Wilders' dodelijke woorden

Woorden kunnen mensen aanzetten tot het gebruik van geweld. Zulke woorden heeft Geert Wilders gebruikt in de Tweede Kamer, zegt Anne-Ruth Wertheim....

Woensdag besloot het hof van Amsterdam dat de rechter toch moet beoordelen of het Tweede Kamerlid Wilders met zijn uitspraken over moslims haat heeft gezaaid tegen een bevolkingsgroep. Omdat Kamerleden binnen het parlement onschendbaar zijn, kijkt de rechter vooral naar wat hij gezegd heeft buiten het parlement. Maar de teksten die Wilders uitsprak in het parlement zijn minstens zo interessant, vooral de manier waarop hij zijn verschillende typeringen van moslims combineert.

De Israëliër Elihu Richter ontmoette in Auschwitz een groep oudere Marokkaanse Amsterdammers. Ze wilden begrijpen hoe het allemaal heeft kunnen gebeuren. Toen een van hen zei dat degenen die de selecties en vergassingen uitvoerden monsters waren en geen mensen, had hij geantwoord dat ze net als ieder ander bij hun moeder hadden gedronken en met andere kinderen gespeeld. Ze waren in monsters veranderd door ‘woorden die doden’: vuilnis, apenkinderen, ratten, tyfus, kankergezwellen, kakkerlakken, wormen en parasieten.

Massaslachtingen waar ook ter wereld worden vaak ‘spontaan’ genoemd. Vertwijfeld vraagt iedereen zich af waarom niemand het zag aankomen. Dan blijkt dat de voortekenen, woorden die doden, al jarenlang rondwaarden. Mensen pakken niet zomaar hun geweer of kapmes. Er moet al haat heersen en vooral ook angst, niet zelden de ultieme impuls tot doden. Richters ‘woorden die doden’ lijken gelijksoortig maar zijn dat niet. Vuilnis, apenkinderen en kakkerlakken zijn vies of laag-bij-de-gronds, daarmee verhef je je boven anderen. Tyfus, ratten, kankergezwellen en parasieten verwijzen naar ziekten en indringers. Daarmee maak je jezelf tot mogelijk slachtoffer. Degraderen en als gevaarlijk brandmerken, door elkaar geklutst is dat een giftig brouwsel.

Wat gebeurt er in het brein van mensen die een bevolkingsgroep te lijf gaan? Het maakt uit of ze zich gedekt voelen door het gezag. Het maakt ook uit of het een meerderheid betreft of een minderheid. De gekoloniseerde volkeren leden onder koloniaal racisme. Ze werden niet in staat geacht zichzelf te besturen, waren ‘kinderlijk en traag van begrip’. Zo waren ze nu eenmaal geboren, levend bij de dag en spugend op de grond. Ze waren wel goed genoeg om het zware werk te doen voor de heersende witte minderheid.

Heel anders is het culturele racisme tegen handelsminderheden die moeten concurreren met gevestigde meerderheden. In voormalig Nederlands-Indië wekten Chinezen met hun inzet en vernuft afgunst op. ‘Traag van begrip’ konden ze moeilijk worden genoemd, maar hun ‘afwijkende cultuur’ bood uitkomst. Ze waren ‘op geld belust, onbetrouwbaar en uit op de totale overheersing’. De nauwelijks verborgen boodschap luidde dat geweld tegen deze groep zou worden opgevat als noodweer. Geweld tegen handelsminderheden is altijd massaal – de groep moet lijfelijk worden uitgeschakeld. Het is dit culturele racisme dat lijkt op het vooroorlogse antisemitisme: verdenking van onbetrouwbaarheid, beschuldiging de wereldheerschappij te willen vestigen en pogingen tot complete uitroeiing.

In Nederland is sinds de komst van arbeidsmigranten uit Turkije en Marokko een verschuiving gaande. Eerst kregen ze een portie mee van het vertrouwde koloniale racisme, er werd op ze neergekeken. Nu worden de moslims aangevallen op hun ‘afwijkende’ cultuur en religie en ervan beschuldigd te streven naar de totale overheersing. Wat in de plaats komt van het neerkijken, kan uitmonden in massaal geweld. Net als overal waar herkenbare bevolkingsgroepen werden aangewezen als bedreiging voor de samenleving.

Op dit moment heerst een mengsel van beide soorten racisme. Laten we de woorden bestuderen die Wilders sprak tijdens de laatste Algemene Beschouwingen. Hij begint bij de overlast door jongeren van Marokkaanse afkomst. Maar al in één ademteug is hij doorgeschakeld naar zijn eigenlijke doelgroep, de moslims. ‘Het Marokkaanse tuig dat scheldend, spugend en onschuldige mensen in elkaar rammend door het leven gaat – ik noem ze liever kolonisten, moslimkolonisten, want ze zijn niet gekomen om te integreren maar om de boel hier over te nemen.’ Ook op de tweede dag past hij dit recept toe. Hij begint weer bij ‘dat soort Marokkaanse tuig’ dat ons bespuugt, bedreigt en in elkaar slaat. Maar dan toont hij z’n ware gezicht en gaat het helemaal niet meer over de straatschoffies. ‘Ze zijn logés die in ons huis het behang van de muur trekken, de boel kort en klein slaan en de televisie op straat gooien’. En, vraagt hij retorisch aan premier Balkenende, ‘wat zou u in zo’n geval doen? Ze eruit smijten!’

Omlaag halen en angst aanjagen vlecht hij sluw door elkaar. Op de moslims moeten we neerkijken met hun primitieve gewoonten als spugen en asociaal gedrag. En we moeten doodsbang voor ze zijn, ze slaan mensen in elkaar en willen de boel hier overnemen, ons koloniseren. Nu de angst voor een getalsmatige overheersing door moslims niet meer aanslaat, haalt hij ‘koloniseren’ van stal, hoe wij Nederlanders als minderheid heersten over meerderheden.

Vermakelijk is hoe Wilders aan ‘updating’ doet. Omschreef hij zijn doelgroep altijd als ‘gasten’ – onder verwijzing naar de gastarbeiders – nu heeft hij ze opgewaardeerd tot ‘logés’ – ze mogen een nachtje blijven slapen! Maar schijn bedriegt. Logés dringen veel dieper binnen in je persoonlijke levenssfeer. En als ze ook nog aan je bezittingen komen en vooral aan je heilige koe – de televisie – zijn ze bewezen levensgevaarlijk.

De geschiedenis heeft geleerd dat er hevige angst moet heersen om over te gaan tot massaal geweld. Parasieten, binnengedrongen ziektekiemen, ‘het internationale wereldjodendom’, de islam die van binnenuit onze samenleving aantast. Maar het doden viel mensen makkelijker als ze hun slachtoffers tegelijkertijd konden zien als minderwaardig. Dus er moest een scheutje neerkijken in de cocktail van angst: kakkerlakken die vertrapt mochten worden, ‘Untermenschen’ die het niet waard waren te blijven leven.

Er is alle reden de woorden van politici en opiniemakers nauwlettend te bestuderen.

Meer over