We zijn weer bang voor de bom

Kleedt u voor het betreden van de schuilkelder uit en was het hele lichaam, waarschuwde een folder uit 1961 over het atoomgevaar....

Vorige week plofte bij veel Nederlanders de folder Wat te doen tegen terrorisme? En wat kunt u doen? op de mat, met nuttige adviezen als 'Bescherm u zelf tegen rondvliegend en vallend materiaal'. Ook gaf de brochure antwoord op vragen als 'Ik ben wel eens bang dat ik naast een terrorist woon. Is dat terecht?'

De folder herinnert enigszins aan de legendarische Wenken voor de bescherming van uzelf en uw gezin uit september 1961, die eveneens huis-aan-huis verspreid werden. In deze brochure vertelde de overheidsorganisatie Bescherming Bevolking (BB) de Nederlanders wat zij moesten doen bij een atoomaanval.

Op montere toon probeerde de BB de Nederlanders ervan te overtuigen dat het leven na de bom gewoon doorging, mits men zich niet te dicht bij de explosie bevond. Volgens de BB was het wel degelijk zinvol om voorzorgsmaatregelen te treffen, bijvoorbeeld door onder de trap te gaan zitten. 'Wat zou u ervan zeggen, als u eens door uw huis rondliep en naging, waar uw veiligste vertrek ligt. U zou dan nog eens kunnen nadenken, hoe u in geval van nood nog met tegels, zand en boeken een afscherming zou kunnen aanbrengen; welke toch al in uw huis aanwezige artikelen geschikt zijn om naar uw oorlogsbivak te slepen. Want de mogelijkheid bestaat dat u straks nog zal moeten kamperen in uw halletje of uw kelder.'

Achteraf is vaak gesuggereerd dat Nederland na het ontvangen van deze wenken ten prooi viel aan een collectieve lachstuip. Maar volgens Bart van der Boom, historicus aan de Leidse Universiteit, waren de eerste reacties tamelijk welwillend. 'Alleen oppervlakkig oordelende lieden kunnen beweren dat er tegen een atoombom niets te doen valt', schreef De Telegraaf. Ook de toen nog katholieke de Volkskrant nam de wenken hoogst serieus: 'Als Nederland ooit het doel zou worden van een atoomaanval, hetgeen God verhoede!, dan heeft de burger een behoorlijke overlevingskans. Die zal hij echter in behoorlijke mate zelf mogelijk moeten maken.'

Realiteitsgehalte

Toch werd werden de wenken al snel inzet van een fel politiek debat over het nucleaire gevaar, aangezwengeld door columnisten en schrijvers. In Het Parool hekelde 'dagboekanier' Henri Knap het advies om bij radioactieve besmetting naar een schuilkelder te rennen, buiten alle kleren uit te doen en vervolgens 'het gehele lichaam met onbesmet, liefst stromend water en zeep te wassen'. Het realiteitsgehalte van deze raadgeving liet te wensen over, vond Knap, want: '1) Waar halen wij (liefst stromend en onbesmet) water vandaan, 2) waar zeep, 3) waar een handdoek, en hoe doen wij dat, wanneer wij 4) met enige honderden tegelijk bij een schuilplaats arriveren met begrijpelijke haast om dezelve binnen te gaan en 5) bij tien graden vorst in februari.'

Harry Mulisch schreef een persiflage op deze 'opgeruimde bloemkoolcommentaren op de ondergang van het mensdom', die zijns inziens onderdeel vormden van een 'gereglementeerde voorbereiding op de ondergang'. De burger moest zich niet braaf naar het armageddon laten leiden, vond Mulisch, die zijn hoop stelde in een 'kollectieve angstaanval, een staking der totale wereldbevolking, een massale demoralisatie en chaos, waarin nu het enige behoud van het menselijke schuilt'.

Erg serieus werden de wenken niet genomen. Patria, producent van legerrantsoenen en Verkade, brachten 250 duizend kiloblikken noodbiscuits op de markt, als voorraadje voor het 'oorlogsbivak' in de kelder. Eind 1961 werd de productie alweer gestaakt en moest de overheid 150 duizend onverkoopbare blikken overnemen.

Belangrijker was echter de fundamentele kritiek: de BB, en daarmee de regering, stelde de zaken te rooskleurig voor. Tegen een kernaanval was helemaal geen bescherming mogelijk. Achteraf moet geconstateerd worden dat de BB minstens één stap achterliep in het denken over een nucleaire oorlog, stelt Van der Boom. De organisatie was in 1953 opgericht, om de bescherming van de bevolking bij een nieuwe oorlog te organiseren. Destijds gingen politici en militairen nog uit van beperkte nucleaire aanvallen op steden, nog enigszins vergelijkbaar met de bombardementen van Londen en Dresden in de Tweede Wereldoorlog. Maar in de loop van de jaren vijftig nam het nucleaire arsenaal snel toe in omvang en kracht. De publieke opinie raakte er steeds meer van doordrongen dat een kernoorlog allesverwoestend zou zijn. In 1959 geloofde 36 procent dat een kernoorlog geen overlevingskansen bood, in 1962 49 procent en in 1967 64 procent.

'Het duurde lange tijd voordat de autoriteiten toegaven hoe ernstig de gevolgen van een nucleaire oorlog waren', zegt dr. Ph. P. Everts, docent internationale betrekkingen aan de Leidse Universiteit. Dat gold niet alleen voor politici. In 1962 werd de inmiddels klassieke film Dr Strangelove or how I learned to stop worrying and love the bomb - met Peter Sellers in de hoofdrol - in eerste instantie afgekeurd voor de Nederlandse bioscoop, omdat deze productie vervaardigd zou zijn door 'geestelijk ongezonde lieden'.

De toenmalige angst voor een kernoorlog is vergelijkbaar met de hedendaagse angst voor terreuraanslagen, denkt Evers, 'al hadden destijds de meeste mensen aan den lijve een oorlog meegemaakt, wat de angst misschien wat concreter maakte'. In 1959 verwachtte 36 procent van de Nederlanders binnen afzienbare tijd een oorlog, een percentage dat zou zakken naar 34 procent in 1967 en 12 procent in 1971.

Metrostel

De cijfers voor een terreuraanslag liggen hoger, maar dat is ook logisch. Het is nu eenmaal gemakkelijker een metrostel op te blazen dan een kernoorlog te beginnen. In het najaar van 2005 achtte 55 procent de kans op een aanslag tamelijk tot zeer groot, tegenover 25 procent in 2004, blijkens een enquête van TNS NIPO. Een flink aantal burgers is zelfs zo bang dat zij hun gedrag aanpassen: 12 procent mijdt evenementen en drukke plaatsen, 8 procent rijdt een blokje om teneinde riskante locaties als tunnels te vermijden en 5 procent mijdt het openbaar vervoer.

Uit datzelfde onderzoek bleek dat burgers meer informatie van de overheid willen en dat een huis-aan-huisfolder daartoe het geëigende medium is. 'Je kunt nu niet zeggen dat de overheid het gevaar bagatelliseert, zoals begin jaren zestig', zegt Evers. 'Politici krijgen zelfs het verwijt dat zij de angst aanwakkeren, naar mijn idee overigens niet terecht.'

Toch is ook de nieuwe folder lichtelijk hilarisch, vindt dr. Rieke Leenders, cultureel antropoloog aan de Universiteit Utrecht, die promoveerde op een onderzoek naar de reacties van burgers op het optreden van de BB. 'Het gevaar van een aanslag is even onbestemd als het gevaar van een kernoorlog. De overheid wil dat burgers zich voorbereiden, maar dat is nu eenmaal onmogelijk, en dat realiseren burgers zich heel goed. Hoe hadden de Spanjaarden zich moeten voorbereiden op de aanslag in Madrid?'

Daarom worden brochures als de wenken van de BB of Wat wordt er gedaan tegen terrorisme? En wat kunt u doen? al snel als futiel ervaren. Leenders: 'Je kunt er bang van worden of je kunt erom lachen. Andere mogelijkheden zijn er niet. Maar de overheid moet zo'n folder wel uitgeven. Anders krijgt zij straks het verwijt dat zij de burgers onvoldoende heeft gewaarschuwd.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden