InterviewNadja Hüpscher

‘Weer een halfslachtige BN’er met een kankerverhaal? Natuurlijk gaan mensen daarvan over hun nek’

Beeld Pablo Delfos

Als de man van actrice Nadja Hüpscher (48) een knobbel bij zijn sleutelbeen voelt, verandert het leven van hun jonge gezin totaal. Ze schreef er een boek over, Geluk is met een K.

Het is een paar minuten voor schooltijd, begin december 2018. Rein, het 7-jarige zoontje van actrice Nadja Hüpscher en haar man Sander Roeleveld (47), poetst zijn tanden met een elektrische Spiderman-tandenborstel. Benjamin, hun 6-jarige, wurmt zich met moeite in een skinny broek.

Sander vraagt Hüpscher te voelen aan een bult ter grootte van een dadel, net boven zijn linker sleutelbeen. Het is een hard ding, dat in een paar weken van een bultje is uitgegroeid tot een bult, schrijft Nadja Hüpscher in haar boek Geluk is met een K, dat zaterdag verschijnt.

Niet veel later zal ze haar zoontjes met elkaar horen praten over het nieuwe woord dat hun leven is binnengedenderd.

Benjamin: ‘Als een slak een ankercel heeft, heeft z’n huis ook anker.’

Rein: ‘Geen anker, Benjamin, kanker. Met een k. Een anker houdt een boot op één plek in het water.’

Benjamin: ‘Kanker ook, je kan nergens heen.’

Op 4 december 2018, een paar dagen later, krijgen ze de uitslag, na een biopt van de knobbel en een CT-scan van Sanders hele lichaam. ‘Kom maar even langs, was de boodschap’, vertelt Hüpscher via Skype vanuit haar huis in Amsterdam-West. ‘Dan weet je dat de uitslag niet goed is. Dezelfde dag nog zaten we samen bij de arts. ‘Je hebt kanker’, zegt die dan tegen je partner. Honderdduizenden mensen hebben dat al gehoord, maar toen ik het zelf hoorde, kon ik me opeens niet goed meer concentreren op het gesprek. Ik pakte meteen een pen, om op te schrijven wat er gebeurde.’

Sinds een jaar of drie legt Hüpscher zich steeds meer toe op het schrijven. Haar acteercarrière kende een vliegende start. Op haar 23ste wordt ze afgewezen op de toneelschool, waarna ze Culturele Bedrijfsvoering gaat studeren en op zaterdag bij het Amsterdamse café Thijssen achter de bar werkt, maar al gauw wordt ze daar door regisseur Eddy Terstall achter vandaan geplukt om de hoofdrol te spelen in zijn film Hufters & hofdames. Ook in zijn film De boekverfilming krijgt ze de hoofdrol, waarmee ze een Gouden Kalf wint. Ze speelt in de veelgeprezen film Simon, krijgt een Gouden Kalf-nominatie voor haar rol in Dennis P., wordt uitgeroepen tot ‘shooting star’ op het filmfestival in Berlijn, en het ene project volgde het andere op. Tot haar carrière als actrice een jaar of vijf geleden in het slop raakt. Ze besluit kantoorruimte te huren om daar te gaan schrijven. Voor Het Parool tikt ze een jaar lang wekelijks gesprekken op die ze op straat opvangt. Drie jaar geleden besluit ze daarnaast de opleiding Script Academy te gaan doen, waarna ze ook scenario’s en toneelstukken gaat schrijven, zoals het goed ontvangen Ouwe Pinda’s, een theaterprogramma over haar Indische roots waaraan ze meeschreef. 

En nu is er dus het boek Geluk is met een K, dat begint op de dag dat haar man te horen krijgt dat hij teelbalkanker heeft, die is uitgezaaid naar zijn lymfen. ‘Toen ik dat te horen kreeg, raakte mijn lijf in een paniekstand’, vertelt Hüpscher. ‘Ik heb toen het schriftje gepakt dat altijd in mijn tas zit. Mijn gedachten vlogen alle kanten op. Ik dacht: ik kan deze situatie nu niet overzien, dus als ik het opschrijf, kan ik het later teruglezen.’

Beeld Pablo Delfos

Je dacht in dat gesprek zelfs na over de vraag hoe jullie als stel overkwamen, schrijf je.

‘Ja, ik vroeg me af hoe de arts ons zag. Aantrekkelijk? Slim? Doorsnee? Kon ze zien of we een goede relatie hebben? Het enige concrete wat ik tijdens dat gesprek volgens mij gezegd heb, is: ‘Waar zitten je lymfen?’, waarna ze me een plaatje liet zien van een torso waarbij de lymfen groen waren gemaakt. En dan zie je dat ze door je hele romp zitten.

‘Zit het al in mijn hoofd?’, vroeg Sander meteen. ‘Dat weten we niet’, zei ze, ‘dat moeten we nog onderzoeken. Maar het kan snel gaan.’ Uit later onderzoek bleek dat niet het geval. In zijn longen zaten wel een paar kwaadaardige cellen. Hij zat al in stadium 4, de hoogste fase.’

Hoe vertel je zulk slecht nieuws aan je kinderen?

‘Dat kon ik niet meteen. Ik durfde het woord nog niet eens uit te spreken. ’s Avonds vertelde ik ze: ‘Papa is ziek, maar je ziet het niet aan hem, hij krijgt gif toegediend, in een ziekenhuis. Daar moet hij ook slapen, vanavond al.’ ‘Maar we zouden toch chips krijgen!’, was hun reactie. Toen we de volgende dag naar het zwembad fietsten, was de eerste vraag: ‘Gaat papa dood?’ Dat vond ik wel opmerkelijk. Ik had eigenlijk nog niets verteld, het woord kanker was nog niet eens gevallen. ‘Nee, hij gaat niet dood’, zei ik. ‘Weet je het zeker?’, vroeg Rein. ‘Ja’, zei ik.’

Wist je het ook zeker?

‘Nee, ik wist het niet zeker, ik was er zelfs heel bang voor. Maar ik voelde ook direct een verzet tegen verdriet. Dat kunnen we er niet bij hebben, dacht ik. Ik wilde die avond gewoon aan de jongens voorlezen en dat heb ik ook gedaan. Sander moest de volgende dag naar het OLVG om geopereerd te worden. De artsen hadden er één bal af gesneden en de jongens waren daar nog vrij luchtig over. ‘Waar is je bal gebleven, mag ik je bal zien?’, vroeg Benjamin vrolijk. Daarna moest Sander telkens een week lang 24 uur per dag aan het infuus in het Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis. Toen we hem daarheen brachten, werden de jongens onhandelbaar. Ze schopten tegen de witte muren aan, vonden de kamer waar hij in moest blijven belachelijk. Ze waren boos, heel vervelend en echt niet te harden. Sander kon dat niet aan, dus zijn we maar weer snel weggegaan. Eenmaal thuis wilden ze ook niets. Ze wilden het huis niet in, hun tanden niet poetsen, niet naar bed, ze waren woedend. Toen ben ik heel boos geworden. Ik geloof dat ik ze een voor een in bed heb gegooid. Ik wilde ze per se weer gaan voorlezen, omdat alles gewoon moest doorgaan zoals het was, maar ik kwam niet boven de herrie uit. Zij bleven maar gillen tegen elkaar en ik had nauwelijks nog een stem.

‘Luister,’ zei ik toen, ‘papa is ziek en hij kan nog zieker worden.’ Toen werden ze ineens heel ernstig en wilden ze alles precies weten. ‘Mam, effe serieus, je moet echt even goed vertellen wat er nu aan de hand is’, zei mijn oudste, Rein. Dus ik begon een verhaal over kwaadaardige cellen, en dat zijn gezonde cellen waren aangetast door de kankercellen. ‘Waar zitten die cellen dan?’, vroeg Rein. ‘Die zitten overal’, zei ik. Daarop begon hij heel hard te huilen. Mijn hart brak, maar ik dacht: ik moet nu niet ook gaan huilen, want als ik zink, zinkt ons hele schip. Ik heb toen een trucje toegepast dat ik de hele periode heb gebruikt: als je voelt dat je gaat huilen, snel naar het plafond kijken zodat de tranen direct in je neus vallen, en dan zijn ze weg.

‘Wat volgde was een periode waarin we heel erg heen en weer werden geslingerd tussen hoop en paniek. Sander kreeg gedurende een half jaar een heftige chemokuur en werd zieker en zieker. Het ene moment volgde er een goede uitslag, een uur later weer een slechte. We deden toen Sander nog gezond was elke dag galgje, en dat bleef ik tijdens zijn ziekte doen met de jongens. Ineens tekenden ze hun vader met een piemel en één bal aan de galg. Als ze doktertje speelden hoorde ik: ‘Het is kanker, neem maar een slokje chemo.’

Beeld Pablo Delfos

Toen de kuren achter de rug waren en de kanker weg bleek, renden ze juichend door het huis: de kanker is weg!

‘Ja. We hadden het overleefd! We waren heel erg blij. We gingen taart eten en feestvieren. Langzaam maar zeker ging alles weer door. Sander werkte als cameraman voor informatieve programma’s bij de publieke omroep, zoals Haagse Lobby en De zaak van je leven, en dat pakte hij weer op.’

Twee maanden later was de kanker weer terug.

‘Vijf weken later voelde hij weer een knobbel, terwijl hij net een half jaar lang liters chemo had gekregen. Ik weet nog dat ik op de grond moest gaan zitten. Ik dacht: nee, dit kan niet. We wilden eigenlijk wachten met het de kinderen te vertellen, omdat we nog niet wisten hoe het nu verder ging. Was er nog een behandeling mogelijk? Of ging hij nu dood? Maar we waren nog niet thuis of Rein zei meteen heel dwingend: ‘Wat is er?’

‘De kanker is terug’, zei Sander toen toch maar.

Rein begon heel hard te huilen, als een aapje klampte hij zich aan zijn vader vast.

‘De volgende dag hoorden we dat Sander kon kiezen: of nog een keer dezelfde kuur of meedoen aan de tiger trial, dat is een veel zwaardere kuur die nog in de onderzoeksfase zit, maar in Amerika al vaker wordt toegepast. De therapie zou gepaard gaan met enorm veel bijwerkingen. Sander zei direct: ik wil die zware, en als het dan niet lukt, dan moet het zo zijn.’

Wat voor bijwerkingen kreeg hij?

‘Hij kreeg enorme pijn in zijn rug. Kreunend en piepend liep hij door het huis, hij kon niet zitten of liggen. Af en toe schreeuwde hij als een brulaap. Voor de kinderen was het heel naar om hun vader zo te zien. Waarom kan papa niet praten? Komt dit wel weer goed? Mam, papa is flauwgevallen, hij ligt in de wc op de grond.’

Benjamin zei op een gegeven moment: ‘Jammer dat papa de kanker krijgt. Want hij speelt altijd spelletjes met ons en jij bent meer dat je opruimt en werkt en zo.’

‘Ja. ‘Het is jammer dat jij geen kanker hebt mam, dat het niet andersom is.’ Dat vond hij toen echt. Kijk, later gaat hij hopelijk ontdekken dat wat ik doe ook heel zinvol is, dus ik voel me totaal niet aangevallen, maar ik kreeg nogal wat naar mijn hoofd.’

De verpleegster vraagt op een gegeven moment aan Sander wat nou het ergste is, waarna hij voor het eerst huilt en zegt dat de eenzaamheid het zwaarst is. Het lijkt me ingewikkeld, dat je zoveel geeft, maar de leegte bij de ander toch niet kan vullen.

‘Ja, ik kan brengen, halen, boodschappen doen, vragen hoe het gaat, maar hij moet het uiteindelijk alleen doen. Die eenzaamheid vind ik het allerverdrietigste van de hele kanker. Op een gegeven moment moest Sander 25 minuten in een scan om te kijken of de kanker ook in zijn hersens zat. Hij vertelde dat hij toen voor het eerst heeft gedacht dat hij ook dood kon gaan – ik had dat al 100.000 keer bedacht. Dat is volgens mij een heel eenzaam moment.’

Die 100.000 keren dat jij er wel aan had gedacht, zei je het niet tegen hem?

‘Niet tegen hem, nee. Eigenlijk deelde ik met bijna niemand mijn angsten, omdat dat voelde als het tarten van het noodlot.’

Je vriendin Rifka Lodeizen zei dat ze de hele periode heel intensief bij je betrokken was, maar dat ze de zwaarte en de wanhoop toch niet zo heeft meegekregen. Dat kwam pas toen ze je boek las.

‘Ja, dat zei mijn moeder ook. Er moeten een paar mensen aan boord blijven die ervan overtuigd zijn dat het goedkomt. Die gewoon doorzeilen, ondanks al die gevaarlijke rotsen. Ik denk dat het een overlevingsmechanisme is. Maar dat verzetten tegen je verdriet helpt je niet. Ook je kinderen niet.

‘Benjamin zat in de tijd dat Sander ziek werd op zwemles. Hij was heel bang voor het water, hij wilde helemaal niet zwemmen. Hij werd in het diepe gegooid en zonk, en ondertussen wachtte ik op de uitslag of mijn man kanker in zijn hersens had. Ik was zo bang dat die zwemleraar even niet zou opletten en dat mijn kind dan zou verdrinken. Een half jaar lang heb ik een heel ingewikkelde relatie gehad met die leraar, en ook met mijn kind, die ik elke keer weer moest lostrekken van het bankje in de kleedkamer. Tot ik na weken tussen neus en lippen aan die leraar vertelde dat we nog even naar het ziekenhuis moesten omdat mijn man chemo kreeg. Toen zei hij: ‘Waarom zei je dat niet eerder? Natuurlijk kan je kind nu niet leren zwemmen. Die verkeert al in doodsangst, die kan dit er niet bij hebben.’ Dat was een heel belangrijk leermoment voor mij. Ik moest veel eerlijker zijn. 

Beeld Pablo Delfos

‘Ik werd daar ook op gewezen door een vriendin, die vertelde dat Benjamin een peer naar de mevrouw van de groentewinkel had gegooid. Ik schaamde me voor zijn gedrag, maar mijn vriendin zei: ‘Hij is gewoon verdrietig, je moet eerlijk tegen hem zijn.’ In de auto ben ik er toen over begonnen. Lieve Benjamin, zei ik, ik wil je nog even wat vertellen over papa. En toen heb ik alles met hem gedeeld: de hoogtes van de bloedwaarden, de stof die ze in hem gingen spuiten, hoe ziek hij daarvan zou kunnen worden, de kans op infectie. Gewoon alles in medische taal. Hij hoorde het allemaal doodstil aan. En toen barstte hij in huilen uit. Het hield maar niet op. ‘Ik ben zo bang dat papa doodgaat’, snikte hij. ‘Gaat-ie nou dood of niet?’ ‘Ik weet het ook niet, Benjamin’, zei ik, ‘ik ben ook onzeker, ik ben ook bang.’ En dat bleek eigenlijk het enige wat ik moest zeggen, want toen werd hij weer rustig.’

Hoe ging het verder met Sander na die zware behandeling?

‘Het lijkt alsof iemand aan het doodgaan is, maar het is de chemo. Sander veranderde van een gezond blakend persoon met haar in een magere, oude man zonder haar, hij leek wel 70. Maar daarna was de kanker weg. Het moment dat je dat hoort, dat is zo’n overweldigend gevoel. Alsof je te horen krijgt: jullie mogen bij elkaar blijven, jullie krijgen nog een leven.’

Blijft de angst dat het terugkomt?

‘In het begin leef je nog heel erg naar de bloedtest toe. Elke maand ben je heel bang of de uitslag wel goed is. Maar we zijn nu zes maanden verder, en sinds drie maanden vertelt Sander me terloops dat de bloedwaarden weer goed waren. Ik ben er ook niet de hele tijd mee bezig, je wordt toch door van alles afgeleid.

‘Ik moest op een gegeven moment een commercial inspreken, terwijl we aan het wachten waren op de uitslag van Sanders hersenscan. Mijn tekst was: ‘Als ik de Euro Jackpot win? Dan ga ik eindelijk die reis maken naar New York en shoppen op Fifth Avenue’, waarna er een muzikaal effectje klonk: kac-cheng! De mensen met wie ik werkte kenden mijn situatie niet. Dat kan enthousiaster, zeiden ze steeds. Op een gegeven moment stond ik daar gewoon te schreeuwen. Terwijl ik deed alsof ik de Lotto won, lichtte mijn telefoon om de zoveel seconden op met berichtjes als: ‘Is er al een uitslag?’ Maar dat was júíst fijn. Het leven is absurd, gelukkig. Stel je voor dat ik de hele tijd moest zwelgen in de ellende. Hoe meer afleiding, hoe simpeler, hoe beter. Daarom snap ik ook heel goed dat mensen gaan scheiden of dat je zoals Kluun wegvlucht in seks met een ander. Sander en ik passen heel goed bij elkaar. Toen we elkaar zeventien jaar geleden ontmoetten op een filmset en elkaar daarna zagen in een danscafé, pakte hij mijn hand en paste die precies in de mijne. Dat weet ik nog exact, want bij eerdere vriendjes paste het vaak niet. Maar toen Sander zo ziek was tijdens die tweede kuur, kon hij er niet meer tegen als ik hem aanraakte. Ik ben een paar keer uit wanhoop opgemaakt naar de Albert Heijn gegaan, omdat ik een flirt nodig had. Ik wilde gewoon even horen: ‘Je bent een lekker wijf.’ Niemand die dat zei natuurlijk.’

Hoe heeft dit ziekteproces jou veranderd?

‘Ik doe geen dingen meer die niet bij mij passen. Daar was ik al achtergekomen, maar dat besef is door deze ziekte versterkt.’

Een paar jaar geleden zei je: ik kan wel eeuwig mijn Gouden Kalf blijven oppoetsen, maar er moet ook gewoon een hypotheek betaald worden. Dus ik pak wat ik kan en ga in Goede tijden, slechte tijden spelen. Niet veel later was je daar weer uit.

‘Dat heb ik even gedacht ja, maar dat moet ik toch niet doen. Dat werkt niet, je moet doen wat bij jou past. Ik speelde de rol van de spijkerharde zakenvrouw Elise Kil, wat ik op zich leuk vond, maar uiteindelijk vond ik het allemaal toch te veel van hetzelfde. Ik ben naar de Script Academy gegaan om me op schrijfgebied te ontwikkelen. Ik wilde zelf het heft in handen nemen, want bij acteren moet je altijd wachten en hopen dat iemand jou wil. Veel vaker heb je pech. Dan ben je niet het type, praat je niet zoals ze het willen, weet ik veel. Bij schrijven ben je meer de baas. Dat voelt veel beter.’

Beeld Pablo Delfos

Je carrière als actrice kende een vliegende start. Waaraan ligt het dat dat succes niet blijvend was?

‘Dat is pech. De kans is heel klein dat je met acteren eeuwig succes hebt. Het gaat op en neer en als je geluk hebt heb je heel lang werk, maar bij de meeste acteurs zakt hun acteercarrière gewoon in en dan moet je weer iets nieuws vinden.’

Bij je goede vriendin Kim van Kooten, ook actrice en scenarioschrijfster, lijkt het wel altijd door te lopen.

‘Ja, maar zij heeft er vanaf het begin altijd bij geschreven. Dus zij heeft ook altijd gezorgd voor haar eigen werk. Ik ben heel lang bezig geweest met onderzoeken wat ik nou precies wilde. Ik heb een cameracursus gedaan, montagelessen gevolgd, een aantal acteeropleidingen gedaan en was een tijdje regieassistent. Ik heb ook geen ouders die iets in deze richting deden, mijn vader is advocaat en mijn moeder was lerares, en we woonden in Dordrecht. Dat ik überhaupt iets met film ging doen was al zo’n grote stap. Ik kende helemaal niemand in het acteerwereldje. Ik merk nu dat als je samenwerkt met mensen achter de schermen, zoals scenaristen en regisseurs, er mogelijkheden zijn om samen een nieuw project te beginnen. Het loopt veel meer door dan wanneer je alleen acteert en altijd de sluitpost bent van de productie. Eigenlijk heb ik nu pas door hoe het allemaal werkt.’

In 2015 maakte je de Parade-voorstelling Gratis in je hol... ja joh, prima. De titel was een verwijzing naar de gratis dingen die je als BN’er overal en nergens moet doen om maar in the picture te blijven. ‘De show symboliseert de tragiek van een actrice die in filmland al een tijdje niet meer echt meetelt’, schreef de krant erover. Voel je de druk om BN’er te blijven nog steeds?

‘Die druk is totaal weg. In die zin was het wel een beetje een therapeutische voorstelling, ik ben daar nu niet meer mee bezig.’

Je hoeft nu niet meer in the picture te blijven om werk te krijgen?

‘Nee. Om die reden heb ik dit boek ook niet gemaakt. Ik hoop dat mensen het weten te waarderen om hoe het geschreven is. Mensen zouden kunnen denken: weer een halfslachtige BN’er met een kankerverhaal, en dan gaan ze natuurlijk over hun nek. Dat snap ik ook. Ik word ook helemaal gek van al die mensen die hun dagboeken met mooie woorden in een boek proppen. Maar ik ontdekte dat er weinig geschreven wordt over hoe het gaat als kanker een gezin met jonge kinderen treft, daar kon ik zelf geen boek over vinden, toen ik het nodig had.’

Geluk is met een K, zegt je zoon tijdens galgje, en dat is de titel van je boek geworden. Bedoel je daarmee ook dat hoe vreselijk de kanker ook was, het toch ook iets van een dieper geluk heeft opgeleverd?

‘Ja, dat vind ik zo bizar aan het meemaken van deze ziekte. Middenin was het een heel heftige kankerperiode, maar het is juist ook een heel mooie tijd omdat je zo hecht bent met elkaar. Alles gaat anders dan je verwacht, maar er komt evenveel geluk als ellende van grote tegenslagen, is mijn ervaring. Het gaat erom hoe je ermee omgaat. Je kunt steeds kiezen: ga ik me verzetten of beweeg ik mee? Als je dat laatste kunt, is het leven heel mooi. Ik kan het nu soms. Hiervoor was ik vaak gehaast en dacht ik: we moeten door. Nu denk ik: pff, nee man, we leven. Het was heel groot en heel verschrikkelijk, maar als je er goed uitkomt, zoals wij, kun je ook veel geluk zien in zo’n zware kankertijd.’

CV

23 maart 1972Geboren in Nijmegen

1993-1997 Afgestudeerd Culturele Bedrijfsvoering aan de Hogeschool voor de Kunsten in Amsterdam

1996Film Hufters & hofdames van Eddy Terstall

1998 Film Babylon van Eddy Terstall

1999Film De boekverfilming van Eddy Terstall, waarvoor ze een Gouden Kalf voor Beste Actrice ontving

2000Film Rent a friend van Eddy Terstall. Bekroond met de Shooting Stars Award, een prijs voor opkomend, Europees acteertalent op het Filmfestival van Berlijn

2001-2007Theater bij Hummelinck Stuurman, Het Ro, Orkater, Compagnietheater

2004Film Simon van Eddy Terstall

2007Film Dennis P. van Pieter Kuijpers, waarvoor ze een Gouden Kalf-nominatie kreeg

2011-2013Dramaserie Levenslied

2014 Theatervoorstelling Ouwe Pinda’s bij Rudolphi Producties

2015 Gratis in je hol... ja joh prima, een zelfgeschreven voorstelling voor de Parade

2013Bundel In het wild, uitgeverij Atlas Contact

2016 Dramaserie Goede tijden, slechte tijden

2017 Theatervoorstelling Gouwe Pinda’s bij Rudolphi Producties

2018Afgestudeerd aan de Script Academy

Geluk is met een K verschijnt op 6 juni bij uitgeverij Lebowski

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden