profielen 70 jaar Volksrepubliek China

Wie zijn de bouwers, of ‘Jianguo’, van de Volksrepubliek China?

1 oktober 1949, Mao Zedong kondigt op deze prent de oprichting van de Volksrepubliek China aan, met zicht op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing. Beeld Universal Images Group via Getty

Ze komen uit verschillende gebieden in China, groeiden op in verschillende tijden, maar hun ouders noemden hen hetzelfde: Jianguo (‘stichting van de natie’). De naam vervult hen met trots, zeker nu dinsdag de Volksrepubliek China 70 jaar bestaat. Dit zijn hun verhalen over China.

Sui Jianguo (1956), de kunstenaar, opgegroeid tijdens de Culturele Revolutie onder Mao

‘Toen mijn oudste broer in 1955 werd geboren, mocht mijn grootvader zijn naam kiezen. Een kleinzoon, dat was een grote bron van trots, dus noemde mijn grootvader hem Jinliang: een gouden kind, goed van hart. Maar mijn vader was daar niet blij mee. Die naam had niets ­socialistisch. Het leek wel een naam van vóór de stichting van het Nieuwe China. Toen ik een jaar later geboren werd, besloot hij zelf een naam te kiezen.

‘Ik ben in oktober geboren, de nationale feestdag was net voorbij, dus noemde mijn vader mij Jianguo: Stichting van de Natie. In die tijd waren er een hoop mensen met die voornaam. Mijn jongere broer werd Jianjun genoemd: Stichting van het Leger.

‘Een waarzegger zei me ooit dat mijn naam te groot voor me is, en dat ik beter Jianting kon heten: Stichting van het Huis. Een man kan geen land oprichten, zei hij, het is al heel wat als hij een huis kan opbouwen. Maar ik houd meer van Jianguo. Het klinkt goed.

Sui Jianguo bij zijn kunstwerk De Nieuwe Discuswerper. Beeld Ruben Lundgren

‘Ik ben nu 63 jaar. De veranderingen in de Chinese maatschappij zijn groot geweest, net als de veranderingen in mijn eigen leven. Dat is juist heel waardevol. In mijn kunst denk ik na over het leven, over het lot van mensen en van landen. Ik denk na over hoe ik opgegroeid ben onder het socialisme, over de relatie tussen mij en China, en over de relatie tussen mij en de wereld.

‘Al die veranderingen heb ik makkelijk doorstaan. Maar tegenwoordig wordt China conservatiever. De globalisering ondervindt problemen, de economie loopt tegen obstakels aan en er is een heropleving van de traditie. In de jaren tachtig en negentig had ik het financieel moeilijk, maar ik was altijd hoopvol over de toekomst. Tegenwoordig gaat het me financieel goed, maar ik voel het sociale klimaat minder open worden.

‘Als kind was het mijn droom om ingenieur of wetenschapper te worden. Maar toen ik 10 jaar was, begon de Culturele Revolutie en gingen alle universiteiten dicht. Op mijn 16de moest ik naar de fabriek. Ik had geluk dat ik niet naar het platteland moest, zoals veel jongeren, maar toch vond ik het niet eerlijk. Op een dag dacht ik terug aan wat een leerkracht zei, dat ik talent had voor schilderen. Ik begon na werktijd schilderles te volgen bij een oude meester.

‘Ik werd opgeleid in traditionele schilderkunst – landschappen met bergen en water – maar in die tijd moest je daar socialistische elementen aan toevoegen. In de bergen moesten kronkelende wegen liggen – nieuwe wegen dankzij het socialisme – en op die wegen moesten auto’s rijden. Je moest hoogspanningsmasten en waterreservoirs toevoegen. Als je dat niet deed, kon je niet meedoen aan tentoonstellingen.

Sui Jianguo: ‘Een waarzegger vond mijn naam te groot voor me.’ Beeld Ruben Lundgren

‘Met de hervormingen van Deng kwam het Westen bij mij binnen’
‘In 1976 maakte ik mijn eerste eigen kunstwerk: een berglandschap met een waterreservoir. Ik voelde me een echte kunstenaar en ik had het gevoel dat ik mijn plaats in het leven had gevonden. Maar later dat jaar overleed voorzitter Mao en veranderde alles in China. De universiteiten gingen weer open en mijn meester adviseerde me om deel te nemen aan de toegangsexamens. Ook al zou ik geen ingenieur meer kunnen worden, ik zou een universitaire kunstopleiding kunnen volgen.

‘Na de hervormingen van Deng Xiao­ping werd alles veel beter. De economie groeide, China sprong op de trein van de globalisering en ik werd beeldhouwer. We kregen in China toegang tot Europese en Amerikaanse cultuur, en ik las boeken, zag films, en luisterde naar Beethoven en Bach. Ik voelde dat een nieuw tijdperk was aangebroken.

‘Na 1997, het jaar van de overdracht van Hongkong aan China na honderd jaar van Brits bewind, begon ik me vragen te stellen. Hoe kon China van zo’n lamlendig land veranderen in zo’n sterk land? En hoe was ik, als Chinees, in dat proces gegroeid? Ik besefte dat voorzitter Mao nog steeds een grote invloed op mij had en dat ik die invloed moest zien te overstijgen.

‘Sommige van mijn werken kunnen vandaag niet meer tentoongesteld worden’ Beeld Ruben Lundgren

‘Mijn Slapende Mao was een breuk met de traditionele cultuur’
‘In die jaren heb ik werken gemaakt zoals Slapende Mao. Als kind verafgoodde ik voorzitter Mao, maar slapend maakte ik een mens van hem. Die werken waren het resultaat van een lang proces. Ik moest een breuk creëren met de traditionele cultuur van China, die collectivisme propageert, en mijn plaats vinden als individu. Ik denk dat dat de crux van China’s modernisering is: mensen moeten hun persoonlijke waarden ontwikkelen.

‘Sommige van mijn werken kunnen vandaag niet meer tentoongesteld worden. Dat is waarom ik zeg dat China conservatiever wordt. De modernisering van China leek ondersteund te worden door de globalisering. Maar nu kent de hele globalisering een terugval, zoals met de Republikeinse Partij in de Verenigde Staten en de Brexit in Europa. Als de hele wereld verandert, dan verandert China ook.’

Xu Jianguo (1978), ondernemer uit Wenzhou, emigreerde naar Chili

Xu Jianguo met zijn ‘eigen’ sokken. Beeld Ruben Lundgren

‘Tegenwoordig zijn er ouders die hun kind een heel ingewikkelde naam geven, maar vroeger hoefde een naam niet uniek te zijn. Toen ik jong was, zaten er in mijn school tientallen kinderen met dezelfde voornaam als ik, zelfs met dezelfde achternaam. Ik vind het prima. Jianguo is in China een doodgewone naam, net als Marcello, zoals ik in Chili heet.  

‘Mijn vader heeft mijn naam gekozen. Hij zat in het leger en heeft tijdens de Vietnamoorlog tegen de Amerikanen gevochten. Ik denk niet hij er iets mee bedoelde, hij volgde slechts de gewoonte van zijn tijd. Mijn familie en vrienden noemen me kortweg Aguo. Maar in Chili kom je als Aguo nergens binnen. Dus ben ik mezelf Marcello gaan noemen. Aguo is voor vrienden, Marcello voor zaken.

‘Ik ben de eerste van mijn familie die naar Zuid-Amerika is gegaan. Mijn schoonvader en oom doen zaken in Oost-Europa, mijn zusje woont in Duitsland en ik heb drie tantes in ­Nederland. Mijn familie komt uit Wenzhou, een plaats in China waar veel mensen overzee gaan om handel te drijven. Wij Wenzhounezen kunnen enorm hard werken, en als we overzee gaan, keren we niet terug voor we succesvol zijn. Daarom worden we ook wel de joden van het Oosten genoemd.

‘In Wenzhou kun je zo een miljoen van vrienden en familie lenen’
‘Toen ik eind jaren negentig van school ging, ging ik eerst bij de politie. Ik dacht dat een leven binnen de overheid het meest stabiel zou zijn. Maar rond mij zag ik oud-klasgenoten bedrijfsleider worden en veel geld verdienen en ik had het gevoel dat ik achterbleef. Op advies van mijn schoonvader heb ik de sprong gewaagd. Toen een zakenrelatie van mijn oom zijn sokkenbedrijf wilde uitbreiden naar Chili, hapte ik toe.

‘Het begin was zwaar. In China was ik politieagent en had ik aanzien, maar in Chili stelde ik als kleine ­zakenman niets voor. Ik kende niemand en ik sprak geen woord Spaans. Dat eerste jaar leed ik een verlies van 300 duizend dollar. Ik had veel kosten, maar ik werd ook opgelicht. Een officieus wisselkantoor ging er met ons geld vandoor en toen ik erin slaagde de oplichter op te sporen, liet hij me in elkaar slaan. Ik was zwaargewond, kon drie maanden niet uit mijn bed komen.

‘Dat was het moment dat ik het dichtst bij opgeven stond. Ik dacht: thuis is het zo goed, hier is het alleen maar ellende. Maar als Wenzhounees doe je dat niet. Als ik zonder carrière was teruggekeerd, dan zou iedereen op me neerkijken. Ik moest mijn familie ook terugbetalen. In Wenzhou kun je zo een miljoen dollar van vrienden en familie lenen, zonder enig ontvangstbewijs. Het onderlinge vertrouwen is heel groot. Maar je moet er alles aan doen om terug te betalen.

‘Geleidelijk ging het beter. Ik verkocht mijn sokken iets boven de fabrieksprijs en kon zo de markt openen en mijn merk opbouwen. Op het hoogtepunt had ik 80 procent van de Chileense sokkenmarkt in handen. Ondertussen is dat een stuk minder geworden, omdat we nieuwe markten in Bolivia en Peru hebben geopend, maar ook omdat er veel meer Chinezen zijn bijgekomen. Ze kopiëren onze kleuren en designs en verkopen ze tegen een lagere prijs.

‘Hoe goed het leven ook in Chili, ik wilde terug naar China’
‘Ik had een goed leven in Chili. Ik had er vrienden in de hoogste kringen, ik kende zelfs de voormalige president. Maar ik wilde terug naar China voor mijn familie, voor mijn twee zonen. ­Familiebanden zijn ongelooflijk belangrijk voor Chinezen. In Chili zijn mensen onafhankelijker, en dat is soms beter. Als mijn werknemer iets fout doet, kan ik hem mogelijk niet straffen omdat hij familie is. In het Westen werf je de mensen die je nodig hebt, in plaats van mensen met wie je een band hebt.

‘Hoe goed het leven ook in Chili, ik wilde terug naar China.’ Beeld Ruben Lundgren

‘Maar in Chili zijn er ook veel problemen. Er zijn stakingen en demonstraties. Vakbonden zijn in principe goed, maar de Chileense arbeiders maken misbruik van de regels. Ze worden dronken in het weekend en zijn dan afwezig op maandag, ze melden zich bij het minste of geringste ziek. De meeste van mijn werknemers in Chili zijn geen Chilenen, maar ­immigranten uit Haïti, Peru en Venezuela. Die zijn goedkoper en werken harder.

‘Ik denk niet dat de Chinese arbeidsomstandigheden slechter zijn dan de westerse. Misschien was dat vroeger zo, maar tegenwoordig hebben wij in Wenzhou moeite om arbeiders te vinden. We geven ze logement met airco, een ziektekostenverzekering, een werkdag van acht uur.

‘Maar wat is een goede baan? Vijf uur werken en nauwelijks genoeg verdienen om rond te komen? Of dubbel betaald krijgen voor overwerk? Als je met meer geld een beter leven kunt opbouwen, dan is dat toch goed?’

Yao Jianguo (1985), duiker naar zeekomkommers uit Binnen-Mongolië

Yao Jianguo met zijn chic verpakte zeekomkommers. Beeld Ruben Lundgren

‘Mijn grootmoeder heeft me mijn naam gegeven. Zij heeft de oprichting van het Nieuwe China meegemaakt, en zij had sterke gevoelens bij de naam Jianguo. Ze vertelde me vaak hoe hard haar leven was onder de grootgrondbezitters en de Japanse bezetter, hoe vaak ze honger leed. Na de stichting van het Nieuwe China werd haar leven geleidelijk beter. Daar was ze heel dankbaar voor.

‘Toen ik klein was, vond ik Jianguo een naam voor oude mensen. Maar toen ik ouder werd, begon ik de  bedoeling van mijn grootmoeder te snappen. Ze heeft me willen meegeven dat onze huidige levensstandaard er niet vanzelf is gekomen en dat ik mijn land dankbaar moet zijn. Als ik aan mijn naam denk, voel ik verantwoordelijkheidszin. Ik moet mijn naam eer aandoen.

‘Ik ben in 1985 in Binnen-Mongolië geboren, in een dorp op de prairie. Mijn familie was heel arm. Het was de tijd van de eenkindpolitiek, mijn ouders hadden drie kinderen en als straf kregen ze geen baan. Ze ­deden losse klussen, hielpen boeren zaaien en oogsten, maar dat was het. In de winter hadden we zo weinig te eten dat mijn moeder op de velden achtergebleven maïs ging rapen.

- Beeld de Volkskrant infographics

‘Mijn ouders konden de toegang tot de universiteit niet betalen’
‘Toen mijn oudere zus aan de universiteit werd toegelaten, probeerde mijn moeder van familie geld te lenen, maar in mijn familie had niemand het breed. Mijn moeder kon zich er zo moeilijk bij neerleggen dat mijn zus op een dag haar toegangsbewijs in stukken scheurde om een eind te maken aan het gebedel. Die dag besliste ik ook van school te gaan. Het had toch geen zin. Ik ging naar Dalian, dicht bij de zee en in mijn ogen een stad vol mogelijkheden.

In Dalian werkte ik eerst op een vissersboot. Ik zat de hele dag op zee, sliep in vochtige kajuiten en ik verdiende amper 60 euro per maand. Op een dag zag ik een man 200 euro krijgen voor zeekomkommers. Die worden in China gezien als deel van de traditionele eetcultuur en krijgen een medicinale werking toegekend. In één dag kon die duiker drie keer zo veel verdienen als ik in een maand. Dat wilde ik ook.

‘Met duiken naar zeekomkommers kan je veel geld verdienen, maar het is heel gevaarlijk. Op de bodem van de zee gebeuren veel ongevallen. In de winter kan de lucht in je zuurstofslang bevriezen, waardoor je geen zuurstof meer krijgt. Soms is het zicht heel slecht en kun je in oude visnetten verstrengeld raken. Als je dan in paniek raakt, gaat het mis. Dit jaar zijn al drie duikers gestorven die ik goed kende.

‘Omdat het zo gevaarlijk is, is het moeilijk iemand te vinden die je wilt leren duiken. Maar na lang aandringen vond ik een groep duikers die me in ruil voor gratis werk hun duikuitrusting lieten gebruiken. Ik wist amper wat ik deed en het was levensgevaarlijk. Maar ik moest wel. Het was mijn enige manier om een beter leven te krijgen.

‘Als duiker begon ik flink geld te verdienen en na een tijdje zette ik ook een groothandel op. Ik verdiende soms 10 duizend euro per dag. China was in die jaren een land vol kansen. Als je maar genoeg probeerde, wachtte er een fortuin. Ik kocht een Mercedes, trakteerde in de duurste restaurants, kocht een boerderij in Binnen-Mongolië met veertig paarden. Als ik zin had om paard te rijden, liet ik een paard overkomen. Iedere dag gaf ik 1.000 of 2.000 euro uit. Ik was schaamteloos.

‘In 2013 ging het mis. Je moet weten: tegenwoordig zijn er amper nog wilde zeekomkommers. Jonge zeekomkommers worden in zee uitgezet om op natuurlijke manier groot te worden. En om het kweekgebied te vergroten, worden kunstmatige riffen gebouwd. Daardoor was er in 2013 ineens een overaanbod. De hele handel stortte in. Mijn kopers gingen ervandoor zonder te betalen, mijn ­zakenpartner verdween met het laatste geld. Mijn hele fortuin was weg.

De zeekommer is een delicatesse in China. Beeld Ruben Lundgren

‘Geld is niet alles besefte ik bij mijn wandeltocht door China’
‘Ik was radeloos. Ik dacht er zelfs aan zelfmoord te plegen, maar ik kon mijn familie niet in de steek laten. Uiteindelijk maakte ik een lange voettocht door China, zoals Forrest Gump in de film door Amerika. Tijdens die tocht besefte ik dat ik niet alleen voor geld wilde leven. Ik wil een waardevol, betekenisvol leven. Ik steun nu jongeren die door een ziekte in de ­familie of door andere omstandig­heden hun studie moeten stopzetten. Ik weet hoe erg het is om je scholing niet af te maken.

‘Stap voor stap heb ik weer een zeekomkommerbedrijf opgebouwd. Ik verdien niet zo veel geld als voorheen, maar ik probeer duurzaam te werken. Sommige mensen kweken zeekomkommers in kunstmatige vijvers en voegen antibiotica toe die de omgeving vervuilen. Of ze verkopen ondermaatse zeekomkommers. Misschien zullen zij sneller geld verdienen dan ik, maar dat maakt me niet uit. Ik heb mijn les geleerd.’

‘Ik moet mijn naam eer aandoen.’ Beeld Ruben Lundgren

Nederlanders vertellen openhartig over de rol die afkomst speelt in hun leven. ‘Opeens werd er op mij en mijn broertje het labeltje ‘zwart’ geplakt.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden