Interview Lévi Weemoedt

‘We kunnen wel emmeren over de slechte jeugd die we hebben gehad, maar ik geloof niet dat daardoor depressieve gevoelens verdwijnen’

Een mooie nieuwe bloemlezing, een optreden bij DWDD en de lezers staan weer in de rij voor schrijver-dichter Lévi Weemoedt (70), die het idee had opgegeven ooit nog succes te boeken.

Lévi Weemoedt: ‘Wanneer noem je jezelf een schrijver? Beeld Gerard Wessel

Een paar maanden geleden begon schrijver Lévi Weemoedt (70) serieus te overwegen zijn huis te verkopen. Al jaren leeft hij net boven het sociaal minimum. Tot dusver had hij in 2018 welgeteld twee optredens. Van het schrijven viel de afgelopen veertig jaar nooit goed te leven en nu, zo leek het, helemaal niet meer.

En toen was daar het overrompelende succes van Pessimisme kun je leren!, de door Weemoedt-bewonderaar Özcan ‘Eus’ Akyol samengestelde bloemlezing uit zijn poëzie. In zijn voorwoord roemt Akyol de korte, pretentieloze teksten vol ‘eindeloze weltschmerz, gelardeerd met veel humor’ die Weemoedt sinds zijn debuut Geduldig lijden in 1977 uitbracht. Na twee vrolijke optredens bij De Wereld Draait Door prijkt de bundel ter ere van zijn 70ste verjaardag, met zeventig versjes, midden november op nummer 1 in De Bestseller 60.

‘Nu kan ik het misschien een tijd uitzingen’, roept de herontdekte dichter die ook dertien jaar docent Nederlands was, een paar weken later vanuit zijn keuken, Senseo-koffiezettend. Pessimisme kun je leren! staat dan nog steeds in de top-3. ‘Toch wel een klapper, dénk ik. Al moet ik me er ook weer niet te veel van voorstellen.’ Met de koffie arriveert de behoefte het ontstane circus te relativeren: het is niet des Weemoedts zichzelf al te serieus te nemen. Hij lacht hard: ‘Wat een onzin hè? Wát een kul!’

Eentje dan, uit de nieuwste bundel: O, ik zag / als kind al / ons gezin / als een / familiegraf / met nog / niemand erin

Izaäk Jacobus van Wijk, zijn eigenlijke naam (hij neemt de telefoon op met ‘met Izaäk van Wijk of Lévi Weemoedt’), woont in dit huis sinds hij in 1992 van zijn geboorteplaats Vlaardingen naar Assen verhuisde. Hij zit naar eigen zeggen altijd boven, op zijn werkkamer tussen de boeken. De vloer beneden is afgeleefd, er staat geen lekkere bank, wel een eettafel waarop The Sunday Times en The Times Literary Supplement liggen. Aan de muur hangt het schilderij dat zijn in 2002 overleden vrouw Karin van hem maakte. ‘Heel soms kijk ik tv’, zegt Van Wijk, terwijl hij een kastje opent. Daar staat een stokoude minitelevisie.

Ik heb niet zo gek veel vaste vrienden, maar ik vind het geweldig met onbekenden in gesprek te geraken. Dat gebeurde altijd al veel, ook omdat ik een hond heb.’ Beeld Gerard Wessel

Zijn optredens bij DWDD heeft hij niet teruggezien, maar hij merkt op straat, in de supermarkt en in de boekhandels waar hij samen met Eus signeert wat ze teweeg hebben gebracht. Lévi Weemoedt is niet zo dood als veel mensen hem waanden. Met een anekdote over zichzelf als vermeend sterfgeval, kreeg hij in het programma de schaterlachers op zijn hand, fan Matthijs van Nieuwkerk voorop. ‘Ooit woonde ik in Vlaardingen aan de markt, rond de kerk. Op zondagmorgen trek ik mijn fiets uit mijn smalle huisje en er staat een man aan de overkant die zegt: ‘Weet u dat Lévi Weemoedt hier gewoond heeft?’

Het initiatief om met Eus een bloemlezing uit te brengen, kwam van Vic van de Reijt, oud-uitgever van Nijgh & Van Ditmar en ‘min of meer mijn literaire agent’. ‘Als Eus en ik nu optreden, zeg ik tegen de mensen: ‘Ik gun jullie allemaal dat je eventjes, niet al te lang, zo beroemd bent als ik nu’. Dat leeft een stuk gemakkelijker. Iedereen is aardig! Ik ben sowieso een straatpratertje hè. Ik heb niet zo gek veel vaste vrienden, maar ik vind het geweldig met onbekenden in gesprek te geraken. Dat gebeurde altijd al veel, ook omdat ik een hond heb.’

In het gezelschap van zijn vorige hond ontmoette hij zijn in Oost-Duitsland geboren vriendin Katrin Pesek, ook een hondenmens, met wie hij nu twee jaar samen is en die zijn sobere huiskamer opvrolijkte met mintgroene verf op de deuren. Het ruikt er naar de grote, jonge rottweiler Simon, die neerploft op het kleed in de hoek.

Hoe komt het dat de bundel zo’n succes is?

‘Niet te ontkennen valt dat twee belangrijke factoren in ieder geval de aanzet hebben gegeven: Matthijs van Nieuwkerk met zijn programma en Eus. Eus is geliefd, dat merk ik overal waar we komen. Het zijn lekker korte gedichtjes, dat speelt misschien ook mee. En wie weet heeft het iets te maken met de sombere tijd waarin we leven. Misschien dat deze versjes wat troost bieden, al vind ik troost een raar woord.’

Is het leuk weer in de schijnwerpers te staan?

‘Eus en ik zijn een goede tandem. Er is chemie, zoals dat heet, warmte tussen ons. Hij dirigeert mij een beetje. Dat is goed, want ik ben niet zo handig met optredens. Op het moment dat ik voor een publiek sta gebeurt er wel iets, maar tot die tijd ben ik vreselijk zenuwachtig.’

Even is het stil. ‘Ach, en dat schijnwerpersgedoe gaat zo weer voorbij hoor! Dat is maar goed ook, want ik ben toch het beste af als ik gewoon kan zitten prutsen op zolder. Mensen hebben minder last van je als je zit te werken. En om te werken heb ik schaduw nodig.

‘Ik zal je laten zien hoe kinderachtig ik te werk ga.’ Hij pakt een exemplaar van zijn boek erbij. Onder elk gedicht staan met een zwarte pen nieuwe regels geschreven. ‘Zodra ik een boekje uit heb, denk ik alweer aan een volgend boekje. En dan begin ik dus in die oude bundel aan een nieuwe.’

Je goede vriend Cees Pons vertelde over een optreden van jullie tijdens de Nacht van de Poëzie, begin jaren negentig. Je was daar de hele avond zo nerveus voor dat je op een gegeven moment voor hem stond in je grijze regenjas. ‘Ik ga er vandoor’, zei je.

Lacht. ‘Cees had volgens mij een kalmeringsmiddel bij zich, dat heb ik toen ingenomen. Dit soort dingen deed ik ook toen ik met Hans Dorrestijn op theatertour was. ‘Laten we nou eens een keer niet gaan’, zei ik dan tegen Hans. ‘Gewoon een keer niet komen opdagen, dat moet je ook een keer doen!’ Daarvan heb ik hem één keer kunnen overtuigen.

‘Ik heb de vervelende beheptheid dat ik soms in paniek kan raken voor een optreden. En dan zou ik zomaar weg kunnen lopen als niemand me in mijn nekvel pakt. Niet omdat ik dat wil, maar het is pure angst.’

Om af te gaan?

‘Ongetwijfeld. Nu heb ik een vriend die meegaat naar mijn optredens. Hoofd verkoop noem ik hem, hij heet Johan. Af en toe verkoopt hij een boekje, maar het is ook goed dat hij erbij is voor het geval ik geestelijk zou inzakken. En ik vind het fijn dat-ie er is. Na zoveel jaar alles alleen doen, is het een zwakte van de ouderdom dat ik die congenialiteit om me heen wil hebben.’

Je vriendin Katrin zei dat ze pas een half jaar ná jullie eerste ontmoeting hoorde van het bestaan van Lévi Weemoedt.

‘Ik vond het leuk dat ze Lévi Weemoedt niet kende. Ik heb nooit zo’n behoefte over het schrijverschap te praten. Ik hou niet zo van boekenmensen of van cultuur. Uit verveling naar een museum gaan, zal ik niet zo gauw doen. Nog eerder vóór de verveling. De importantie die sommige mensen aan cultuur geven, als een soort substituut voor de godsdienst, het op je knieën liggen voor kunst, daar word ik niet goed van. Waarom ga je in Assen wonen, vroegen mensen toen ik hierheen verhuisde. Ik zei: nou, daar is geen cultuur. Onzin, want er is wel cultuur, cultuur ligt op straat. Alles wat je om je heen ziet, is cultuur.’

Ter kennismaking gaf je Katrin Acte van verlating, de verhalenbundel uit 1988 waarin je schrijft hoe jouw moeder haar gezin verliet en jij je vrouw en oudste zoon.

‘Ik heb nogal een vervelende jeugd gehad, met een geestelijk rare moeder en een driftige vader. Ze maakten veel ruzie. Daarom kwam ik al jong terecht bij mijn oom en tante, die achter ons woonden. Thuis had ik niet veel geluk, maar daar was harmonie en liefde.

‘Acte van verlating is geschreven in een allerbelabberdste periode. Ik had last van het verleden en ging ook nog scheiden. Voor het eerst in mijn leven vond ik dat ik mezelf schrijver kon noemen. Wanneer noem je jezelf een schrijver? Nou, dan moet er heel wat gebeuren hoor!’

Is dat zo?

‘Túúrlijk! Toen ik in die ellendige tijd toch iets zinnigs op papier had gekregen, vond ik dat ik mezelf wel schrijver kon noemen. De mensen door wie ik gevormd ben, zijn kritisch op zichzelf, dus het is niet gauw goed. Dat is ook de reden waarom ik in mijn net verschenen bundel die nieuwe versjes schrijf: het is niet gauw goed, het moet beter.’ Stilte. ‘Het moet altijd beter, en dan ga je dood.’ Lacht weer.

Waarom gaf je juist dat boekje aan Katrin?

‘De pijn en de ellende uit dat boekje zitten in mijn ziel. Toen Katrin en ik elkaar troffen, zat zij middenin de misère van een vechtscheiding. Ze is zó belabberd behandeld, zó genegeerd als mens. Vreselijk, vreselijk, vreselijk. Ik ken het lijden aan soortgelijke dingen ook, dacht ik, lees dat maar eens. Ik sta natuurlijk bekend als humoristisch schrijver, en het is ook niet onleuk, dat boekje, maar het is toch ook droevig.’

‘Ik heb een goed leven gehad, met harde dingen, maar ook met heel mooie dingen.’ Beeld Gerard Wessel

Met zijn eerste vrouw Karin was Lévi Weemoedt twee keer getrouwd. Ze kregen twee zoons, die 11 en 21 waren toen hun moeder zestien jaar geleden een einde aan haar leven maakte. Daarna verscheen de schrijver een tijd nog maar weinig in het openbaar. ‘Een heel lieve, mooie, bijzondere, opvallende vrouw van wie ik hartstikke veel hield’, zo omschrijft hij haar. ‘Ik werd verrast door haar dood, maar ik kan niet beweren dat het onverwacht was. Ze was manisch-depressief, voor zover een etiket iets zegt over onze geestelijke bijzonderheden. Diep in mijn hart heb ik altijd geweten dat ze geen blijver was.’

Hadden jullie het daar samen weleens over?

‘Jawel. We waren verwant in dat gevoel, de depressiviteit, het gevoel er soms niet meer te willen zijn. En dat was ook een plezier, hoor. Want alle grappen, alle galgenhumor konden we bij elkaar kwijt. We hadden een deal: wij kunnen de kinderen en elkaar niet in de steek laten, dat doen we niet. Maar er zijn machten en krachten die sterker zijn dan dat. Karins zelfmoord is lang een onbespreekbare zaak voor mij geweest. Ik heb er zestien jaar lang over gezwegen. Ik weet niet of ze het goed vindt als ik erover praat, redeneerde ik, en de doden hebben ook een stem. Maar langzamerhand merkte ik dat iedereen er wel van op de hoogte was en het heeft iets absurds om te zwijgen over iets wat iedereen weet.

‘Mijn zwager, Karins halfbroer, was een junkie. Hij heeft ook zelfmoord gepleegd. Ik heb samen met een rechercheur zijn papieren rotzooi opgeruimd en mij erover verbaasd hoeveel instanties gewoon blijven doorschrijven terwijl je allang niet meer bestaat.

‘Op deze manier gaan er heel wat elk jaar, en al die mensen zijn bekenden van me. Als ik hoor van iemands zelfmoord, komt dat binnen alsof diegene familie is. Raar is dat. Je herkent het gevoel, en je rouwt weer.’

Wat gebeurde met jou, de eerste periode na haar dood?

‘Ik heb eens een getuigenis gehoord van een man die zijn geliefde verloor bij de terroristische aanslagen in Madrid in 2004. Je bent weer als een kind, zei hij, je moet alles opnieuw leren. Dat klopt. Ik had de plicht voor de jongens te zorgen. Voor mij was het erg, zeker, maar voor de kinderen is het duizend keer zo erg geweest. Dat heb ik altijd voor ogen gehouden. En misschien heeft het me ook wel op de been gehouden.’

Je vriend Frans Don is twaalf jaar lang elke dinsdagavond bij je geweest.

‘Hij was pastor in de bajes in Veenhuizen toen ik leraar was in de bajes van Hoogeveen. We waren een soort collega’s. Met dat baantje was ik al voor de dood van mijn vrouw begonnen, gelukkig. Want waar kun je na zo’n trieste gebeurtenis beter werken dan op een plaats waar droefenis heerst en toch ook humor door de gangen waart, als je dat zelf een beetje kunt veroorzaken? Het is het mooiste baantje dat ik ooit gehad heb.’

Wat was er zo aantrekkelijk aan?

‘De eenzaamheid, altijd weer de eenzaamheid van mensen. Hoe stoer en hoe groot ze zich soms ook voordoen. Ik probeerde de jongens te geven wat ze nodig hadden: troost, hier en daar wat praktische hulp, een beetje vertrouwen in de mensen, een beetje lol, iets om te leren, een vaardigheid.

‘Die jongens wisten ook dat ik niet veel geld had. En ik mocht niks van ze aannemen, maar soms namen ze zomaar een broek voor me mee. Of ze wilden een nieuwe vrouw voor me regelen. Dat vond ik lief.

‘Na de dood van Karin ben ik te snel weer aan het werk gegaan. Op vrijdag ging ik naar huis en een bewaarder die ik goed kende, wenste me een prettig weekend. Bij het horen van ‘prettig weekend’ werd alles zwart. Tot de bushalte redde ik het, toen kwam de paniek, het zweten. Ik heb twee bussen voorbij laten gaan en ben uiteindelijk thuis gekomen. Toen wist ik dat ik het nog niet aankon, dat het te vroeg was.’

Ging het schrijven ondertussen wel door?

‘Het schrijven is altijd doorgegaan, al hoefde het van mij niet meer voor publiek. Sinds dat rare boekje Acte van verlating wist ik al dat ik altijd zou kunnen schrijven, en ook de behoefte daaraan zou hebben.

‘Iets samenhangends lukte niet op dat moment, het bleef bij losse observaties en zinnen. Eén notitie uit die periode kan ik me herinneren. Zij was dood, en ik kon haar niet meer vragen wat voor kleren ik aan moest voor haar begrafenis. Door dat op te schrijven, realiseerde ik me hoe raar dat was, en hoezeer ik het nog niet besefte.

‘Dat je zelf ook sterft als een geliefde sterft, is duidelijk. Je bent bang dat er nog weinig van je over is. Dat ga je je ook afvragen: wat is er níét dood? Wat kan ik nog? Vandaar dat ik zo snel weer aan de slag wilde in de gevangenis. Dát kon ik tenminste nog, dacht ik. Frans zegt, in die pastorale termen van hem: broeder, je was dood, maar je bent weer levend geworden.’

En toen moest je bijna-doodervaring nog komen.

‘Heeft Frans je dat leuke verhaal verteld? Ik moest in 2014 een openhartoperatie ondergaan met weet ik hoeveel bypasses, in Groningen. Ik had Frans opgegeven als contactpersoon, als ‘nabestaande’, zonder dat hij het wist, dat was een beetje onhandig van mij.

‘Van tevoren had ik tegen wat mensen om me heen gezegd: luister, ik heb misschien een beroerd imago, maar je moet nooit van mij denken dat ik een rotleven heb gehad. Ik heb een goed leven gehad, met harde dingen, maar ook met heel mooie dingen.’

Een soort afscheidswoord?

‘Ja. Ik was bezorgd dat als ik het niet zou overleven, ze zich mij zouden herinneren als een zielepoot. Die Weemoedt, altijd maar ellende gehad, dat lees je in z’n boeken. Dat is dus niet waar. Ik heb ook wel meer geschreven dan alleen gedichtjes, en bovendien zijn die gedichtjes ook niet zo vreselijk somber hoor, vind ik zelf tenminste.

‘Maar Frans werd dus gebeld: ‘Meneer Don, u bent degene die contactpersoon is, hij is geopereerd, operatie geslaagd.’ Bon, denkt meneer Don. Maar ik lag op de intensive care, waar even later bleek dat een cruciale nieuwe ader te strak aangetrokken was, of wat dan ook. Het was in ieder geval al in een gevaarlijk stadium en ik moest onmiddellijk opnieuw geopereerd worden. Dat zou de hele nacht duren. Frans werd weer gebeld. De verpleegkundige vertelde er eerlijk bij dat het misschien niet goed zou komen en stelde de vraag: wilt u dat we bellen na afloop van de operatie of zegt u van nou, bel morgen maar? Nou, antwoordde Frans, bel morgen maar. ‘Ja’, zei hij later tegen mij, ‘want dan ben je tóch al dood! Kan ik nog wat slapen!’ Daar kan ik dus zó verschrikkelijk om lachen, dat vind ik zó leuk.’

Verder viel er vast weinig te lachen, in je eentje in dat ziekenhuis.

‘Nee! Ik kon op een gegeven moment ook niet meer tegen dat Gronings. Daar werd ik zo verschrikkelijk triest van. Terwijl ik alle talen en dialecten leuk vind. Het had ook niks met Gronings te maken, ik had een delier, had te veel morfine gekregen, zag dingen die er niet waren. Als je acht paracetamol per dag en geen morfine meer krijgt omdat je dan nóg gekker wordt, dan is de pijn na zo’n operatie bijna ondraaglijk. Maar het is goed dat ik die pijn ken, want daardoor kan ik de huidige pijn in mijn rug behoorlijk relativeren.’

Je hebt onevenredig veel ellende op je bord gehad, zeggen je vrienden, maar je bent er niet minder optimistisch door geworden.

‘Ik heb echt wel pijn geleden, maar ik heb er zo’n hekel aan erover te klagen. Je moet maar denken: een ander heeft misschien nog meer pijn gehad, nog meer dood in z’n leven. Als je je afvraagt: waarom ik, dan moet je ook zeggen: en waarom die ander dan?

‘Als ik down ben, trek ik me terug. Ik ga niet de omgeving verpesten met mijn downheid. Ik heb ook altijd tegen het publiek gezegd: ik heb er een hekel aan om depressiviteit uit te venten. Ik maak er niet graag reclame voor.

‘We kunnen wel emmeren over de slechte jeugd die we hebben gehad, die slechte vrouw of die slechte man, maar ik geloof niet dat daardoor depressieve gevoelens verdwijnen. Ik heb mijn duistere kant moeten accepteren als een kant die soms een korte periode veroorzaakt waarin ik eigenlijk ‘gemeenschapsongeschikt’ ben. Vroeger, vóór mijn tijd in de bajes, had je daar een afdeling voor gemeenschapsongeschikten. Prachtige term, maar wel heel pijnlijk voor de jongens toen.’

Vorige week had hij sinds lange tijd weer iets dat hij omschrijft als ‘kortsluiting in mijn hoofd’. Het gebeurde na twee interviews en lange signeersessies, eerst in Groningen, daarna in Assen. ‘Boekhandel Van der Velde zat stampvol, buiten stond een rij. Die avond keek ik om half tien op, opeens was de hele zaak leeg. En kort was er een grote paniek, een plotselinge impuls waardoor je uit het leven zou kunnen stappen. Je wilt niets meer, behalve er niet meer zijn. Een doodswens, heel even.

‘Gelukkig kwam toen een meisje dat ik bijles Latijn had gegeven met haar moeder naar me toe. Ze vroegen me mee te gaan naar Hotel de Jonge, om wat te gaan drinken. Daar heb ik een gezellig glas wijn gedronken en toen ging het weer.

‘Ik schrok van het moment, omdat ik die leegte al zo lang niet meer had gevoeld. Gek hè? Het is toch allemaal leuk en goed en aardig wat mij nu overkomt, de mensen zijn hartstikke lief. Man, je bent spekkoper, denk ik, en dan gebeurt zoiets. Dat blijft moeilijk te verklaren.’

Dan veert hij op: ‘Kom op, we gaan wat doen! Zullen we gaan lunchen? En ga je daarna nog even mee naar Katrin? Wacht, ik laat je eerst mijn werkkamer zien.’

Hij gaat voor op de trap. ‘Het kan een beetje stinken, want er zit een kat die in de laatste fase van z’n leven is. Charlie is 26 en gaat nu dingen doen als plassen op de vloerbedekking. Gisteren kakte hij op mijn dekbed en ging hij er gewoon naast liggen. Ik moet er iets aan doen, heb ik vannacht bedacht, want het duurt niet lang meer of het wordt kat-onwaardig.’

Tijdens de lunch in Hotel de Jonge in het centrum van Assen gaat het over zijn zoons, inmiddels 27 en 37. De oudste woont in Bangkok en wil geen contact met zijn vader, de jongste is een ander, ingewikkeld verhaal. Hij heeft hem beloofd dat verhaal niet in interviews uit de doeken te doen. ‘Dingen over hem vertellen betekent prijsgeven waar hij nu is, wat voor leven hij nu leidt, en daar wordt hij boos om. Het contact met hem is broos, dat wil ik niet beschadigen.’

Ze hebben hem het overlijden van hun moeder verweten, zegt hij. En in het algemeen is dit wat hij erover kan zeggen: ‘Haar dood heeft een gezinsleven verwoest, mensen uit elkaar geslagen die normaliter niet uit elkaar waren geweest. Een kind kan zo uit het lood raken dat-ie zijn bestemming niet meer vindt. Een lieve, zachte, creatieve jongen van 11 is uit zijn baan geschoten, en hij zal nooit meer aankomen waar hij eigenlijk op af ging.’

Wanneer heb je de oudste voor het laatst gesproken?

‘Toen ik geopereerd werd in 2014 zei een overbuurvrouw: ‘Je gaat misschien de pijp uit, dus misschien moet je je zoon in Bangkok inlichten.’ Ik heb haar toen zijn mailadres gegeven en na een bericht van haar belde hij me iedere dag. Ie-de-re dag! En zodra ik thuis was uit het ziekenhuis stopten die telefoontjes weer.

‘Ik heb vaak pogingen gedaan het contact te herstellen, maar hij wil het kennelijk niet. Op een gegeven moment moet je ook proberen een eigen leven te houden. Je kunt je echt verliezen in zo’n situatie. En ik heb toch al de neiging veel meer aandacht in mensen te stoppen dan in mijn gedichtjes of wat dan ook.’

Onderweg naar de bovenwoning van zijn vriendin Katrin, iets verderop, vertelt hij hoe fijn hij het vindt om vaderlijke dingen te ondernemen met Sascha, haar 14-jarige dochter. Hij geeft haar bijles en iedere avond maken ze een wandeling. ‘De opleving van de Rutte-economie gaat aan hen voorbij. Je mag best weten, alle kleren en schoenen die wij dragen komen van Het Goed, de kringloopwinkel. Zaterdag is onze uitgaansdag. Zo noemen we het. Maar wat we dan doen is thuisblijven, met de honden het bos in en lekker koken. Dat kleine geluk is ons grote geluk. Voor hetzelfde geld waren we kankeraars geworden omdat we door geldgebrek nergens naartoe kunnen of omdat we Sascha dit of dat niet kunnen geven. Ik ben echt dol op die twee. En nu krijg ik met dat gekke boekje ook nog een geschenk waar ik helemaal niet om heb gevraagd.’

Toen ik Katrin vroeg wat ze zo leuk aan jou vindt, zei ze: ‘Ies is een heel bescheiden, simpel mannetje.’

Hij begint te glunderen en te lachen. ‘Ja, dat is wel zo. En vooral simpel. Oh, dat vind ik héél goed van die Ossi, dat ze dat zo gezegd heeft. Een heel bescheiden, simpel mannetje. Wat zou ik nog meer moeten zijn?’

CV Lévi Weemoedt

pseudoniem van Izaäk (Ies) Jacobus van Wijk

22 oktober 1948 geboren in Vlaardingen.

1967-1974 Nederlandse Taal- en letterkunde, Leiden.

1976-1979 redacteur Propria Cures.

1971-1984 leraar Nederlands in Vlaardingen.

1985 Circus Horlepiep, theatervoorstelling met Hans Dorrestijn.

2000-2008 leraar in PI Grittenborgh in Hoogeveen.

Poëzie (o.m.):

1977 debuteert met Geduldig lijden

1978 Geen bloemen

1981 Zand erover

1987 Liedjes van Welzijn, Volksgezondheid & Cultuur

1999 Rijk verleden

2014 Met enige vertraging

2018 Pessimisme kun je leren!

Proza (o.m.):

1980 Bedroefd maar dankbaar

1986 De ziekte van Lodesteijn

1988 Acte van verlating

1991 Halte Tranendal

1992 Ken uw Klassieken!

1995 Overal wat

1999 Ons soort mensen

Lévi Weemoedt woont in Assen. Hij is weduwnaar van Karin Versendaal, met wie hij in 1980 en in 1989 trouwde en met wie hij twee zoons heeft. Sinds twee jaar heeft hij een relatie met Katrin Pesek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden