Zinvol leven Frans Saris, natuurkundige

‘We zullen het nooit helemaal weten’

Frans Saris. Beeld Jitske Schols

Na zijn serie over de zin van het leven gaat Fokke Obbema dit jaar in een nieuwe reeks op zoek naar het antwoord op de vraag: wat is voor u een zinvol leven? Vandaag aflevering 2.

Een eigenzinnige, om niet te zeggen rebelse kant heeft hem van jongs af aan gekenmerkt. Als ‘vervelend jongetje’ van 12 prikt hij tijdens de godsdienstlessen op het Amsterdamse Ignatiusgymnasium ­‘genadeloos’ door de godsbewijzen van de pater. Wanneer hij als 39-jarige hoogleraar natuurkunde in Utrecht zijn oratie Dagboek van een fysicus uitspreekt, schokt Frans Saris zijn vakgenoten door openlijk te verhalen over ‘jaloezie, vriendjespolitiek en ijdelheid’ in de wetenschappelijke wereld – niet de ‘ware wetenschap’, maar ­‘eigen eer en roem’ staan voorop. Inmiddels is hij 77 jaar, maar bindt hij nog altijd de strijd aan, zoals met ­‘arrogante’ natuurkundigen die te veel pretenderen en niet willen inzien dat een ‘bescheiden bijdrage ­leveren aan een iets betere wereld’ het hoogst haalbare is.

Bescheidenheid kenmerkt hemzelf ook niet, erkent hij volmondig: ‘Op mijn leeftijd moet je je tekortkomingen durven toegeven. Als je mij als bescheiden zou afschilderen, zullen mijn vrienden zeggen: ‘Nou, zo bescheiden is hij niet.’ Haha. Ik ben nog altijd ambitieus. Vorig jaar mocht ik een Paradiso-lezing houden, op mijn 76ste. Nou, ik was apetrots dat het vol zat.’

Ook wordt hij gedreven door zijn hoop op vooruitgang, zo blijkt uit zijn laatste boek Darwins cijferslot – aan pessimisten en nihilisten heeft hij een uitgesproken hekel. Hij houdt van futuristisch klinkende, concrete oplossingen, zoals zijn plan om CO2-uitstoot uit de lucht te zeven, te mengen met water en daar met duurzame energie kerosine van te maken.

Zijn eigenzinnigheid brengt hem eind jaren negentig in zwaar weer. Hij stuit op krachtige weerstand van kernenergie-onderzoekers wanneer hij als directeur van het onderzoeksinstituut ECN in Petten zijn liefde voor alternatieve energiebronnen predikt. Wanneer dat conflict hem na vijf jaar hartkloppingen bezorgt, is dat reden om ontslag te nemen: ‘Ik heb geleerd mijn weg te vinden. Je kunt niet altijd winnen. Af en toe moet je je tanden laten zien, op andere momenten moet je je tong afbijten, het hoort er allemaal bij.’

Zijn vrouw Pien leert hij als student al op zijn 18de kennen. Vanaf 2006, niet lang voor zijn pensionering als decaan van de wis- en natuurkundefaculteit in Leiden, wordt Pien geleidelijk dement en in 2016 overlijdt ze op 75-jarige leeftijd: ‘Mijn eerste reactie was dat ik met haar had willen gaan. Later begreep ik dat ik een nieuw ­leven moest uitvinden.’ Daarvoor hanteert hij een praktische methode: via zijn ‘telefoonklapper’ komt hij in contact met de vrouw van een over­leden collega die zijn nieuwe partner wordt: ‘Ik kan het iedereen aanraden. Kijk om je heen naar mensen die ook alleen zijn – er zit vast iemand tussen met wie je het leven kunt delen. Zo los je voor beiden een probleem op.’

Wat is voor u een zinvol leven?

‘Voor mij draait het erom iets te doen wat de moeite waard is. Lang niet alles is dat. Als jonge onderzoeker deed ik een experiment met het botsen van zware atomen. Als eerste leverde ik het bewijs dat je daardoor röntgenstralen kunt zien. Een opwindende ontdekking, ik heb er allerlei prijzen voor gekregen, maar het is kennis waar je helemaal niets aan hebt. Dat wist ik meteen. Fysici zeggen vaak: ‘Op den duur heb je er altijd wat aan.’ Helemaal niet waar. Die ontdekking was zonder waarde, maar toch zijn er collega’s die hun leven daaraan spenderen. Voor mij is dat onbegrijpelijk, het past niet in mijn lijf.

‘Vormend voor mij is een bezoek aan India geweest. We reden met een busje natuurkundigen dwars door Mumbai, een miljoenenstad vol bedelaars. Bij een rood licht stak een een­armige man een scherp stompje omhoog, maar mijn collega’s discussieerden gewoon door over een nieuw experiment, zonder enig oog voor die man. Voor mij was dat een eyeopener – ik wist toen dat ik alleen fysica wilde bedrijven die maatschappelijk de moeite waard is. Natuurkundig onderzoek kost enorm veel: al die apparaten goed aan de gang krijgen, dat vergt veel van jezelf, maar ook van de maatschappij. Dan moet het wel de moeite waard zijn: niet alleen voor mezelf, mijn gezin en mijn laboratorium, maar vooral ook voor de maatschappij.’

Is dat niet vanzelfsprekend?

‘Helaas niet. Bij veel mensen overheerst het nihilisme, een gevoel van: ‘Het doet er toch allemaal niet toe wat ik doe’, ik kan dus kiezen waar ik zin in heb. In de wetenschap leidt dat tot het bestuderen van zelfgemaakte puzzeltjes, zoals ik veel wis- en natuurkunde beschouw. Daar worden miljarden aan besteed, zoals aan de Theorie van Alles, de snaartheorie en dat soort flauwekul. Dat nihilisme komt voort uit het terzijde schuiven van God. Met name de Britse evolutiebioloog Richard Dawkins heeft dat gedaan in The God Delusion – hij predikt dat het aanhangen van een god verderfelijk is. Daarmee heeft hij mensen iedere zin of doel in het leven willen ontnemen.

‘Ik wapen me tegen dat soort nihilisme door te stellen dat de natuur goddelijk is – het is een mysterie, waar we alleen maar het grootste respect voor kunnen hebben. Net als Spinoza zie ik de natuur als God. Ik geloof dus niet in een alleswetend opperwezen die zich met individuele gelovigen bezighoudt – we hebben een vrije wil en zijn zelf verantwoordelijk. Maar door de natuur als God te beschouwen, druk je het heilige ervan uit. We hebben nu eenmaal niet God’s eye view: we kunnen wel beschrijven wat we zien, maar kunnen onszelf niet op afstand ervan plaatsen, want we zitten zelf midden in die natuur. We kunnen het nooit helemaal weten.

‘Neem een bescheiden positie in, luidt mijn pleidooi. Als fysici dat ­delen, zullen ze minder arrogant zijn. Het is de taak van de mens aan de ontwikkeling van de natuur bij te dragen, dat leid ik af uit de evolutie. Als je doet alsof je daar niets mee te maken hebt, noem ik dat nihilistisch. Dat vind ik maatschappelijk en moreel verderfelijk. Voor mij heeft dat te ­maken met het negeren van die man met dat stompje in India, of nu met het wegkijken van de vluchtelingen.’

Is vrijheid voor de mens niet ­essentieel, dus ook de vrijheid te doen wat maatschappelijk niet ­relevant is?

‘Zeker, ieder is vrij te kiezen, maar vervolgens is toch de vraag: wat kies je en waarom? We zijn onderdeel van een groter geheel – neem alleen al het feit dat er meer bacteriën in ons lijf zitten dan cellen, we leven dus permanent in symbiose met de natuur. Dat moeten we ons blijven realiseren. Wanneer je je onderdeel van de natuur en de samenleving voelt, is het aan je ­talenten en mogelijkheden om in dat licht een bijdrage te leveren. Dat geeft ons leven zin. Gaudi heeft ooit gezegd: to get things right, we need first love and then technology. Een prachtige uitspraak. Als het even kan, bezoek ik zijn Sagrada Familia in Barcelona, omdat die basiliek met zijn bladerdak van zandsteen zo prachtig laat zien dat we deel van het grotere geheel zijn.’

Heeft uw vrouw aan uw kijk op uw vak bijgedragen?

‘Pien was essentieel. Zij daagde me enorm uit om uit te leggen wat ik deed. Ze was een alfa, had Engels gestudeerd. Ze leerde me niet alleen veel te lezen – romans, theaterstukken – maar ook om dat in relatie te brengen met mijn werk. Daardoor ben ik niet de eendimensionale mens die je als wetenschapper nu eenmaal riskeert te worden. Want je leert objectieve wetenschap te bedrijven, maar voor je het weet wordt dat zo ­objectief dat het nérgens meer mee te maken heeft. Dat knaagde verschrikkelijk aan mij. Pien heeft eraan bijgedragen dat ik leerde naar zulke emoties te luisteren en die in balans met mijn rede te brengen.’

Hoe bent u met haar jarenlange dementie omgegaan?

‘We hebben vreselijk zware perioden gehad, soms wilde ze niets meer met me te maken hebben. Dat was voor ons allebei verschrikkelijk. Maar we zijn erdoorheen gekomen. Ik heb vier dames ingehuurd om samen met hen en onze drie kinderen voor haar te zorgen. Dat was zwaar, maar het is goed gegaan. Toen ze overleed, was mijn eerste reactie dat ik met haar had willen gaan. Voor haar was het beter dat aan haar lijden een eind kwam, maar of het voor mij ook goed was? Mijn leven had tot dan toe wel een vervulling.’

Wat bedoelt u daarmee?

‘Ik zag het als mijn project om het lijden van Pien te verlichten en haar een enigszins aangename tijd te bezorgen. Dat klinkt een beetje hard en ­zakelijk, maar zo bedoel ik het niet. De filosoof Beate Rössler stelt dat we niet zozeer geluk nastreven als wel een vervuld leven. Dat doen we door ons leven vorm te geven met behulp van projecten. Die hebben te maken met je gezin, je werk, noem maar op; hun tijdsduur kan een dag, een maand of een paar jaar zijn. Als je een dosis geluk hebt, kun je die tot een goed einde brengen. Dan heb je een vervuld leven. Dat heb ik zeker. Maar ik heb ook gemerkt: ik heb altijd projecten nodig. Als ik die niet heb, word ik ongelukkig, stuurloos.’

Hoe is het om maatschappelijk minder mee te tellen?

‘Ik merk inderdaad dat ik er geleidelijk uit raak. Twintig jaar heb ik deel uitgemaakt van de redactie van De Gids (het literaire tijdschrift, red.), nu publiceren ze me niet meer en ben ik gedegradeerd tot een oudemannenblaadje, Argus, haha. Maar ik geniet van de rol die ik nog kan spelen als partner, vader en grootvader. En ik heb een deel van mijn vermogen gestopt in een stichting voor duurzame projecten. Die financiert schooltuinen en rapporten over synthetische kerosine en circulaire landbouw. Ik heb het gevoel nog altijd te kunnen doen, wat ik wil doen, ook al wordt mijn bijdrage bescheidener.’

Waaraan draagt u bij?

‘De socioloog Joop Goudsblom heeft me geleerd dat de beschaving op een steeds hoger plan komt, naarmate onze onderlinge afhankelijkheid toeneemt. In het civilisatieproces specialiseren we ons en dat versterkt het. Globalisering vind ik daarom ook geen verkeerde zaak, integendeel – de onderlinge afhankelijkheid maakt de kans dat je elkaar ooit nog de keel afsnijdt kleiner. Daar geloof ik in. Jouw kinderen hebben alweer een intensiever netwerk dan die van mij, dat vind ik een goede zaak. Ik weet niet of er een eindpunt aan die ontwikkeling is, maar dat hoeft ook helemaal niet. Het feit dat er vooruitgang is en dat we daaraan bijdragen, vind ik meer dan genoeg.’

Leestip: Autonomie, essay over een vervuld leven door Beate Rössler

‘We willen graag zelf beslissingen nemen in privéleven en werk, maar dat lukt maar in beperkte mate – ons leven is verweven met allerlei sociale relaties die onze beslissingen beïnvloeden. Hoe kunnen we dan toch onze hang naar eigen keuzen bevredigen? Aan de hand van schrijvers als Kafka en Murdoch laat Rössler zien wat in dat licht een vervuld leven kan zijn.’ 

Eerdere afleveringen van deze rubriek

Filosoof Katrien Schaubroeck: ‘Hoe je iets doet, is belangrijker dan wat je doet’
Na zijn serie over de zin van het leven gaat Fokke Obbema dit jaar in een nieuwe reeks op zoek naar het antwoord op de vraag: wat is voor u een zinvol leven? Vandaag aflevering 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden