ColumnEva Hoeke

Weer een kist, weer bloemen, weer iemand die een pan soep brengt

Beeld Aisha Zeijpveld

Weer moest Eva Hoeke afscheid nemen van een dierbare. Dit keer was het opa Ben.

Opa Ben (66) was gecremeerd, Steely Dan had geklonken, de bloemen waren verdord en wat overbleef waren wij, de moeder (68) en haar dochter (41), somber en moe, somber en moe. ‘Doe je voorzichtig?’, had ze gezegd terwijl ik plankgas naar het ziekenhuis was gereden. ‘Er is nu toch geen haast meer.’

Daarna was de week gegaan zoals die weken altijd gaan.

Weer een kist, weer bloemen, weer iemand die een pan soep brengt.

Weer denken aan toen, praten over vroeger.

Weer dat gelul over hoe mooi iemand erbij ligt. Weet je wat mooi is, dacht ik terwijl ik naast de kist zat en twijfelde of ik zijn handen zou aanraken, weet je wat mooi is, opa Ben die een toren bouwt met mijn kinderen, opa Ben die in zijn stoel Houellebecq zit te lezen, voor mijn part opa Ben die zit te miesemausen of het wel of niet gaat regenen. Alles beter dan dit, de aanblik van steeds zwarter wordende nagels en een vrouw die wezenloos op een boterham zit te kauwen omdat ze voor de tweede keer weduwe is geworden.

Weer die lange, lange weg naar de dag van de uitvaart. Muziek uitzoeken, speech schrijven, bezoek ontvangen in coronashifts. Als ik mezelf het verhaal over de reanimatie niet hoorde vertellen dan hoorde ik het mijn moeder wel doen, weer die snurk, weer die aardige vrouw van 112 die ons erdoorheen hielp, weer dat onvermijdelijke eind, ik kon het niet meer horen en er geen genoeg van krijgen tegelijkertijd. Bij het kaarten schrijven zag ik het verschil niet tussen mijn handschrift en dat van mijn moeder.

Een man bezorgde bloemen, met een empathische snuit reikte hij ze uit. Tijdens het schuin afsnijden van de stelen dacht ik voor de duizendste keer aan die woensdagmiddag – hoelang had het geduurd, hoelang voordat de ambulance kwam, hoelang kan een hart zonder kloppen? Toen ik klaar was met de stelen had ik een kortere vaas nodig.

Vreemde dingen. Een knipperende lamp, gekraak op de overloop. Poes Olga die ineens bij me kwam liggen, doet ze nooit. ‘Jawel, dat deed ze vorig jaar ook, weet je nog?’, zei de Man. Ik keek hem aan. ‘Na het overlijden van Carlijn.’

Meelij in de winkel, meelij op het schoolplein, de bonus van wonen in een dorp. Van de juf hoorden we dat de Dochter (5) tien minuten lang het woord had genomen in de kring, zeer ongebruikelijk. Juf, niet zonder humor: ‘Ze heeft het nu wel verwerkt, denk ik.’

Toen, eindelijk, de uitvaart.

Vijftig man, geen koffie, geen omhelzingen. Wat wel: mijn moeder achter een katheder en de Man die de zaal aan het lachen kreeg door te vertellen over de keer dat hij en Ben naar de bouwmarkt gingen, een verhaal als een ventiel. Maar de foto’s van Bens leven, als baby, als hippie, als man, als mens, wierpen me terug op mezelf, op de zinloosheid van het bestaan. Al die omwentelingen, al die moeite, allemaal weg. Daarna, ja hoor: Bachs Wir setzen uns mit Tränen nieder. Wéér.

’s Avonds, in mijn eentje op de bank, dacht ik aan mijn laatste moment met Ben, in die ochtend bij de kist. Ik had hem toch aangeraakt, heel even, iets wat ik bij mijn eigen vader twintig jaar geleden niet had gedurfd. Ik kende het jaar dat voor ons lag, het zou gaan zoals alle eerdere keren, we zouden nog tien keer stilstaan en honderd keer huilen en alle eerste keren zonder opa Ben zouden we markeren, en ik wist ook dat het allengs beter zou gaan, lichter zou worden, omdat je huilt om wat in wezen liefde was, daar mocht ik op vertrouwen, ook deze keer.

Maar nu nog even niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden