Willekeurig volgens een systeem

Reizen zonder reisdoel: verslaggever Caspar Janssen fietst de stad uit. Maar niet lukraak – eerst links, dan rechts...

Het idee was: ik stap op de fiets, ik sla beurtelings links- en rechtsaf en kijk wel waar ik uitkom. Aan het einde van dag één ga ik naar het dichtstbijzijnde hotel, de volgende dag gaat het voort vanaf het eindpunt van de vorige dag.

In mijn fantasie zou ik kriskras fietsend na twee dagen ergens ver in Oost-Nederland uitkomen, of juist in Noord- of Zuid-Nederland, of misschien fietste ik wel tegen de Noordzee aan, je wist het niet en dat was precies het mooie van het plan: de verrassing, het negeren van al die zorgvuldig uitgestippelde fietsroutes, waarover we ons doorgaans gedwee, in colonne bewegen door de reepjes groen. Ik ging het anders doen, ik zou Nederland zien zoals het werkelijk was, in al haar lelijkheid en in al haar schoonheid. Industrieterreinen, woonerven, Vinex-locaties, het is allemaal draaglijk, als je weet dat daarna een verrassing volgt.

Ik kies de eerste twee mooie voorjaarsdagen uit voor mijn lange fietstocht. Collega’s aan de Amsterdamse Wibautstraat, waar de Volkskrant-redactie is gehuisvest, benijden me: zij willen ook wel, door het land fietsen, nu het eindelijk mooi weer is.

Ik snap het.

Ik haal mijn goede fiets van zolder, pak de fietstassen in met spullen voor twee dagen inclusief overnachting, en ik vertrek, vanaf mijn huis in de Amsterdamse Rivierenbuurt.

Hoe naïef kun je zijn. Vooralsnog kom ik de stad niet uit, of ik nu links-rechts of rechts-links probeer. Misschien komt het omdat Amsterdam cirkelvormig is, in elk geval word ik telkens weer richting stad gezogen. Na een uur kruis ik de Wibautstraat, een half uur later ben ik bij het Centraal Station, even later sta ik op de Dam, weer een half uur later kruis ik opnieuw, in volle bepakking, de Wibautstraat; ik kom nog net geen collega tegen.

Ik liep al jaren rond met het idee. Eigenlijk had ik het bedacht voor de auto. Volgens het wel vaker gehoorde adagium ‘wel zien waar je uitkomt’. In mijn dromen waren dat altijd riviertjes in bergdalen waar je mooi je tentje kon opzetten, of in door niemand ontdekte provinciestadjes in Frankrijk, Duitsland of Spanje, waar ik in het enige leuke café verzeild zou raken en het leukste meisje van het stadje zou ontmoeten. Nou ja, je kunt ook doordraven.

Een groot voordeel van deze manier van reizen is, idealiter: kaartlezen is niet nodig, op bordjes letten en de weg vragen evenmin, je kunt je heerlijk ontspannen laten leiden door een systeem, een simpel links-rechtssysteem.

Want dat je een systeem nodig hebt, juist als je ‘wel ziet waar je uitkomt’, staat als een paal boven water. Anders ga je nadenken, twijfelen, bij elk kruispunt dat zich aandient. En voor je het weet, kom je toch weer op gebaande paden terecht of zoek je dat stadje op dat je nog kent van een vorige trip.

Ik had het idee nooit uitgevoerd – totdat eind vorig jaar The Lonely Planet Guide to Experimental Travel verscheen. Daarin staan veertig vormen van experimenteel reizen beschreven. Sommige van die vormen zijn juist erg bewerkelijk of ingewikkeld (’s nachts ballonvliegen, reizen aan de hand van het getal 12), en de meeste vormen gaan niet uit van het idee van willekeur (‘wel zien waar je uitkomt’), anderen komen dicht in de buurt. Zoals ‘Dog-leg travel’, waarbij de reiziger zich laat leiden door een hond (let the dog take you for a walk). En jawel, het links-rechts reizen staat ook beschreven. De makers van de gids doen het lopend, door de stad. Ik fiets, door Nederland.

Maar rond 1 uur fiets ik nog altijd door mij overbekende delen van Amsterdam. Even lijkt het toch te lukken om de wijde wereld in te trekken; ik fiets over de Valentijnkade, langs het Flevopark, richting Diemen; ik zie het dijkje dat de stad uitloopt lonken, maar dan is er nog één afslag naar rechts, naar beneden, de Kruislaan in, naar het Science Park, richting stad. En hoe het kan, weet ik niet, maar een uur later sta ik opnieuw op de Wibautstraat.

Rond vier uur ’s middags ben ik weer in de buurt van mijn huis, ik probeer, door een ander startpunt te kiezen, de stad aan de zuidkant te verlaten, maar ik buig opnieuw af naar het centrum.

Thuis pak ik de toilettas weer uit. De gedachte om te overnachten in het Amstel-hotel (waar ik twee keer langskwam), in het Hilton (1 keer) of het Okura (vlakbij mijn huis) laat ik maar varen.

Het is niet alleen dat je de stad niet uitkomt; het systeem geeft meer hoofdbrekens dan de bedoeling was. Soms kun je alleen rechts met de fiets, terwijl je linksaf moet, of andersom, soms is het niet duidelijk of de afslag eigenlijk wel een afslag is of gewoon de doorgaande weg. En wat te doen bij wegomleggingen, bij doodlopende wegen en bij paadjes, fietspaden en weggetjes die een sport- of gewoon park inlopen?

Misschien gaat het buiten de stad beter. Op dag twee leg ik het startpunt op de Amsteldijk, langs de Amstel. Maar nu rij ik na een uur Amstelveen binnen en doorkruis ik urenlang zowat alle Amstelveense woonerven. Het hoort allemaal bij het idee, maar het is wel om tureluurs van te worden. In het chique prinsessenbuurtje beginnen schaftende bouwvakkers wantrouwend te kijken als ik voor de derde keer in vijf minuten de villa passeer waar zij aan het werk zijn.

Als ik nog iets meer wil zien van Nederland wordt het tijd om de regels aan te passen. Woonerven met 30-kilometerbordjes mag ik vanaf nu negeren, fietspaden en weggetjes die overduidelijk een park of industrieterrein inlopen ook. Een weg of fietspad moet ergens naartoe gaan, dat is vanaf nu het criterium. Zo kom ik op dag twee, na nog een aantal discutabele beslissingen, alsnog uit in Ter Aar, net in Zuid-Holland. Daar eet ik een ijsje.

Op deze, aangepaste manier, functioneert het ‘systeem’ wel op een prettige manier. Ik fiets weliswaar door eentonige woonkernen als Bovenkerk en Noorder Legmeer, en ik bedwing lange, rechte wegen in een eindeloos landschap van bloemenkassen, maar daarna kom ik in Kudelstaart, ik fiets langs de Westeinderplassen. En op het terras van een cafetaria aldaar heb ik een spontaan gesprekje met jongeren die net hebben gezwommen.

In Bilderdam is het idyllisch, het is duidelijk een fietsrouteknooppunt en dan neem ik het industriegebiedje boven Ter Aar dan maar weer op de koop toe.

Maar echt mooi wordt het, eerlijk gezegd, pas op de terugweg, als ik heel ouderwets een fietsroute volg over het jaagpad langs het Amstel-Drechtkanaal, langs de Amstel zelf, naar Amsterdam. Dertig kilometer idylle, keurig bewegwijzerd. Daar komt geen denkwerk aan te pas.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden