Zinvol levenMardjan Seighali, directeur UAF

‘Wie hard is voor zichzelf, is dat ook voor zijn omgeving’

Beeld Jitske Schols

Haar idealisme brengt Mardjan Seighali in het Iran van ayatollah Khomeini in grote problemen. Ze wordt opgepakt, vrienden van haar worden vermoord. ‘Ik heb toen vriendschap met de dood gesloten.’

‘Die anderhalf jaar vormen een breuk in mijn leven – er is de tijd ervoor en de tijd erna. Als je jong bent, sta je niet stil bij de dood. Je bent er bang voor, maar hebt verder geen idee. In de gevangenis werd ik dagelijks met de dood geconfronteerd. Het is een tijd waarvan ik nooit zal kunnen zeggen: die ligt achter me. Maar het overheerst mijn leven niet meer.’

In Almere, omgeven door de rust van haar achtertuin, blikt de 56-jarige Mardjan Seighali terug op haar jeugd in Iran. Hoe ze opgroeit in een welgesteld gezin in het noorden van het land. Met als vader een geslaagde zakenman van eenvoudige komaf die niets van politiek moet hebben, maar alles van dichtkunst. ‘Poëzie is onze bijbel’, luidt zijn adagium. Zijn vrouw, afkomstig uit een welgestelde familie, was verslaggever en recenseert dichtbundels voor de lokale omroep. Samen koesteren ze een ‘huisje-boompje-beestje’-ideaal voor hun drie dochters. 

Maar de middelste, Mardjan, rebelleert, wanneer ze zich bewust wordt van sociaal onrecht: ‘Hoe kunnen we doen alsof we in een kasteeltje leven, een droomwereld, zei ik tegen mijn ouders, terwijl de buitenwereld zo anders in elkaar steekt?’ Wanneer in 1979 het bewind van de sjah valt, wordt de 15-jarige actief voor een progressieve partij – ze bezoekt bijeenkomsten en verspreidt pamfletten. Dat komt haar duur te staan wanneer ayatollah Khomeini aan de macht komt en een referendum over een islamitische republiek uitschrijft. Na zijn overwinning bestempelt hij alle tegenstanders als vijanden van de islam: ‘Opeens ontstond er een heel griezelige situatie. We werden als staatsgevaarlijk beschouwd. Iedereen die zich tegen de islamitische republiek had gekeerd, mocht op straat worden doodgemaakt. Ik was vogelvrij.’

Na een maandenlange onderduikperiode bij familie waagt ze het erop naar haar ouderlijk huis terug te keren, meteen wordt ze opgepakt. Na anderhalf jaar gevangenis komt ze vrij, dankzij bemoeienis van een vriend, haar latere man Rasoul. Een van de voorwaarden is een snel huwelijk: ‘De gedachte was dat ik dan niet meer aan politiek zou doen. Ik was woedend, ook op Rasoul. ‘Dacht je dat je mij kunt kopen? Ik beslis zelf wel met wie en wanneer ik trouw’, riep ik.’

Toch gaat het huwelijk door. Nog in Iran krijgt ze twee zoons, maar in 1990, op haar 25ste, vlucht ze naar Nederland, waar haar man al eerder naartoe is gegaan. Ze leert de taal, studeert maatschappelijk werk en maakt carrière. Sinds 2013 is ze directeur-bestuurder van het UAF, een stichting die gevluchte studenten bij hun studie begeleidt en haarzelf begin jaren negentig een studiebeurs gaf. In 2019 ontvangt ze de Comeniusprijs voor haar inzet ‘voor het ontwikkelen van de internationale samenleving’.

Wat is voor u een zinvol leven?

‘Als je als kind wordt geboren, vraag je daar niet om. Je komt huilend ter wereld en met dat geluid maak je anderen blij. In mijn opvoeding heb ik dat meegekregen: je bent hier niet voor jezelf, maar voor je medemens. Dat was niet ingegeven door een religie, want bij ons thuis deden we daar niet aan. Mijn opa die theologie had gestudeerd, leerde ons: ‘Religie moet je respecteren, maar niet vertrouwen.’ Hij zei niet: zorg ervoor dat je met religie niks te maken hebt. In Iran leer je je subtiel uit te drukken, dat heeft te maken met het gebrek aan vrijheid.

‘Ik ben altijd een idealist geweest. Van jongs af aan verzette ik me tegen onrecht, ik verdedigde bijvoorbeeld onze werkster tegenover mijn moeder. Ik weet niet goed waar dat rechtvaardigheidsgevoel vandaan kwam. Altijd heb ik me afgevraagd: wat kan ik voor anderen betekenen? Ik wilde het groots aanpakken, pas later ben ik meer waarde aan kleine dingen gaan hechten – iets doen voor een enkel mens, liefde voor je naasten, een wandeling met mijn man.’

Door uw idealisme kwam u jong in de gevangenis en werd u met de dood geconfronteerd.

‘Je moet je voorstellen: jonge mensen zitten bij elkaar in een ruimte en dan wordt er ’s avonds met enige regelmaat iemand uitgepikt. Die wordt geblinddoekt en weggeleid, de duisternis in en daarna doodgeschoten. Een enkele keer kwam iemand toch terug. Het was volledige willekeur. Er waren meisjes van 13 jaar die alleen ‘Dood aan Khomeini’ op een wc-muur hadden geschreven. Een meisje in mijn cel werd een maatje, we kletsten, wisselden onze dromen uit. Ze vertelde dat ze in een witte jurk wilde trouwen. Twee dagen later bestond ze niet meer.

‘Ze had niet meer gedaan dan ik. Ik bereidde me erop voor dat ook ik naar voren zou worden geroepen. Ik heb toen vriendschap met de dood gesloten. Ik dacht: als het me overkomt, dan is dit lijden voorbij, dan bevrijdt de dood me van de last van het leven. Dat klinkt zwaar, maar zo was het wel. De mensen uit de concentratiekampen die er later niet over konden praten, begrijp ik goed. Je zit met een schuldgevoel: waarom mag ik door en al die anderen niet? Het liefst had ik met mijn lotgenoten willen terugblikken: het was een moeilijke tijd, maar we hebben het gered. Maar de meesten waren er niet meer. De kans dat iemand terugkwam uit de gevangenis was vrijwel nihil. Massa’s mensen mochten niet verder leven, maar ik wel. Waarom, hoezo? Dat is zo zwaar.’

En dat op uw 17de.

‘Ja. Ik ben beschadigd uit de gevangenis gekomen, mijn innerlijk leven was ik kwijt. Ik ging op zoek naar de vraag: wat is leven? Hoe kan ik verder? Onze oudste zoon kreeg de naam Pouya, pelgrim, iemand die naar waarheid en zingeving zoekt. Ik heb hem genoemd naar mijn innerlijke zoektocht. Ik heb lang last gehad van nachtmerries. Mijn vrienden komen daarin voor. Ik probeer me ze te herinneren, maar hun gezichten zijn inmiddels vervaagd. Het drukte lang op mijn leven.’

BOEKTIP: De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, Milan Kundera

‘Een filosofische roman, geplaatst tegen het decor van de Russische bezetting van Tsjechoslowakije in 1968, maar nog altijd interessant. De personages filosoferen over toeval en lotsbestemming en uiteraard over de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Milan Kundera laat zien hoe de mens tot zijn keuzen in het leven komt, hoe die worden ingegeven door het verlangen zin aan ervaringen te geven’.

Drukte of drukt?

‘De pijn is met mij volwassener geworden. Dus die overheerst niet meer, ik leef niet langer in een soort somberheid. Maar het verleden is er nog altijd. En dan niet het feit dat ik in de gevangenis heb gezeten of mijn vlucht naar Nederland met mijn zoontjes met hulp van een mensensmokkelaar, nee, dit punt: dat ik het heb overleefd en al die anderen niet. Dat blijft drukken.’

Om te overleven moest u hardheid opbrengen, zei u in uw dankwoord voor de Comeniusprijs vorig jaar. Wat bedoelt u daar precies mee?

‘Ik ben dat allereerst voor mezelf geweest. En wie hard is voor zichzelf, is dat ook voor zijn omgeving. In mijn woordenboek komt ‘nee, dat kan niet’ niet voor. Dat is voor mijn collega’s wel eens lastig, daar ben ik eerlijk over. Hardheid is niet alleen negatief. Het is ook: niet opgeven, ijzeren discipline. Met kinderen, een studie en een stage moest ik me ook nog de taal eigen maken – een dag met 24 uur is dan te kort.

‘De hardheid betrof ook het niet willen praten over wat er was gebeurd. Ik had mijn hart gesloten, omdat ik de emoties niet wilde toelaten. Af en toe moest ik in mijn bed duiken en dan rolden geluidloos tranen uit mijn ogen. Lang heb ik dat verdriet niet met Rasoul kunnen delen. Op een gegeven moment merkte ik dat hij depressief werd, wat niets voor hem is. Ik besprak dat met de supervisor van mijn studie maatschappelijk werk. Soms kan één vraag je een fundamenteel ander inzicht geven. ‘Wat betekent het voor jou dat je man niet goed bereikbaar is?’, vroeg mijn supervisor. 

‘Toen begreep ik: potverdorie, ik doe hetzelfde, ik houd me ook onbereikbaar voor hem, maar niet een paar weken, hij had al jaren geen toegang tot zijn geliefde. Dat inzicht was lastig, want ik vond dat ik ernaar moest handelen, dus mijn pijn met hem moest delen. Daarbij speelde ook dat ik wilde dat mijn kinderen in vrijheid zouden opgroeien. Ik vreesde dat ik mijn ballast aan ze zou doorgeven. Dat wilde ik niet, ze zouden zich dan niet vrij voelen. Ook dat zette me aan geleidelijk met mijn partner over het verleden te gaan praten.

‘Daarmee kwam er meer ruimte voor zachtheid in mijn leven. Mijn overlevingsstrategie om met extreme ervaringen om te gaan, was vooral hard werken geweest en maar met mate over emoties praten. Dat werkte lang goed. Ik kon niet bij de pakken neer gaan zitten, wilde ook geen slachtofferrol. Ik zocht juist naar mijn veerkracht, naar manieren om verder te komen. Daarbij drukte ik wel noodgedwongen iets weg, totdat er ruimte voor meer openheid ontstond. Uit de literatuur weet ik dat dat moment bij de een nooit komt, bij de ander wel. Zelf ben ik gelukkig in staat geweest naast hardheid ook zachtheid te gaan waarderen. Daardoor kon ik wegkomen van het overleven. Want zo lang je dat alleen maar doet, heb je de kunst van het leven nog niet ontdekt’.

Wat bent u over die kunst te weten gekomen?

‘Dat je in je leven hardheid én zachtheid nodig hebt. Ieder mens heeft beide kanten in zich. Als iemand beweert erg empathisch te zijn, denk ik: er zijn vast momenten waarop je dat niet bent. In de hardheid zit kracht en geen mens kan het zonder stellen. Want de wereld kan guur zijn, het leven is bewerkelijk. Dat heb ik mijn kinderen ook geleerd: dat je je altijd moet inspannen, niks komt je aanwaaien. Ik was veeleisend in de opvoeding: geen gezeur en gezeik, maar prestaties leveren. Ze zijn allebei tophockeyers geweest.

‘Maar je moet je ook leren openstellen voor zachtheid. Die kun je vinden in schoonheid, eerlijkheid, het geduld om niet te snel te oordelen. Van mijn man heb ik op dat vlak zoveel geleerd. Een mens is een mens voor hem, hij oordeelt niet. Dat probeer ik ook. Voor menselijk leed bestaat geen weegschaal: ieder mens heeft iets te verduren gehad, ieder op zijn manier. Wanneer iemand een kat verliest, kan dat voor die persoon zwaar wegen. Als ik dan zeg: ik heb veel vrienden verloren, dan neem ik het verdriet van die ander niet serieus. Mij openstellen voor anderen lukt me beter doordat de zachtheid in mij is gegroeid. Dat heb ik aan Rasoul te danken. Hij is de liefde van mijn leven geworden.’

Na zijn serie over de zin van het leven gaat Fokke Obbema dit jaar in een nieuwe reeks op zoek naar het antwoord op de vraag: wat is voor u een zinvol leven? Op deze overzichtspagina leest u alle voorgaande gesprekken in deze serie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden