De hospitaNiek Sibbel (67) en Tobias Jansen (20)

‘We vinden het logisch dat je een groot huis blijft benutten’

In de rubriek De hospita interviewt Kustaw Bessems mensen over de boeiende ­ver­houding tussen verhuurder en kostganger.

Tobias Jansen en Niek Sibbel.
 Beeld Erik Smits
Tobias Jansen en Niek Sibbel.Beeld Erik Smits

‘Tobias is een heel rustige huurder’, zegt Niek Sibbel (67). ‘Af en toe denken we: we gaan even kijken of hij er nog is.’

‘Ik ben een heel ander type dan de meeste studenten’, zegt Tobias Jansen (20). ‘Ik vind het niet fijn om de hele tijd onder dronken jongelui te zijn, terwijl ik zelf helemaal geen alcohol drink. Ik ben meer nerdy. Ik speel veel games. Voornamelijk spellen voor één speler. En ik studeer Japans. Een niche. Ik hoef na een dag studeren niet los te gaan. Daarom vind ik het ook fijn om een kamer bij Maria en Niek te huren.’

Sibbel: ‘Toen we begonnen met verhuren, zeiden we: het moet niet de sfeer van een studentenhuis krijgen, met luidruchtige feesten. Maar in de praktijk wíllen de mensen die hier komen juist niet in een studentenhuis wonen.’

Jansen: ‘Ik heb nooit echt de noodzaak gevoeld om zo’n stereotiepe student te worden, dus toen bleef ik maar gewoon mezelf.’

Sibbel: ‘Eén voorval heb ik ooit gehad, met een eerdere huurder. Tijdens carnaval – dat is natuurlijk groot hier in Maastricht – belden vier jongens me ineens uit bed op een zondagochtend. De huurder had gezegd dat ze wel op zijn kamer mochten gaan zitten terwijl hij er zelf niet was. Maar dat is werkelijk de enige keer in 25 jaar dat ik pissig ben geweest. En als hij van tevoren had gewaarschuwd, hadden we het waarschijnlijk gewoon goed gevonden. Ik geloof niet dat wij nou zulke huisregels hebben.’

Jansen: ‘Dat we het slot goed moeten dichtdraaien, dat zeg je altijd wel.’

Dunne lijn

Sibbel: ‘Nou zou ik hier in een klein huis nooit aan zijn begonnen, hoor. Want het is een dunne lijn. Aan de ene kant vind ik het lekker dat er leven in huis is, dat je af en toe eens hoi zegt tegen iemand. Aan de andere kant: al hebben mijn vrouw en ik dan niet meer de leeftijd om naakt door het huis te lopen, we willen wél privacy. Dat kan. Het is een groot huis. Voor een Amsterdammer als ik zelfs héél groot.

Niek Sibbel. Beeld Erik Smits
Niek Sibbel.Beeld Erik Smits

‘Mijn vrouw Maria is hier in Maastricht geboren en wilde niet weg. Het huis was best duur voor ons toen we het 25 jaar geleden kochten. We hebben toen afgesproken: we moeten er ook iets mee kunnen verdienen. Maria zou in een atelier aan huis cursussen schilderen en grimeren geven. Maar ze kreeg al gauw banen die interessanter waren. In plaats daarvan hebben we bijna altijd iemand op kamers gehad.

‘Het begon ermee dat de oppas vroeg: kan mijn dochter niet bij jullie? Een vriendendienst. Sindsdien zijn het altijd mensen die we via via kennen.’

Jansen: ‘De vorige huurder was een vriendin van mij.’

Sibbel: ‘We hebben zelf een tweeling, maar daar paste nog wel een huurder bij en sinds ze het huis uit gingen, hebben we twee huurders. Het klinkt een beetje stom, maar we vinden het logisch dat je een groot huis blijft benutten. Dat is best een principieel punt. Voor het geld hoeven we het niet meer te doen. We zijn ouder, de hypotheek is minder. We vragen ook niet veel.’

Jansen: ‘De huur hier is veruit de laagste die ik ooit heb betaald. Terwijl de kamers waar ik hiervoor woonde kleiner waren, rommeliger en met minder voorzieningen.’

Woningtekort

Sibbel: ‘Het woningtekort nu is ongelofelijk. Maar ook het verschil met hoe mensen vroeger woonden. Ik heb als student in het huis gezeten waar mijn ouders eerder met hun drie kinderen hadden gewoond. Wij kinderen sliepen in de slaapkamer, onze ouders in een alkoof en we leefden met z’n allen in de voorkamer. Dat was toen normaal, maar tegen de tijd dat ik studeerde, gold dezelfde woning als een leuk huisje voor één persoon.’

Jansen gaat voor, de massieve trap op langs glas-in-loodramen naar de lichte vertrekken waar de huurders vertoeven. ‘Ik deel de keuken en de badkamer met de andere huurder, maar soms kom ik tijden niemand tegen.’

Tobias Jansen. Beeld Erik Smits
Tobias Jansen.Beeld Erik Smits

Sibbel: ‘We hebben wel eens een etentje met z’n allen gehad. Maar wij slapen aan de achterkant van het huis, de studenten aan de voorkant. Wij nemen de achterdeur, zij de voordeur. Dus je merkt er niks van.’

Jansen: ‘Ik mag mensen ontvangen, maar dat doe ik niet vaak. Mijn studiegenoten zie ik op de universiteit. Thuis praat ik online met vrienden. Eigenlijk pas sinds het sociaal contact door corona zo erg werd beperkt, denk ik er weleens over na om toch een keer naar een kroeg te gaan.’

Relatie

Sibbel: ‘Je relatie met een huurder is eigenlijk heel onbestemd. We hebben weleens meegemaakt dat het met iemand geestelijk niet goed ging. Wat doe je dan als huisbaas? Je bent er niet om iemand op te voeden, iemand heeft zelf dingen uit te zoeken in het leven. Je denkt wel: jeetje, het gaat niet goed met dat kind. Als je iemand in tranen op de trap tegenkomt, dan ga je wel in gesprek. Maar we hebben allemaal het schrikbeeld van zo’n oude bemoeizuchtige hospita, dat willen we natuurlijk helemaal niet. Je zit niet op een nieuwe vader of moeder te wachten. Of op oude vrienden. Daarvoor ben je niet op kamers gegaan.’

Jansen: ‘Nou, misschien zou het iets meer mogen. Ik ben op zich niet uit huis gegaan om mijn ouders te ontlopen, maar gewoon omdat ik in Maastricht moest zijn.’

Sibbel: ‘Als jij een week op je kamer zat, zeker met al dat digitale gedoe, zou ik niet in de alarmstand schieten, Tobias. Maar als je emotioneel over de trap zou lopen zou ik wel onmiddellijk vragen wat er is, hoor.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden