Sterven kun je maar één keer doenMarc Molenaar

‘Wens je me nou gelukkig nieuwjaar? Je bent gewoon aan het doodgaan’

Beeld Krista van der Niet

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheidnemen kan op veel manieren: hóé je het doet, maakt nogal wat uit. In deze nieuwe serie spreekt Barbara van Beukering nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

Marc Molenaar (group controller) overleed vorig jaar op 55-jarige leeftijd aan de gevolgen van bijniermergkanker. Hij was zeventien jaar samen met Francesca Hand (49, directeur basisschool). Ze hebben drie dochters, twee van Marc, Pam (25) en Milou (19), en één van Francesca, Mayra (24).

Francesca:

‘Marc was 53 en supergezond; dronk matig, rookte niet, sportte als een gek. Een normaal mens fietst één keer de Mont Ventoux op, hij deed het drie keer, op één dag. Het viel me al een tijdje op dat hij moe was. Met Oud en Nieuw ging hij ’s middags op bed liggen. Dat had hij in zijn hele leven nog nooit gedaan. Dat klopte niet. Hij ging naar de huisarts en zij zei: ‘Wat grappig, ik heb u nog nooit gezien.’ Ze dacht dat het suikerziekte was. Hij kreeg medicijnen, maar hij ging zich niet beter voelen.

Toen ik in januari met vriendinnen in Londen was, nam hij deel aan een run op het strand. Hij belde mij op en zei dat hij hem niet had kunnen uitlopen. Dat was niks voor Marc. Tien kilometer liep hij met twee vingers in zijn neus. De huisarts heeft toen een foto laten maken. Daarna belde de arts van het OLVG of we wilden komen. We zagen meteen aan haar gezicht dat ze slecht nieuws had: ‘We zien een gezwel bij de nier en dat lijkt op bijniermergkanker. Het is geen goeie kanker, dat kan ik u nu al vertellen.’ Dat moment vergeet ik nooit, hoe we daar met z’n tweeën zaten, zo jong, midden in ons gelukkige leven. De vloer zakte onder ons vandaan. Ik dacht toen meteen: hij gaat dood. Onderweg naar huis was Marc heel rustig en stil. Pas toen hij het thuis aan zijn dochters vertelde, barstte hij in huilen uit. Het is een van de weinige keren dat hij heeft gehuild. Daarna kwam hij in een vechtmodus. Zoals hij het altijd met sport heeft gedaan, deed hij het ook met zijn ziekte. Hij wilde deze wedstrijd winnen.

In april werd hij geopereerd, de tumor op zijn nier werd verwijderd. Er werden toen ook 30 lymfeklieren weggehaald, waarvan 28 besmet bleken te zijn. Marc stuurde appjes rond met de tekst: ‘De operatie is gelukt, de tumor is eruit. Er zijn veel lymfeklieren verwijderd, helaas 28 van de 30 besmet. Maar we gaan door!’ Na de operatie kwamen ze erachter dat zijn skelet ook was aangetast. Op de scans waren uitzaaiingen te zien in zijn lever, in zijn botten en in zijn nekwervel. Ze hebben hem weer geopereerd om zijn nek vast te zetten, anders zou hij een dwarslaesie krijgen. Verschrikkelijke operatie, hij had énorm veel pijn. Het ging heel hard achteruit. Hij is nog twee keer opgenomen geweest. Nog een bestraling. Nog een chemo. De chemo werkte niet. Als laatste redmiddel werd hem lutetiumtherapie in Rotterdam voorgesteld, een radioactief middel. Dat sloeg opeens aan als een tierelier. De artsen stonden versteld. Hij was een half jaar doodziek geweest en nu kwam hij opeens weer aan, zag er weer goed uit, het was een mindfuck.

Marc Molenaar

We kregen plotseling weer een normaal leventje. Hij ging ook meteen weer vijf dagen werken. Ik was boos want ik wist dat elke dag onze laatste dag samen kon zijn. Ik trok het me ook persoonlijk aan, want ik dacht dat hij liever werkte dan zijn tijd door te brengen met mij. Ik vroeg hem waarom hij niet vier dagen ging werken, dan konden we genieten van lange weekenden. Zijn antwoord: ‘Als ik een dag minder ga werken, geef ik toe dat ik ziek ben.’ We hebben nog een heel fijne tijd gehad, maar het was dubbel. Er stond altijd een olifant in de kamer, want we wisten natuurlijk dat hij ontzettend ziek was. We probeerden zoveel mogelijk te genieten door reisjes te maken. We waren op een gegeven moment in Spanje toen hij zei dat hij zich niet goed voelde. Het was oktober, anderhalf jaar na de diagnose. Zijn bloeddruk was omhoog gegaan, dus toen we terugkwamen zijn we meteen naar het ziekenhuis in Rotterdam gegaan. Ze zeiden: ‘Sorry, u bent hier uitbehandeld.’ Dat was de genadeklap.

Tijdens Oud en Nieuw ging het heel slecht met hem, hij was echt in zijn laatste fase beland. We gingen om 12 uur naar het dak om naar het vuurwerk te kijken en ik realiseerde me dat ik hier volgend jaar met Oud en Nieuw alleen zou staan. Toen het 12 uur was, gaf-ie me een kus en zei: ‘Gelukkig nieuwjaar.’ Ik dacht: ‘Wens je me nou echt gelukkig nieuwjaar? Gelukkig nieuwjaar, rot op, je bent gewoon dood aan het gaan.’ Ik stond aan de grond genageld, zei niks. Hij liep door om de andere mensen gelukkig nieuwjaar te wensen. Aan het begin van zijn ziekte waren we heel close. Ik zei ook tegen iedereen dat we het heel goed deden samen. Maar dat werd op een gegeven moment steeds moeilijker. Ik weet nog precies waar we zaten, toen ik een keer wanhopig zei: ‘Het is heel erg voor jou, maar het is ook heel erg voor mij! Want ik blijf hier straks alleen achter!’ Hij keek me aan en zei: ‘Sorry? Ik ga dood, hè?’. Dat was natuurlijk ook zo en dat kon ik niet met hem delen. Het werd enorm eenzaam, voor hem én voor mij.

De laatste dagen was hij alleen maar op de computer bezig met zijn nalatenschap. Doodziek zat hij aan tafel, met de infuuspaal ernaast, om alles uit te rekenen. De erfenis, voor mij, voor de kinderen, staatjes maken, bankrekeningen overhevelen. Hij had toch weer iets om zich aan vast te grijpen. De kinderen en ik schuifelden er maar wat omheen.

Op 30 januari was ik jarig en we hadden een superleuke avond. Hij kon niet meer eten en was heel erg verzwakt, maar het was toch oergezellig. We hebben een heel leuk gezin; kletsen, lachen, eten, drinken, dat kunnen we goed, ook onder die omstandigheden.

Die nacht hoorde ik Marc plotseling heel gekke geluiden maken. Ik deed het licht aan, keek naast me. Wat heb jij nou?, dacht ik. Hij was niet meer aanspreekbaar. Hij bewoog spastisch met z’n armen en z’n benen. Ik was heel rustig en zei alleen maar: ‘Lieverd, het komt goed, rustig maar.’ Toen de huisarts kwam, zag ze meteen dat het helemaal mis was. Hij had een hersenbloeding gehad. Ze zei: ‘Zullen we dan maar...’ Ik had onze dochters inmiddels opgetrommeld en wij zeiden allemaal: ‘Ja, doe het alsjeblieft.’ Toen ze hem in slaap had gebracht middels palliatieve sedatie, werd hij heel rustig. ’s Middags om 4 uur is hij overleden.

Gedurende de twee jaar dat hij ziek was heb ik hem nooit kunnen betrappen op zeuren of klagen, daar heb ik diepe bewondering voor. Het was een ongelofelijk lieve man. Hij probeerde ook wel te praten, maar dan zette hij zijn medisch dossier uitgebreid uiteen. Dat was voor hem praten. Ik had graag bewuster samen naar het einde toegewerkt. Maar hij is het hele ziekteproces in het stadium van ontkenning blijven steken. Dat was zijn manier.

Laatst was ik in Parijs, met mijn moeder, zus en dochter en toen begon ik opeens keihard te huilen. Ik besefte dat ik voor het eerst rouwde om het gezonde deel van Marc. Ik heb het eerste jaar alleen maar verdriet gevoeld over de tijd dat hij ziek was. Pas nu kan ik rouwen om wat we samen waren.’

Van Barbara van Beukering verscheen onlangs het boek ‘Je kunt het maar één keer doen’. Voor de reeks in dit magazine wil ze graag met nabestaanden spreken over afscheid ­nemen. U kunt haar mailen: barbara@vanbeukering.com

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden