WILLEM SANDBERG

Critici verweten hem een 'kunstbolsjewiek', een 'dictator' en een 'barbaar' te zijn. Maar Willem Sandberg, de honderd jaar geleden geboren, roemruchte directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum, trok zich niets aan van de verwijten die over hem werden uitgestort....

DE HALVE wereld kon kokhalzend van verontwaardiging over hem heenrollen, hij had geen enkele schroom en zette de vernieuwingen door die hij voor ogen had. Sandberg liet, voor de oorlog al, de sombere negentiende-eeuwse muren van het Stedelijk wit schilderen. Zijn directeur Roëll dorst het niet zonder toestemming van het gemeentebestuur. Neem een week vakantie, zei Sandberg, ik neem de verantwoordelijkheid wel op me. Hij wist een woedende burgemeester te sussen door hem, met een natte vinger, te laten zien dat de witte saus afwasbaar was. Het werd er nooit afgewassen, het zit er nu nog.

In 1945 kreeg Sandberg zelf als directeur de leiding en hij maakte van het Stedelijk Museum een van de belangrijkste centra voor de moderne kunst in Europa. Hij haalde er het nieuwe en onbekende binnen. Hij was op zijn manier voorloper van Provo en van 'mei '68'. In rock 'n' roll, de Beatles, action painting, zelfs in vandalisme zag hij een breuk met het oude, een drang tot vernieuwing, een uiting van creativiteit en experiment. 'Willen we onszelf blijven', schreef hij in '68, 'dan moeten we constant veranderen. De toekomst start vandaag. Kom mee.'

De filmer Jan Vrijman, die toen een geruchtmakende documentaire over Karel Appel maakte, keek later met heimwee terug: 'De verf spatte van de muren. Het was een uiting van bevrijding, een manifestatie van blijheid: de vlag werd uitgestoken.' En de Zweedse museumvernieuwer Pontus Hulten, de eerste directeur van het Centre Pompidou, zei in 1975 in het gedenkboek Sandberg, een documentaire: 'Het kan best zijn dat de beste elementen in de wereld van het moderne museum voor het eerst werden geïntroduceerd in het Stedelijk.'

Afgelopen week, waarin ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag het straatje tussen het Stedelijk en het Van Goghmuseum naar hem is vernoemd, werd ook bekend dat in het nieuwe uitbreidingsplan voor het Stedelijk geen plaats meer is voor Sandbergs revolutionaire gedachte, de nieuwe vleugel aan de Van Baerlestraat. Die heet op te zijn, en versleten. Misschien is dat ook zo, de nieuwe vleugel werd in de jaren vijftig gebouwd in een wat watersnoodbouwachtige stijl. Het was een vloek voor al zijn opvolgers, een museum als doorzonwoning.

In het Stedelijk is nu een expositie ingericht met voorbeelden van Sandbergs museumpraktijk. Het roept zijn roemruchte tentoonstellingen op, laat zijn verzamelbeleid zien en zijn werk als grafisch ontwerper. In de videofilm Man van Nu, gemaakt door het Sandberg Instituut, schetsen personen die hem gekend hebben een beeld van hem en zijn mars naar de toekomst.

Het was vooral Sandberg die na de oorlog de moderne kunst in Nederland introduceerde. 'De kunst van nu komt zeker niet uit de kunst van een vorige generatie voort, maar uit de samenleving', zei hij. Wie nu terugblikt zal zich verbazen over de hoon die dat opriep, de mestkar van verwijten die er over hem werd uitgestort.

Hij heette een ouwe lul in een korte broek van Bauhaus te zijn, kunstbolsjewiek, dicatator, barbaar, lafbek en kunstvervalser; 'een onvolwassen meeloper die onze belastingcenten verkwanselde en het museum naar de sodemieter hielp'. Zijn vriend Charles Eyck keerde zich tegen Sandbergs manifesten: 'Je had voor deze generatie misschien een wegwijzer kunnen zijn, maar bij nader inzien werd je een dictator op jouw gebied. Je camoufleerde je minderwaardigheidscomplex met het nietszeggende brutale masker der vitale marktschreeuwers, de krachtpatserij der proletarische bezemvegers.'

Huilend van woede vielen zijn critici over zijn expositie-politiek en zijn voorkeur voor het nieuwe. Het gebeurde op elke spraakmakende tentoonstelling en bij de opening van die nieuwe vleugel weer. Hij brak daar met de heilige wet van het bovenlicht. Schilderijen moesten op schotten hangen en niet aan muren. Het licht moest van opzij komen, pas dan kwam het werk tot leven.

Zijn geesteskind werd uitgemaakt voor melkfabriek (De Nieuwe Dag), aquarium (De Telegraaf), reptielenhuis (Het Parool), fantasieloos pakhuis (Algemeen Handelsblad), straatvertoon van de communistische sympathieën die de directie huldigt (Elsevier dat onbeschaamd uitbraakte: 'Ermee van de straat, hoort ge'). Het was een veilingzaal (Nieuwsblad van het Zuiden), of een rouwkamer (De Waarheid). Er bleef geen spaan van heel, Sandberg trok er zich niets van aan. 'De ervaring van vijf bezettingsjaren heeft me beslist van veel bedeesdheid bevrijd', zei hij, 'en heeft me ook een gevoel van onafhankelijkheid gegeven.'

Zijn eerste Cobra-tentoonstelling werd uitgekreten als 'waanzin tot kunst verheven, geklets, geklodder'. Voor Sandberg was alle heisa vanzelfsprekend: 'Alles wat nieuw is schokt in den beginne, daar moet je van tevoren op bedacht zijn. Het zou integendeel ongerust moeten maken als de mensen het alleen maar met je eens zijn.'

Ook op een ander vlak werden zijn vernieuwingen niet direct begrepen. Hij maakte in het Stedelijk iedereen gelijk, het voltallig personeel - inclusief suppoosten, timmerlieden, elektriciëns - werd ambtenaar. Na enige tijd kwam er een delegatie van het personeel met de klacht dat een ambtenaar eigenlijk geen vuilnisbakken buiten hoefde te zetten. Hij zei niets, maar zette ze de volgende morgen samen met zijn adjunct Jaffé zelf op de stoep. 'Nooit meer een klacht gehoord.'

Willem Sandberg (1897-1984) trof bij zijn benoeming in 1945 een klassiek-historisch kunstmuseum. Hij bouwde het om tot een Huis der Muzen, haalde de toegepaste kunst, fotografie, film, vormgeving, architectuur en muziek binnen, zette er een bibliotheek, prentenkabinet en restaurant in, en een aula die ook als concert- en filmzaal kon dienen. Zijn museum werd 'een tehuis voor het experiment, voor alles van nu waarmee de toekomst wordt gebouwd'.

Het was eigenlijk - de kritiek was niet helemaal onbegrijpelijk - een antimuseumbeleid. In zijn handgezette manifesten (zonder kapitalen want daarin school de hiërarchie) pleitte hij voor een Huis der Muzen zonder vast bezit, want dat zou het binnen de kortste keren toch weer tot museum maken.

Hij pakte meteen na de bevrijding de draad weer op waar hij voor de oorlog net mee was begonnen. Er was, bij een jongere generatie, een enorme honger naar kennis. Het contact met het kunstleven in het buitenland was in de oorlog verloren gegaan. Hij gaf het tentoonstellingsprogramma onmiddellijk een sterk internationaal karakter. Niemand had hem dat gevraagd, zeker het stadsbestuur niet, hij vond het zijn taak.

Het stuitte op weerstand. De oudere garde van beeldend kunstenaars die in vijf jaar oorlog niets hadden verdiend, vond dat hij hen moest steunen. Hij trok er zich niets van aan. Zijn eerste aankoop was een dubbelportret van Max Beckmann (een Duitser! loeide de kritiek); een van zijn eerste grote exposities, voorjaar '46, was gewijd aan werk van Picasso en Matisse. Hij begon direct en resoluut met aankopen op internationaal niveau.

Sandberg had een groots, vernieuwend ideaal voor ogen dat voorgoed een eind aan het museum van de negentiende eeuw zou maken. Toch voerde hij geen anti-museumbeleid, in geschrifte misschien, niet in praktijk. Hij had niet één, maar vele gedaanten. Alleen viel vooral die ene, hemelbestormende op, omdat hij zich met evenveel hartstocht in de strijd wierp als zijn tegenstanders.

Wie zich in zijn verleden verdiept, ontdekt ook een andere man. In 1992 organiseerde het Stedelijk een tentoonstelling over het verzamelbeleid van Sandberg, een aspect dat altijd in de schaduw was gebleven. Het gebeurde ook in stilte en met zeer bescheiden middelen, de eerste jaren bedroeg het aankoopbudget slechts vierduizend gulden - toen het later flink omhoog ging waren de prijzen ook duizelingwekkend gestegen.

Hij was ook daarin een vernieuwer, verzamelde voor het eerst op de nieuwe terreinen toegepaste kunst, fotografie en architectuur, maar hij liet - zijns ondanks - het oude niet los. Hij wist de in de oorlog op drift geraakte Malevitsj-collectie binnen te halen, kocht Picasso, Max Ernst, Rietveld, Van Doesburg, maar ook Cézanne, Bonnard, Monet, Renoir, Breitner en Israëls, de magisch realisten Schuhmacher, Willink, Huyskens; beelden van Naum Gabo, Henry Moore, Jean Arp, Zadkine en Tinguely.

Hij maakte fameus geworden tentoonstellingen, die van Cobra in de jaren veertig bijvoorbeeld; Bewogen Beweging (de kritiek: 'lentekolder, kermis, opgewarmde Dadakliek') en Dynamisch Labyrinth begin jaren zestig met de kinetische kunst van Jean Tinguely, Niki de Saint Phalle en Daniel Spoerri.

Zijn opvolger Edy de Wilde vond Sandbergs beleid 'op de eerste plaats gericht op de dynamiek van het instituut, het centrum van alles wat zich voordeed aan jonge en levende kunst; daar heeft hij veel meer nadruk op gelegd dan op de collectie. Het belang van een collectie was ook voortdurend punt van discussie tussen ons, we zijn het er nooit over eens geworden'.

Sandberg speelde een centrale rol in de Federatie van Kunstenaarsverenigingen en in de Raad voor de Kunst, bekleedde talloze bestuursfuncties in binnen- en buitenland. Hij zat in een adviescommissie in Parijs, die uit 681 inzendingen het plan van Rogers, Piano en Franchini ('al jaren droomde ik van een museum gebouwd als een warenhuis') als winnend ontwerp voor het Centre Pompidou koos.

Bij zijn pensionering in 1962 kreeg hij als afscheidscadeau honderd kunstwerken van honderd kunstenaars, die hij onmiddellijk aan het museum overdroeg. Ger Lataster, samen met Wessel Couzijn initiatiefnemer, zei in 1992: 'Sandberg werd altijd verweten dat hij niets kocht, maar hij had geen geld. Hij had een klein budget, maar dankzij intelligentie en goede internationale contacten kreeg hij nog zoveel voor elkaar.'

En: 'Het was een zeer actieve en fantasierijke periode, er ging een enorme impuls en inspiratie vanuit. Er was een grote geïnteresseerdheid, daar was hij de drager van.' Het blijft voor Lataster nog altijd een begrip: 'Sandberg, op dát moment, vertegenwoordigde een historische tijd. Bij elke tentoonstelling stonden de kranten vol en moest de wethouder weer opdraven, om de haverklap was er een schandaal. Nu is het allemaal amorf, je kan aan de muur hangen wat je wilt.' Couzijn en hij brachten toen 'hele goeie dingen' bij elkaar. 'Dat lag niet aan ons, maar aan hem. We gingen naar Henry Moore in Londen, naar Zadkine in Parijs. Zeg het maar, zeiden ze, we konden uitzoeken, dát was Sandberg.'

Sandberg, grafisch ontwerper en museumpionier. Stedelijk Museum Amsterdam, tot en met 30 november.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden