Nee, die had meer met zijn geit en zijn moestuin, zei hij, hij wilde zijn vingers er niet aan branden. Ik dacht: sukkel. Maar hij was wel degene die tientallen jaren later Lucia de B. (de verpleegkundige die van meerdere moorden werd verdacht, red.) heeft verdedigd. Er zit een groei in een mens, denk ik dan.’

In 2018 verscheen een documentaire over het leven van Marnix Rueb, nadat hij aan longkanker was overleden. Daarin vertelden vrienden en familie over het misbruik door zijn vader en kwam ook het seponeren van de aangifte ter sprake.

‘Ja, dat is de eerste keer dat het is bevestigd. Maar ook daarna is er niemand opgestaan die heeft gezegd: het is tijd voor eerherstel voor Jan van Lelyveld en Yvonne Keuls.’

U bracht in 2014 een heruitgave van het boek uit, met de brief van Jan van Lelyveld erin. Omdat u eerherstel wilde?

‘Omdat ik op een verschrikkelijke manier was verguisd, en dit was mijn manier om het recht te zetten. Hella had op haar sterfbed tegen mij gezegd dat ik de brief van Jan mocht publiceren. De tijd was er ook rijp voor. De maatschappij is heel anders gaan denken over pedofilie.’

Over pedofilie zei u in 1985: ‘Wie ben ik om te beoordelen of iemand daar schade van ondervindt? Ik heb heel vaak gehoord dat dit soort liefde de enige liefde is die zo’n kind heeft gehad.’

‘Het meisje Floortje Bloem heeft altijd gezegd dat de pedofiel Gerben de enige is geweest die haar ooit liefde heeft gegeven. Hij heeft haar het konijn gegeven.’

Yvonne Keuls. Beeld Pablo Delfos
Yvonne Keuls.Beeld Pablo Delfos

Is dat liefde?

‘Zij zei dat. Ik weet het antwoord niet.’

U bracht nog meer zaken aan het rollen, ook die van de Nijmeegse kinderrechter Thomas van der V.. Hij werd wél veroordeeld.

‘Er kwam een journalist bij mij, met een aantal jongens die vertelden dat ze door een kinderrechter in Nijmegen waren misbruikt. Ze kenden mij van die andere zaak en vroegen om advies. Ik heb gezegd: doe aangifte, maar: apart van elkaar. Het ging om elf jongens. Dus dat hebben ze gedaan. Hij kreeg zes maanden voorwaardelijk en is meteen naar Portugal vertrokken.’

Wordt u nog steeds benaderd door slachtoffers?

‘Ja, nog steeds. Als ze het gevoel hebben dat ze nergens terechtkunnen, komen ze bij mij. Neem Robert van de Luitgaarden, die bij me kwam en zei dat hij werd misbruikt door de directeur van de Stichting Katholieke Kinderbescherming in Den Haag. Ik vroeg hem de plek waar dat gebeurde, het kantoor, te beschrijven. Ik ben naar die directeur toe gegaan, het was een bekende van mij, en ik zag het kantoor, precies zoals Robert het aan mij had beschreven. Ik heb de kast opengetrokken, en die lag vol met attributen. Het klópte. Robert heeft aangifte gedaan maar de man is niet veroordeeld. Later heeft Robert wel een schadevergoeding gekregen, maar hij is een vernield mens.’

Bent u nog met zaken bezig?

‘Ja. Maar daar ga ik niet over praten zolang ik niets kan bewijzen en er nog geen proces is. Met Argos, het VPRO-programma, dat twee uitzendingen heeft gemaakt over ritueel kindermisbruik, heb ik lijntjes.’

Uw publicaties en uitspraken over kindermisbruik door hooggeplaatsten worden ook aangehaald door allerlei complotdenkers, soms in extreme hoek. Hoe vindt u dat?

‘Als het enigszins kan, halen ze mij erbij, maar ik hou me daar verre van. Mij gaat het om wat ik heb meegemaakt en wat ik weet.’

Yvonne Keuls. Beeld Pablo Delfos
Yvonne Keuls.Beeld Pablo Delfos

U zat in een uitzending over kindermisbruik van Café Weltschmerz, een platform waar complotdenkers onderdak vinden, en waarop allerlei onzin over corona de wereld in wordt geslingerd.

‘Met die coronacomplotten wil ik niks te maken hebben. Ik was zo ongeveer de eerste in Nederland die werd gevaccineerd. In die uitzending heb ik niet veel gezegd, maar wat ik zei, is wáár. Ik speculeer niet, ik hou me bezig met feiten, met zaken. Niet met complotten. Verder heb ik vermoedens, maar die kan ik niet hard maken, dus daar spreek ik me niet over uit.’

Wat heeft het u gebracht, uw bemoeienis met deze kinderen?

‘Van voldoening kan ik niet spreken. Ik wil niet dat er met het recht wordt gesjoemeld, dat is alles, en als ik zie dat dat wél gebeurt, sta ik op. Ik dacht toen ik 40 was dat ik alle problemen zelf kon oplossen, daarom ging ik als hulpverlener werken. Dat was naïef. Pas later begreep ik: ik moet over die kinderen gaan schrijven. Zo werden het dus alsnog papieren mensen – en dat was goed, want zo heb ik anderen laten zien hoe het zit. Als er iets is waarin ik geslaagd ben, dan is het dat.’

Bent u er trots op?

‘Nee. Ik voldoe aan wat ik mezelf als taak heb gesteld.’

Komt er nog een nieuw boek?

Kauwt op een speculaasje. Monter: ‘Dat weet ik niet. Misschien is dit mijn laatste boek, maar dat zeg ik na elk boek. Het is mijn 98ste titel, hè.’

Merkt u eigenlijk dat u bijna 90 bent?

‘Ik merk het niet, nee. Ik mankeer niks.’

Onderneemt u iets om gezond te blijven?

‘Koekjes eten! En doen waar ik achter sta, dat is belangrijk voor me. Ik wil nooit het gevoel hebben dat ik iets heb laten zitten. Gewoon, hup, doen. Het is misschien ook mijn zwakke punt, dat ik geen rem heb.’

Waarom vindt u dat een zwak punt?

‘Omdat het goed is om een rem te hebben. Als ik hoor dat iemand een burn-out heeft, denk ik: geweldig! Geef mij een burn-out! Maar mij overkomt het niet. Het zou goed zijn geweest als ik af en toe had gezegd: en nu gaan we een weekend weg, iets leuks doen. We deden het wel, soms, maar het initiatief kwam altijd van Rob. En verder liet hij me begaan, gelukkig. Vroeger zeiden ze tegen me: jij bent zo druk, jij wordt niet oud. Nou, je ziet het! Maar ik heb wel weer hetzelfde gevoel als bij al mijn andere boeken. Dit was de laatste. Gek is dat, hè?’

CV Yvonne Keuls

17 december 1931 Geboren in Jakarta (Batavia) als Yvonne ­Bamberg.

1938 Gezin verhuist naar Nederland.

1952 Lerares op een volksschool in Den Haag.

1954 Getrouwd met Rob Keuls, wordt daardoor ontslagen op school.

1955 Geboorte eerste dochter Claudette, in 1957 en 1961 worden Maryse en Gerdien geboren.

1969 De kleine zielen, tiendelige televisiebewerking van de romancyclus van Louis Couperus.

1973 Richt met veertien anderen het Jongeren Opvang Sentrum op.

1977 Jan Rap en z’n maat. De toneelversie werd in 1978 bekroond met de Prijs der Kritiek van de Nederlandse theatercritici. De verfilming uit 1989 werd geregisseerd door Ine Schenkkan.

1980 De moeder van David S..

1982 Het verrotte leven van Floortje Bloem.

1985 Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel, over kindermisbruik door een kinderrechter.

1988 Daniël Maandag.

1990 Meneer en mevrouw zijn gek.

1999 Mevrouw mijn moeder, over de relatie met haar Nederlands-Indische moeder. Bekroond met de Trouw Publieksprijs.

2014 Rapport Tommie, heruitgave van Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel, met een nieuwe inleiding van Keuls.

2021 Gemmetje Victoria.

Fotoproductie

Fotografie: Pablo Delfos, haar en make-up: Marly van den Bosch (House Of Orange)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden