Analyse Van Oldenbarnevelt

We staan dichter bij Oldenbarnevelt dan we denken

Het standbeeld van Willem van Oranje op het Plein in Den Haag. Beeld Freek van den Bergh

Politiek commentator van de Volkskrant Martin Sommer hield in april de Van Oldenbarnevelt-lezing. Het is vandaag, 13 mei, 400 jaar geleden dat de medegrondlegger van onze staat werd vermoord. Diens visie op vrijheid en tolerantie blijft actueel.

Hoever staat Johan van Oldenbarnevelt van ons af? Hij leefde van 1547 tot 1619. Over een paar weken, op 13 mei, is het vierhonderd jaar geleden dat hij hier een paar honderd meter verderop werd onthoofd. Vierhonderd jaar, dat is lang geleden. Maar in de kleine tentoonstelling in het Haags Historisch Museum, ook om de hoek, kun je zijn bril zien liggen, allebei de glazen zonder barst en goed gepoetst. Er liggen brieven van zijn hand, met de uitstekend leesbare ondertekening Johan van Oldenbarnevelt. Er ligt zijn stokske, in drievoud maar liefst, van het beroemde gedicht van Vondel. Zo is het verleden ineens heel aanraakbaar en dan is die vierhonderd jaar dichtbij. En dan realiseer je je dat onze grootste staatsman, zoals onze huidige premier hem typeerde, door het beulszwaard aan zijn eind is gekomen.

De man van de tolerantie

Vreemde gedachte, in een land waar politiek van oudsher leeft op zwakstroom, zoals Bolkestein ooit zei. Ik ga nu niet in op Oldenbarnevelts prestaties als staatsman. Hij was een moeilijk te plaatsen figuur en kwam daarom nooit in aanmerking voor het etiket van grootste Nederlander ooit; en al helemaal niet omdat hij als gevolg van zijn vete met prins Maurits ook in de knoop raakte met de drieslag God, Nederland en Oranje. Om die reden zijn er zo weinig standbeelden van Oldenbarnevelt, en zo weinig Oldenbarnevelt-lanen. Nu is hij alsnog door het vaderland in liefde omarmd en dat heeft alles te maken met deze tijd, en de morele opdracht die wij onszelf hebben gesteld. Oldenbarnevelt was immers de man van de tolerantie, en tolerantie is in onze samenleving niet alleen regel 1 maar ook artikel 1 van onze grondwet: gij zult niet discrimineren. Naast duurzaamheid is diversiteit, met andere woorden tolerantie voor het andere, in bijkans elke personeelsadvertentie van de overheid, de hoogst bezongen kwaliteit. Wat ik in deze lezing wil proberen, is uit te vinden in hoeverre de tolerantie van vierhonderd jaar geleden lijkt op het ideaal van nu – en of wij wellicht nog iets van Oldenbarnevelt kunnen opsteken.

Een standbeeld van Van Oldenbarnevelt in Den Haag. Beeld Freek van den Bergh

Het belang van godsdienst

Ofschoon wij nu de tolerantie van Oldenbarnevelt vieren, springen de serieuzere historicus toch vooral de verschillen in het oog. De grote historicus A. Th. van Deursen schreef over Willem van Oranje, zeker wat betreft de gewetensvrijheid een geestverwant, zo niet de leermeester van Oldenbarnevelt: ‘Willem van Oranje leefde in de zestiende eeuw. Daar zullen wij hem dus ook moeten zoeken, want uitsluitend tegen die achtergrond tekent zijn gestalte zich helder af.’ Dat is een goede les. Wij kunnen ons nauwelijks een voorstelling maken van het belang van godsdienst in die dagen. Om een voorbeeld te geven dat ik ontleen aan de mooie Oldenbarnevelt-biografie van Ben Knapen. Het grote religieuze conflict waar Oldenbarnevelt mee te kampen had, draaide om de predestinatie, kortweg of de genade van God kon worden verdiend of niet. Ik ga daar niet over uitweiden, maar u moet zich voorstellen dat de premier, want dat was wel ongeveer de statuur van de landsadvocaat, zich intensief met theologie moest bemoeien. Knapen schrijft: ‘In Den Haag zat hij ’s ochtends in alle vroegte met godgeleerden rond de tafel om nieuwe verzoeningsformules te bedenken over zaligheid, verdoemenis, het Eerste en het Laatste oordeel.’ Hier is het leven na de dood inzet van politieke onderhandelingen. Wij kunnen ons dit uiteraard niet indenken omdat we de scheiding van kerk en staat kennen. Ik moest hier zelfs een beetje om lachen, omdat wij tegenwoordig denken dat de politiek zich alleen moet bezig houden met zaken waar je wat aan kunt veranderen en niet hoe wij moeten leven om het hiernamaals te verdienen.

Geen sprake van grondrechten

Laten we toch de moeite nemen hier wat preciezer naar te kijken. Onze hedendaagse tolerantie wijst naar een grondrecht, het recht om te verschillen, wat betreft ras, godsdienst of seksuele geaardheid. Jezelf kunnen zijn is in onze samenleving de hoogste prioriteit. In de tijd van Oldenbarnevelt was er geen sprake van grondrechten. Individuele vrijheid viel buiten het denkraam van de zestiende en zeventiende eeuw. Tolerantie of gewetensvrijheid was nauw verbonden met religie en religie had zeker een politieke dimensie – er werden oorlogen om uitgevochten. Dé revolutionaire gedachte die was ingezet door Oranje en die vaste vorm kreeg onder Oldenbarnevelt was tweeledig: Ten eerste: de staat ging boven de kerk, en ten tweede: onder dat brede dak van de staat moest godsdienstvrijheid heersen. Die strijd om de verhouding tussen kerk en staat werd overal in West-Europa uitgevochten. Daarin was Nederland niet bijzonder. Het was de uitkomst, de vrijheid van consciëntie zoals Oldenbarnevelt het noemde, die de Republiek uniek maakte.

De landsadvocaat raakte hierover in conflict met de strenge theologen, en met de stadhouder, prins Maurits. Ook daaraan kun je zien dat het geloof een politieke dimensie had. Het was niet zo dat Oldenbarnevelt zelf meende dat het idee van de voorbeschikking of goddelijke genade te streng of onmenselijk was. Dat is typisch een gedachte van deze tijd. Hij was opgeleid in Heidelberg en zelf rechtzinnig in de calvinistische leer. Zijn pleidooi voor gewetensvrijheid was een zuiver politiek pleidooi. Hij moest in tijden van oorlog de Republiek bij elkaar zien te houden, en zoals bijvoorbeeld Mark Rutte als geen ander weet, heeft dat een prijs. Oldenbarnevelt was onder veel meer óók de uitvinder van het polderen. Vandaar dat hij onderhandelde over de vrije wil en Gods genade, zoals Rutte dat vandaag doet over het klimaatakkoord en tonnen CO2.

De tolerantieresolutie

Wat Oldenbarnevelt fataal werd, was dat hij de tolerantie ging opleggen. Dat was met de befaamde tolerantieresolutie van 1614. De gemoederen liepen zo hoog op, dat Oldenbarnevelt tolerantie ging voorschrijven. Onwillige predikanten werden ontslagen, kerkenraden die niet mee wilden doen, kregen zware boetes. Het werd verboden om over de predestinatie te preken. Zo ontstond de paradox van de tolerantie met de knoet, die voor rechtzinnigen niet aanvaardbaar was. Zij gingen apart kerken, wat Oldenbarnevelt op zijn beurt niet kon toelaten omdat ze zich daarmee losmaakten van de controle van de staat. Uiteindelijk zette Oldenbarnevelt milities in om de scheurmakers tegen te houden. Dat was de aanleiding voor Maurits om de landsadvocaat te arresteren, en de reden voor zijn doodvonnis op grond van hoogverraad. Met andere woorden, Oldenbarnevelt, zonder dat hij daar zelf noodzakelijk in geloofde, belichaamde de liberale stroming in de kerk – en zo is hij inderdaad de geschiedenis in gegaan. Tegelijk was de rol van Oldenbarnevelt in zijn uitwerking het tegendeel van liberaal en tolerant. Om nog een keer de grote historicus A. Th. Van Deursen hierover aan te halen. Die schreef in zijn prachtige boek De last van veel geluk: ‘Oldenbarnevelt maakte zich hier schuldig aan een bekende denkfout. Hij verwarde tolerantie met leervrijheid. Tolerantie houdt in dat ieder zijn eigen weg mag kiezen.’ Daar schoot Oldenbarnevelt tekort. Het is deze paradox waar wij nog wat van kunnen opsteken.

Een sprong voorwaarts

Laten we een sprong voorwaarts maken, naar het hier en nu. Zo’n theologisch debat is uiteraard tijdens de vrijdagse kabinetsvergaderingen in de Trêveszaal ondenkbaar tegenwoordig. Onze scheiding van kerk en staat kende men niet, en zeker niet ons soort burgerschap en ons kiesrecht. Onze grondrechten zijn die van het individu, die samenhangen met de democratie zoals wij die kennen. Burgers moeten in vrijheid hun lotsbeschikking kunnen kiezen, vandaar de vrijheid van gedachten en drukpers. En ook onze godsdienstvrijheid vloeit voort uit de gedachte dat gewetensdwang strijdig is met de vrije standpuntbepaling. Dat zijn allemaal ideeën die niet uit de zestiende of zeventiende, maar uit de negentiende eeuw stammen. Thorbeckes idee van het staatsburgerschap was dat uit de botsing der vrije geesten iets hogers zou opstijgen, namelijk het algemeen belang.

Theologische vraagstukken

Dat was allemaal in de tijd van Oldenbarnevelt ondenkbaar. Om het nog wat verder aan te dikken, er zijn tegenwoordig nauwelijks kerken meer, dus je kunt je zelfs afvragen of er überhaupt nog wel zielen zijn waarvoor je je kunt inzetten. En toch, ik heb een tijdje geleden toen ik nadacht over deze lezing een kopje thee gedronken met Ben Knapen die de knappe biografie van Oldenbarnevelt heeft geschreven. Ik vroeg hem of er niet toch een hedendaags equivalent zou zijn van die discussie Van Oldenbarnevelt met de theologen over de onsterfelijkheid van de ziel en of daar een onsje afkon voor de rekkelijken. Hij wees me op de debatten over Zwarte Piet die ook bijna metafysische vormen aannemen. De vraag of een Piet met één, of twee, of drie roetvegen aanvaardbaar zou zijn, lijkt toch wel erg veel op het gepolder van Oldenbarnevelt over de goddelijke genade en of stervelingen daar zelf wat aan konden doen. Dat is precies de reden waarom de debatten over zwarte piet niet een kleine maar een grote zaak zijn.

Raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt

En het is waar, premier Rutte heeft lang geprobeerd om de vraag naar de juiste opvatting over zwarte piet buiten het publieke domein te houden. In de geest van Thorbecke moest de samenleving zelf maar uitmaken, of Piet zwart dan wel groen was. Politiek gaat immers niet over het juiste geloof. Maar zijn toenmalige vicepremier Lodewijk Asscher ging om, en verkondigde als vertegenwoordiger van het publiek gezag dat zwarte piet geen pas meer gaf. Niemand keek ervan op, maar het was onmiskenbaar een moraaltheologische kwestie met een politiek polderelement – ook wat betreft de gewetens de boel bij elkaar houden.

Daarna kregen we de Nashville verklaring van een handvol predikanten ergens in het Zuid-Hollandse trilveen. Dat was pas echt een theologisch vraagstuk, of homoseksuelen in aanmerking kwamen voor Gods genade. De dominees vonden van niet. Er kwam een progressief oproer van, minister Van Engelshoven zei dat de gedachte onacceptabel was dat homoseksuelen niet in aanmerking kwamen voor de hemel. Het Openbaar Ministerie werd ingeschakeld. Het grondrecht van jezelf kunnen zijn, botste met het grondrecht van je eigen weg te gaan. En nu, net als in de tijd van Oldenbarnevelt, mochten de dominees hun eigen, smalle pad niet kiezen.

John Locke

De vraag hoe ver Oldenbarnevelt van ons af staat, is de vraag naar de rol van vrijheid en geloof in de politiek. Wij moeten daarvoor nog wat meer in de filosofie en de theologie duiken, waarvoor ik bij voorbaat excuus vraag. Nog een andere historicus die ik zeer bewonder – ik hoor bij de mensen die graag bewonderen – is Ernst Kossmann. Kossmann schreef in 1984 een lucide artikel getiteld ‘Tolerantie toen en nu’, en dat artikel is voor dit praatje een belangrijke inspiratiebron. Kossmann schrijft daarin over John Locke, de invloedrijke verlichtingsfilosoof die leefde van 1632 tot 1704, een kleine eeuw later dan Oldenbarnevelt. Locke was, inderdaad vanwege het gebrek aan tolerantie, vanuit Engeland uitgeweken naar de Republiek waar hij in 1685 zijn beroemde Brief over de tolerantie schreef, in het Latijn. Hij keerde later terug naar Londen in het kielzog van onze stadhouder Willem III, die zoals u weet aan de overkant koning werd.

Locke was een diepgelovig man, en ook zijn tolerantie kwam zeker niet in de buurt van ons anti-discriminatieartikel. Maar hij had wel een boeiende opvatting. Locke schreef over de vraag of mensen er ook theologisch ‘onjuiste meningen’ op na mochten houden. Let op dat woord ‘onjuiste’. Locke vond van wel. Die geloofsopvattingen waren weliswaar onjuist, maar ‘aangezien de verdoemenis’ van de ene mens de ander niet schaadt, en zolang hijzelf er geen last van had moest iedereen het zelf maar uitzoeken met de zaligheid van zijn eigen ziel. De verdraagzaamheid gold ook de moslims, joden of heidenen.

Dit is een liberaal beginsel in de dop. Bij Oldenbarnevelt kon er gepolderd worden over de geopenbaarde waarheid, bij Locke mochten mensen er onjuiste opvattingen op na houden. Dezelfde opvatting stijgt op uit een brief van Thomas Jefferson, bewonderaar van Locke, schrijver van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en van 1801 tot 1809 president van Amerika. Ook dit fragment ontleen ik aan Kossmann. Jefferson schreef dat ‘ik er geen schade van ondervind als mijn buurman beweert dat er twintig goden zijn of dat er geen enkele bestaat. En dan citeer ik in het Engels, ‘it neither picks my pocket nor breaks my leg.’ Een verkeerde opvatting, of anders gezegd een dwaling ‘rolt mijn zakken niet, en breekt evenmin m’n been.’ Prachtig gezegd.

Mij is het hier uiteraard om die onjuiste opvattingen te doen. Locke ontmoette in Amsterdam een theoloog, Philippus van Limborch. Hijzelf was niet alleen filosoof maar ook medicus, en de ontmoeting deed zich voor, aldus Kossmann, bij een zeer bijzondere gelegenheid, de ontleding van het lichaam van een leeuwin die aan de kou gestorven was. Van Limborch was de inspirator van Lockes brief over de tolerantie. Maar mij interesseert hier wat anders: de combinatie van theologie en belangstelling voor de wetenschappelijke sectie op een dierenlijk. Geopenbaarde waarheid en proefondervindelijke juistheid zaten eind zeventiende eeuw nog altijd samen tamelijk comfortabel in een jas. Zo vreemd was dat niet, als je je realiseert dat de combinatie van waarheid en theologie teruggaat op de oude Grieken. Maar ook aan het eind van de zeventiende eeuw was de politiek nog in beeld. Kossmann wijst erop dat de religieuze tolerantie in de Republiek alles te maken had met het ontbreken van een centrale staat die in staat was het geloof op te leggen. In diezelfde tijd trok de Franse koning Lodewijk XIV het edict van Nantes in, en was het in Frankrijk om zuiver politieke redenen juist afgelopen met de tolerantie voor onjuiste opvattingen.

Locke maakte één uitzondering op de tolerantie voor verkeerde ideeën. In beginsel bemoeide de staat zich niet met dwaalleren, tenzij het staatsgezag of de maatschappelijke samenhang werden ondermijnd. Ook op deze gedachte sorteerde Oldenbarnevelt al voor. Hij vond weliswaar niet dat de orthodox protestanten ongelijk hadden, maar ze vormden in zijn ogen een gevaar voor de Republiek, en dwong ze hun opvattingen voor zich te houden. De orthodoxen zelf meenden dat de hele opstand tegen Spanje voor niets was geweest als hun geloofsopvatting evenveel waard zou zijn als die van de rekkelijken, die uitdroegen dat je Gods genade kon verdienen. Dat was in orthodoxe ogen al halverwege het gehate katholicisme met zijn aflaten.

Bijzondere verdraagzaamheid

Hoe je het wendt of keert, de verdraagzaamheid in de Republiek was bijzonder en daar mogen we trots op zijn. Maar pas in de negentiende eeuw maakt het begrip tolerantie zich los van ‘onjuiste ideeën’. Tot dat moment, en Kossmann wijst daarop, zit er iets van neerbuigendheid in dat begrip tolerantie. Jij hebt het weliswaar bij het verkeerde eind, maar ik ben zo ruimhartig om je je dwaling niet aan te rekenen. De negentiende eeuw bracht het burgerschap, gelijkheid voor de wet en het recht op de vrije gedachte. De overheid bekommerde zich officieel niet langer om het zielenheil, net zo min als over de ware godsdienst. Dan pas krijgt tolerantie de betekenis die wij er nu aan toekennen: de vrijheid om je eigen individuele leven zo in te richten al jou dat goeddunkt.

Negatieve vrijheid

Toch waren we nog niet verlost van een overheid die nadenkt over wat voor ons het beste is. Over de combinatie vrijheid, waarheid en politiek heeft de grote liberale ideeënhistoricus Isaiah Berlin zijn beroemde rede Twee opvattingen van vrijheid gehouden. Dat was in 1958, het hoogtepunt van de Koude Oorlog. Voor Berlin was vrijheid veel belangrijker dan gelijkheid, die andere verworvenheid van de Franse revolutie. In het klassieke liberalisme betekent vrijheid vooral de vrijheid om door de overheid met rust te worden gelaten. In de woorden van Berlin betekent liberalisme de vrijheid om ‘zelf naar de verdommenis te gaan’. Hier hoor je een echo van Locke, die meende dat hij niet zou worden geschaad door de ‘verdoemenis’ van een ongelovige. Er is een deel van het leven waar de staat zich niet mee moet bemoeien. Voor liberalen moet dat deel zo groot mogelijk zijn. Dat is de vrijheid om met rust te worden gelaten. Berlin sprak van negatieve vrijheid. De staat bekommert zich niet langer om waarheid of geloof. Onze eerste grondwetsartikelen behandelen de bescherming van de burger tegen de machtige overheid, waaronder ons grondwetsartikel 1. De oorspronkelijke betekenis daarvan was dat de staat gehouden was alle burgers gelijk te behandelen.

Positieve vrijheid

Maar er is nog een tweede opvatting van vrijheid waar Berlin op wijst, de zogenaamde positieve vrijheid. Hier gaat het om de vrijheid van de burger om zich optimaal te ontplooien, en de staat die hem daarbij helpt. Dat is niet de vrijheid ‘van’ maar de vrijheid ‘tot’. Ook die vorm van vrijheid vinden we terug in onze grondwet, in de sociale grondrechten waarvan de beroemdste is dat de overheid zorg draagt voor zinvolle vrije tijdsbesteding. Maar ook in de nieuwere betekenis van artikel 1, dat een soort dubbelkarakter heeft gekregen. De overheid moet discriminatie tussen burgers onderling tegenhouden, en garanderen dat iedereen zich gelijkelijk kan ontplooien.

Isaiah Berlin

Over deze positieve vrijheid was Berlin aanzienlijk minder te spreken. Hij wees erop dat alle ideeën over zelfverwerkelijking in zich dragen dat er een kern is, een hoger levensdoel, en dat daaruit volgt dat de staat de burgers gaat helpen met het hebben van de ‘juiste ideeën’ daarover. Voorheen waren het de theologen die ons de weg wezen naar het geluk in het hiernamaals. In de ogen van Berlin is het gevaar dat de staat zich nu die rol toe-eigent, wat betreft het geluk in het hiernamaals. Berlin heeft het in 1958 uiteraard vooral over het marxisme.

Die tweede opvatting van vrijheid is veel ouder dan de eerste, de liberale, om te leven zoals je zelf wilt. Volgens Berlin gaan de aanzetten tot het liberalisme niet verder terug tot Erasmus en de reformatie. Hij werkt de christelijke wortels de positieve vrijheid niet uit, behalve in één voetnoot waarin hij wijst op de rol van de wetmatigheid, zowel in verschillende christelijke doctrines als bij Marx, kortweg de noodzakelijke komst van het paradijs, dan wel het aards paradijs.

Het hiernamaals

Voor theologen was het doel van het leven het geluk in het hiernamaals. Als vast staat wat er gaat gebeuren of moet gebeuren, als we weten wat het oogmerk van de samenleving is, dan mogen mensen ook worden gedwongen om het juiste te doen. Mensen moeten immers geen slaaf zijn van verkeerde emoties, hun onderbuik of hun ongezonde verlangens. Zij moeten hun werkelijke en juiste belangen volgen. Wie het uitgangspunt accepteert dat er een hogere, juiste oplossing is, de hemel, de klassenloze of de CO2-loze samenleving, en zich daar toch niet naar gedraagt, is ofwel gewetenloos ofwel een gek. Rationaliteit betekent, dat doel moet ik ook willen nastreven. Politiek gaat dan alleen nog maar over de manier waarop het doel moest worden bereikt. Het grote bezwaar van de positieve vrijheid was dat als het doel vaststaat, de mensen mochten worden gekoeioneerd en gedwongen om mee te werken. Wat zij er zelf van dachten, maakte niet meer uit, want de ware vrijheid wees hun de weg.

Berlin waarschuwde voor de fatale macht van professoren. Zij brachten immers de rede in stelling om tot een gelukkig leven te komen. En wie de rede in pacht heeft, weet wat de werkelijke belangen van de mensen zijn, ook als zij daar zelf anders over denken. Berlin verwees naar de Franse positivist Auguste Comte, die in de negentiende eeuw de natuurwetten van de menselijke omgang in kaart bracht. Op grond daarvan huldigde hij het standpunt dat je aan een steen toch ook niet ging vragen wat hij van de zwaartekracht dacht. Dus waar was democratie goed voor? En als je de waarheid in pacht hebt, dan hoef je zeker niet tolerant te zijn tegenover dwaallichten. Dat was dan ook niet zo in totalitaire samenlevingen. Niet voor niets heette het communisme ook wel het wetenschappelijk socialisme. Het socialisme als stelsel om de samenleving te organiseren heeft inmiddels afgedaan. Maar de gedachte aan een gezamenlijk hoger doel beslist niet.

Wat Berlin laat zien is dat in het totalitaire denken harde wetenschap en geloofsartikelen over het goede leven dwars door elkaar lopen. In de positieve vrijheid klinken evident theologische orgeltonen door. Er is een heilsverwachting van een samenleving zonder ellende en verdrukking, er is een revolutie die zeker zal plaatsvinden, en wel in de hele wereld, er zijn geleerden die zich als theologen en apostelen opstellen. En was in de tijd van Berlin ook een heilig boek, Das Kapital.

Het klimaatdebat

Berlin noemt rechtvaardigheid en volksgezondheid als ogenschijnlijk objectiveerbare begrippen die het risico van een autoritaire staat in zich dragen. Dat gevaar is er ook nu, alle oproepen tot tolerantie en de aanroepen van Artikel 1 van de Grondwet ten spijt. Laat ik als illustratie een onderwerp nemen waar waarheid, geloof en politiek anno 2019 dwars door elkaar lopen. Ik doel uiteraard op het klimaatdebat. Wat ik hier zeker niet ga doen is de klimaatwetenschap betwisten, de opwarmingsthese of de vraag of de mens daarin de doorslaggevende factor is. Al was het maar omdat ik me daarmee onmiddellijk en definitief buiten de discussie zou plaatsen. Als er een ding is waar Nederland beslist niet zachtzinnig in is, dan is het de omgang met dissenters. Die worden vier eeuwen na Oldenbarnevelt weliswaar niet onthoofd, maar wel meteen en definitief buitengesloten. Ik verklaar dus plechtig dat ik geen wetenschappelijk postmodernist ben. In ben tegen ‘anything goes’. En mijn kompas is hier de sterrenkundige Vincent Icke die ik op de radio hoorde zeggen dat iedereen die liever benzine in zijn tank doet dan water, ook al is dat laatste goedkoper, buigt voor de feiten voor de objectieve waarheid en de wetenschap. Zo is het maar net. Ik behoor dus tot de 97% die gelooft – ja gelooft aangezien ik het niet kan zien, proeven of ruiken – in de klimaatopwarming. Maar daarmee is het laatste woord nog lang niet gezegd.

In het klimaatdebat worden natuurkundige gegevens over de opwarming vermengd met voorstellingen van goed en kwaad. Het einde der tijden komt met de regelmaat van de klok voorbij. Kinderen demonstreren voor de generaties na ons, een metafysisch idee omdat we werkelijk niet kunnen weten hoe die generaties het er straks vanaf brengen. Er vallen woorden als klimaatschuld en vliegschaamte. Linkse partijen grijpen de opwarming aan om de discussie om te buigen naar het thema climate justice. Het kan nog krachtiger, als met impliciete verwijzing naar de Holocaust het woord klimaatontkenners valt. Zo wordt er van een natuurkundige wet een normatieve wet gemaakt. Niet alleen staat vast dat de aarde opwarmt, maar ook staat vast wat we moeten doen. In de woorden van Isaiah Berlin: de noodzaak, het gezamenlijke doel, brengt niet alleen met zich mee dat politiek een invuloefening is geworden, maar ook dat mensen worden gedwongen tot bepaalde opvattingen.

Transitie

De sprong van doel op middel, noemde de socioloog Van Doorn dat. Tegenwoordig gaat het niet meer over revolutie maar over transitie, al liggen die twee akelig dicht bij elkaar. Ik haal een tweet aan van onze transitieprofessor Jan Rotmans, van 21 maart jongstleden. ‘In een overgangsfase van de transitie zien we chaos, en toenemende weerstand. Dat is een teken dat we bij de kern komen. De kunst is dan consistent door te gaan op de gekozen weg, die wordt gesteund door de grote meerderheid.’

Hier zit alles in. De professor die de ware kennis in pacht heeft, ettelijke verdiepingen hoger dan de ogenschijnlijke chaos waarin gewone stervelingen zich bevinden, met wie hij dan ook niet in debat wil omdat dat niet op zijn niveau is. Er moeten krachten gebroken worden, ja juist het feit dat er weerstand is, bewijst dat we op koers liggen. Er moeten eieren gebroken worden om een omelet te maken. En zelfs het bijbelse beeld van de gekozen weg ontbreekt niet.

Begrijpen is handelen, zei Marx al. Ik ben bang dat onze overheid zich in deze richting begeeft, en zich steeds meer bemoeit met wat juiste en onjuiste ideeën zijn. Het gestelde doel is een wereld zonder CO2-uitstoot. Wij denken dat dat de noodzakelijke gevolgtrekking is van de klimaatopwarming. Maar er zijn honorabele wetenschappers die daar anders over denken, die de opwarming wel erkennen maar zeggen dat het met het onderlopen van Nederland wel zal loslopen; of zeggen dat het beter is te investeren in thoriumcentrales van de toekomst dan nu honderden miljarden te vergooien aan windmolens terwijl er in China wekelijks drie kolencentrales worden geopend. Zij hoeven tegenwoordig niet te vrezen voor de brandstapel, maar het is glashelder dat ze van de rechte weg zijn afgedwaald.

Omgang met aardgas

Het meest sprekend is de Nederlandse omgang met aardgas. Ooit een zegen, nu een vloek. Met rationaliteit heeft dat heel weinig te maken, des te meer met gevoelens van schuld en metafysica. In de ons omringende landen wordt aardgas beschouwd als oplossing, dat wil zeggen een vorm van betrekkelijk schone energie die kan helpen de tijd te overbruggen totdat de techniek verdere verbetering brengt. In Nederland, het land met de beste gas-infrastructuur ter wereld, moeten we zo snel mogelijk van het gas af; wordt een efficiënte energiedrager verruild voor minder efficiënte manieren om energie op te wekken, zoals windmolens. Met als gevolg dat energie veel duurder zal worden – maar ook dat is niet bezwaarlijk aangezien energiegebruik eigenlijk zondig is.

De hoofdonderzoeker van het Planbureau voor de Leefomgeving heeft in de Tweede Kamer openlijk erkend dat alle maatregelen die Nederland ten koste van tientallen miljarden neemt, geen waarneembaar verschil in temperatuur zullen opleveren. Toch moeten ze worden genomen, omdat anders de andere ondertekenaars van het Verdrag van Parijs het ook zullen laten lopen – dat is dus geen natuurkundig maar een moreel argument. Maar over morele argumenten moet je kunnen twisten – bijvoorbeeld over de vraag hoe reëel de verwachting is dat grote landen die geen christelijk zondebesef kennen, ook zo ijverig aan de slag zullen gaan ten koste van tientallen miljarden. Ik vrees dat ik het antwoord weet.

Good old Oldenbarnevelt

Nu kom ik aan het eind en keren we terug naar Oldenbarnevelt. Good old Oldenbarnevelt. Hij was geen liberaal, hij was een betweter en een opschepper. Hij leerde ons niet wat liberalisme was, maar hij was wel praktisch. Hij polderde over wat destijds de geopenbaarde waarheid was. Maar zijn tolerantie was in zijn uitwerking intolerant; hij schreef voor wat en vooral wat er niet gepreekt mocht worden. John Locke ging wat betreft godsdienstvrijheid aanzienlijk verder en vroeg zich af of mensen er onjuiste ideeën op na mochten houden. Hij zei ja, zolang het de samenleving of het algemeen belang geen schade doet. Isaiah Berlin liet zien dat een staat die zich toelegt op omgekeerde, het propageren van de juiste denkbeelden, het risico loopt te eindigen in tirannie.

Zover is het nu nog lang niet. Nederland is geen totalitaire staat. Maar wat we van Oldenbarnevelt opsteken, is dat er voorstellingen zijn die zich tooien in het kleed van vrijheid en tolerantie, maar die in hun uitwerking het tegendeel daarvan kunnen zijn. In die zin staan wij dichter bij Oldenbarnevelt dan we zelf wel zouden denken.

De Johan van Oldenbarneveldtlezing wordt georganiseerd door de Johan van Oldenbarnevelt Stichting.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.