Zinvol levenGert Roos, huisarts-docent en coach

‘We zijn geneigd weg te lopen van onze angsten, maar als je die ruimte geeft, valt het vaak mee’

Beeld Jitske Schols

Eenzaamheid is misschien wel het meest kenmerkende van de mens, zegt voormalig huisarts en tropenarts Gert Roos. De kunst om ermee om te gaan, is de grootste uitdaging. Wat heeft hem geholpen?

Een avondje, georganiseerd door de gereformeerde kerk in Bloemendaal, begin jaren zeventig – een latere Amsterdamse huisjesmelker verhaalt over zijn reis door India, zijn dia’s tonen ‘armoede en ellende’. Gert Roos, een 17-jarige die eindexamen doet, raakt die avond ‘erg in verwarring’. Hij heeft tot dan toe geen ander plan dan scheikunde te studeren, ‘maar zonder enig enthousiasme’. De ellende in het verre India ontsteekt bij hem ‘het vuur van verlangen er iets aan te doen’. Als zoon van een predikant is hij vertrouwd met de figuur van Albert Schweitzer, de arts-filosoof die lang als arts in Afrika werkte. Tot dan toe heeft hij nooit bedacht in diens voetsporen te kunnen treden: ‘Die avond werd het zaadje geplant. Ik kreeg opeens het visioen dat ikzelf zoiets zou kunnen doen.’

Het is niet louter idealisme dat het beroep van tropenarts aantrekkelijk maakt. Zijn puberteit schetst de 66-jarige Roos als een ‘zware, donkere’ tijd. Het domineesgezin met vier kinderen waartoe hij behoort, functioneert goed in de eerste twaalf jaar van zijn leven, maar daarna blijkt er ‘veel psychische nood’ onder het harmonieuze oppervlak schuil te gaan. Details geeft hij liever niet, het is genoeg te weten ‘dat het gezin uiteindelijk uit elkaar viel’. Ook daarom sprak tropenarts hem aan: ‘Ik zat thuis in de misère, opeens zag ik een vlucht­route.’

Tien jaar na het Bloemendaalse avondje bevindt Roos zich in de bush van Kenia, met zijn vrouw Sara en hun dochtertje. In een van de armste regio’s van het land in een klein ziekenhuis – de kindersterfte is er enorm, op een gemiddelde werkdag laten vijf van de tachtig kinderen het leven. Na vier jaar houdt het gezin het voor gezien, omdat er geen passende school in de buurt is. Het is midden jaren tachtig wanneer Roos in Nederland terugkeert. Een tijd lang voelt hij zich ontredderd: ‘De tropen was wat ik had gewild, ik had geen idee hoe het verder moest.’ Weinig gemotiveerd geeft hij zich op voor de opleiding tot huisarts, een flinke overgang: ‘In Afrika opereerde ik, nu moest ik leren een oor uit te spoelen.’ Toch gaat hij het ambacht van huisarts waarderen: ‘Ik kwam patiënten tegen van wie ik merkte dat ze ook angstig en onzeker waren, mensen die in verwarring waren over wat hen overkwam. Zonder dat ik mijn eigen misère breed ging etaleren, zag ik dat als een uitnodiging hen te ondersteunen. Omdat ik herkende waar ze waren. Dat maakt het vak van huisarts zo mooi: de verbinding met mensen, luisteren naar hun verhalen, omgaan met hun lijden.’

Eind 2016 neemt hij afscheid van zijn huisartsenpraktijk in het Gooise Laren, na bijna dertig jaar. Een klein jaar later vindt hij zichzelf terug in een ziekenhuisbed. De ogenschijnlijk kerngezonde Roos blijkt een dicht­geslibde kransslagader te hebben en moet onmiddellijk onder het mes. Hij neemt afscheid van zijn vrouw en drie kinderen, maar overleeft de operatie. Tegenwoordig is hij docent aan de huisartsenopleiding van de Vrije Universiteit en coach. Luisteren heeft zijn grootste interesse: ‘Het inzicht in het belang van luisteren is de belangrijkste les die ik in dertig jaar praktijk heb geleerd.’

Wat is voor u een zinvol leven?

‘Ik wil vooral mijn talenten inzetten om anderen zinvol te laten zijn. Om iets van wat ik van het leven heb geleerd aan anderen over te brengen. Ik wil ze laten zien hoe rijk ze zijn, hoeveel talenten ze in zich verbergen. Het is zo vreugdevol als iemand daar zicht op krijgt. Dat lukt door iets van het stof van iemand af te blazen, iets van de angsten en onzekerheden. Dat lukt niet altijd, maar ik kan wel een beetje helpen blazen.’

Zag u uw rol als huisarts ook zo?

‘Nee, vooral in het begin vond ik het maar eenzaam, alleen met een patiënt in je spreekkamer. Ik twijfelde enorm of ik het goed deed. Het ging wel aardig, maar ik vroeg me af: zit er wel veel idee achter wat ik doe? Laten we wel zijn – een huisarts heeft in de helft van de gevallen geen idee wat er medisch aan de hand is. Dat is de realiteit. Hij heeft geen diagnose en als hij die wel heeft, bestaat er vaak geen medische oplossing. Dus als je wel denkt die te moeten bieden, ben je in minstens de helft van de gevallen doodongelukkig. Dat speelde bij mij sterk. Ik had de indruk dat mensen meer van me verwachtten dan ik kon geven. Dat maakte het zwaar.’

Werd dat gaandeweg minder?

‘Wat voor mij een grote verandering teweegbracht, was mijn contact met een Amerikaanse psychiater, Michael Murphy. Hij benadrukt dat het in de menselijke aard ligt verhalen te vertellen. Die komen pas tot hun recht wanneer iemand daar goed naar luistert. Dat klinkt simpel, maar die gedachte was voor mij een doorbraak, het heeft mijn manier van werken ­totaal veranderd. Als er een bezorgde moeder kwam met de klacht: ‘Mijn kind heeft de hele nacht gehoest, dokter, hoe moet dat nu?’ Dan schoot ik tot dan toe in de reflex: hoe moet ik dat oplossen? Terwijl je weet dat je niet zoveel aan hoestende kinderen kunt doen, dus leidde dat tot een gevoel van machteloosheid. Maar nu zei ik: vertel eens wat meer, hoe heb je dat beleefd, waar was je bang voor? Een compleet andere manier van werken. Die is fijn voor de patiënten, want die vinden het heerlijk een luisterende dokter te hebben. Maar ook voor de huisarts, want het geeft erg veel rust als je je realiseert dat luisteren genoeg kan zijn.

‘Wanneer je mensen uitnodigt hun verhaal te vertellen – dus niet alleen de feiten, maar ook de emoties die erbij horen, eigenlijk alsof ze het mooi op mogen schrijven – dan is het probleem wonderlijk genoeg ook vaak opgelost. Mensen hebben meestal wel een idee wat ze van de dokter willen, maar pas als hun verhaal echt ruimte krijgt, wordt dat goed duidelijk, zowel voor henzelf als voor de dokter. In de dialoog kan iemand er bijvoorbeeld achter komen dat hij veel aan het piekeren is. Als je die ­zorgen vervolgens verwoordt, zegt ­iemand vaak: goh, er valt een last van mijn schouders af. Dan heb je die hele stethoscoop nog niet uit je zak gehaald. De mens is sterk geneigd weg te lopen van zijn angsten, maar als je die de ruimte geeft, valt het vaak mee.’

Het klinkt alsof mensen onnodig lijden.

‘Lijden is onlosmakelijk verbonden met mens-zijn. Er is godzijdank meer in het leven, je hebt ook de plezierige kanten ervan, maar het lichamelijk en geestelijk lijden hoort erbij, dat kunnen we niet uit de weg gaan. Openheid daarover, uitspreken waar je onder lijdt, kan leiden tot diep menselijk, troostend contact. Een bijzondere herinnering die ik heb, is aan een wat oudere, eenvoudige patiënt van in de zeventig, een man met een kreukelig colbertje. Zoals gebruikelijk begon hij over zijn rugklachten, maar daarna bleef ik stil, ik voelde aan dat zijn verhaal ditmaal nog niet af was. Toen begon hij over de oorlog: hoe hij gedwongen was geweest in een Duitse fabriek te werken en hoe mensen hem bij terugkeer aanzagen voor een overloper. Op een dag scholden jongens hem uit en sloegen hem in elkaar – ze schopten hem in zijn rug, terwijl hij op de grond lag. Aan het eind van dat verhaal stond hij op en bedankte me. Als vanzelf zei ik ook: ‘Bedankt voor je verhaal.’ Ik was er vol van dat zo weinig zoveel kon betekenen. We zijn er niet meer op teruggekomen, maar onze relatie was ingrijpend veranderd. We hadden een diep contact’.

BOEKTIP Apeirogon, Colum McCann

‘Een Palestijn en een Israëliër verliezen allebei een jonge dochter: Abir sterft door een Israëlische kogel, Smadar door een Palestijnse bomgordel. De mannen sluiten een onwaarschijnlijke vriendschap. Hun werk wordt het delen van hun verhaal met de wereld. Alleen zo kunnen tegenstellingen verdwijnen en empathie ontstaan. Een prachtige vertelling in duizend-en-een korte en langere verhalen – een symfonie van verhaallijnen die het belang onderstrepen van betekenis geven door verhalen te delen.’

Zijn veel mensen zo eenzaam?

‘Dat staat voor mij wel vast, ja. Eenzaamheid is misschien wel het meest kenmerkende van de mens: dat is wat ons allemaal verbindt en het verdragen daarvan is wat ons te doen staat. Verzoening ermee is een opdracht. Hoe beter je dat kan, des te meer je je talent voor geluk kunt ontwikkelen. Als je eenzaamheid te veel uit de weg gaat, ga je van de mensen om je heen te veel verwachten; dan wil je dat zij verhullen dat het leven ook eenzaam, pijnlijk en vervelend kan zijn. Die ­verwachtingen kunnen de verhoudingen verstoren. Uiteindelijk moet je jezelf overeind houden en ben je verantwoordelijk voor je eigen geluk. Hoe fijn het ook is dat je vrienden, kinderen en een partner hebt, zij zijn niet daarvoor niet verantwoordelijk.

‘Het lukt me zeker niet altijd dat te blijven beseffen. Sara en ik delen die kijk op het bestaan, maar tuinen soms toch in de valkuil het eigen welbevinden te veel bij de ander te willen zoeken. Je moet dan weer de tijd ­nemen om ruimte te laten ontstaan.’

Heft luisteren de existentiële eenzaamheid op?

‘Ik zie het vooral als een manier om mensen ermee te verzoenen. Als je als arts tegen een patiënt op een rustige manier kunt zeggen: ik snap dat je bang bent en dat je ’s nachts wakker ligt, dan help je die eenzaamheid onder ogen te zien. Dat doe je ook door niet een kalmerend pilletje aan hem te geven, maar te zeggen: ja, zo zit het leven nu eenmaal in elkaar.’

Hoe kijkt u aan tegen uw sterfelijkheid?

‘In de nacht voor mijn hartoperatie was ik als de dood te overlijden. Sara en de kinderen hebben dat misschien niet zo gemerkt, maar ik vroeg me af: hebben we nu onze laatste omhelzing gehad? Die nacht heb ik geprobeerd me te vermannen, het beest in de bek te kijken. Toen ik weer uit de operatie bijkwam, ervoer ik een bad van diepe dankbaarheid. Dat heeft weken, misschien wel maanden geduurd. Voor de artsen die me hadden gered, voor mijn familie en vrienden, maar vooral ook voor het leven zelf. Ik hoop dat ik naar dat gevoel van dankbaarheid terug kan, wanneer het moment zich aandient.

‘Het idee dat het mijn tijd nog niet was, vind ik een troostende gedachte: dat er iets is geweest, waardoor ik door mocht leven. Dat vind ik prettiger dan: puur toeval, voor hetzelfde geld was je dood geweest. Dat is mij te klinisch. Maar wat dat iets dan is, ik heb geen idee.’

Na zijn serie over de zin van het leven gaat Fokke Obbema dit jaar in een nieuwe reeks op zoek naar het antwoord op de vraag: wat is voor u een zinvol leven? Op deze overzichtspagina leest u alle voorgaande gesprekken in deze serie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden