Wat deed ik daar ontzettend schamper over

In 1993 waarschuwde een belangrijke Servische intellectueel Frank Westerman voor het oprukkende moslimfundamentalisme. Heeft de geschiedenis deze Serviër gelijk gegeven, vraagt Westerman zich nu af....

Zwolle, februari 2006. Een witgesausd theaterzaaltje met op het podium een tafel en twee stoelen in talkshow-opstelling. Karafje water, microfoons.

Een neerlandica ondervraagt mij over mijn werk. Ze heet Gerda, het is de eerste keer dat ze zoiets doet en ze heeft zich, getuige haar A4’tjes, grondig voorbereid. Bij onze kennismaking in het aangrenzende café, hebben we afgesproken elkaar te tutoyeren. ‘En o ja’, had Gerda gezegd, ‘als er tijd genoeg is wil ik je straks ook iets vragen over je debuut.’

Ondanks de aankondiging laat ik me totaal verrassen. Wanneer de interviewster De brug over de Tara tevoorschijn haalt, zijn we zeker driekwartier op streek. De zaal ruikt koffie en schuifelt.

‘Op bladzijde 125 citeer je de voorzitter van de Matica Srpska, en dat is, begrijp ik, een oud en voornaam instituut van Servische intellectuelen.’ Ze vouwt het boek open en trekt een markeerbriefje los. ‘Die keurige heer waarschuwt voor ‘‘het zwaard van de islam’’ dat volgens hem via Turkije, Kosovo en Bosnië tot in het hart van Europa aan het doordringen is. Hij vraagt jou hoeveel Turken er in Nederland wonen, hoeveel Bosnische vluchtelingen wij hebben opgenomen, om jou te laten beseffen dat Europa door moslims wordt overspoeld.’ Gerda haakt haar krullen achter een oor en kijkt me aan. ‘Het is dan 1993, jij wordt gewaarschuwd voor de fundamentalistische islam, en daar doe je ontzettend schamper over. Wat ik me nou afvroeg: zou je daar nu, twaalf jaar later, nog net zo op reageren?’

Ik buig iets naar voren. Steunend op mijn ellebogen vertel ik dat ik die voorzitter van de Matica Srpska nog wel eens voor me zie, met de gedecideerde manier waarop hij de rook van zijn dunne sigaartje uitblies.

‘Laat ik het anders zeggen’, valt mijn gesprekspartner me in de rede. ‘Zou je niet gewoon moeten toegeven, gezien 11/9 en de moord op Theo van Gogh, dat die Servische denkers visionairs waren?’

‘Nee, dat denk ik niet.’

‘Waarom niet?’

Ik moet iets hebben gezegd over de aard van de Balkan-moslims die nu eenmaal niets moeten hebben van burqa’s en die, zo ze al gelovig zijn, de lichtste variant van de islam belijden. Dat soort dingen.

In de trein terug bleef Gerda’s vraag door mijn hoofd spoken, en ook de dagen daarna. Ik las het verslag van mijn bezoek aan de Matica Srpska er nog eens op na. Het kwam erop neer dat deze statige denktank de oorlogshandelingen van Slobodan Milo*evic legitimeerde met het argument dat hij de Servisch-orthodoxe bevolking in Bosnië probeerde te behoeden voor een nieuwe onderwerping aan de islam. Vroeger al, onder het Turks-Ottomaanse juk, had een christen op de Balkan moeten buigen voor een moslim – ‘zover was het toen gekomen’ – en nu zouden Milo*evic, Mladic en Karadzic een rechtvaardige strijd leveren om te voorkomen dat de geschiedenis zich zou herhalen. Sterker: zij vochten in het belang van heel Europa, tégen de oprukkende invloed van Teheran, maar Europa had een blinde vlek voor het islamitische gevaar.

Ik besefte dat deze Servische onheilsprofeten – geen dronken soldaten, maar dichters en filosofen – een serieuzer weerwoord verdienden. Sinds de door Al Qa’ida geïnspireerde aanslagen ook Madrid en Londen hadden bereikt, kon je niet meer lacherig doen over de Matica Srpska-denkers, die kennelijk meer dan tien jaar terug al zagen aankomen dat moslims in heel Europa in de ban konden raken van de strengste ayatollahs en imams.

Maar waarom was ik er dan toch van overtuigd dat de theorieën van de Matica Srpska niet deugden, toen niet en nu niet?

Op zoek naar antwoorden begon ik mijn Balkan-artikelen uit die tijd door te spitten. Klopte het wel dat de moslims die ik als correspondent van de Volkskrant in Kosovo en Bosnië was tegengekomen zo redelijk en verdraagzaam waren als ik mij herinnerde? Reizend in een rode Peugeot met PRESS op de portieren was ik samen met twee Britse collega’s door het vrijwel compleet omsingelde midden-Bosnië getrokken. We hadden daar strijders gezien met doorzwete haarbanden die Allah-u-akbar roepend de berghelling afstormden – en mijn vraag was nu: hadden zij niet toch voor de invoering van de sharia gevochten? Was ik getuige geweest van een ontluikend islamitisch fundamentalisme op Europese bodem zonder het werkelijk te (willen) zien?

Ik bekeek de knipsels uit mijn ladekast. Tuzla, dinsdag 24 augustus 1993 – Noem je haar moslim, dan wordt ze kwaad. ‘Ik heb nog nooit een moskee van binnen gezien’, zegt Maida Beglasic, de 23-jarige dochter van de burgemeester van Tuzla. ‘Alleen die keer op vakantie in Istanbul.’

Voor de zoveelste keer verft ze haar lippen. ‘Wij zijn geen moslimfundamentalisten, maar als Europa ons niet wil helpen, ook goed. Dan koop ik geen make-up meer, geen oorbellen maar een wapen en sluit me aan bij de mujahedin.’ Maida is niet te stuiten. ‘Ik zal me tot het laatst toe verzetten tegen een islamitische staat in Bosnië, al was het alleen maar omdat ik niet in lange rokken wil rondlopen. Als het er toch van komt dat ik met m’n gezicht naar Mekka kniel, dan heeft Europa dat op zijn geweten.’ Maida is Bosnische. Punt. Ook al staat ze in haar paspoort als moslim vermeld.

Een ander knipsel, van vier dagen later: ‘Mujahedin nemen Zenica stap voor stap over’. Ik schrok van de feiten die ik toen had opgetekend.

Zenica, net als Tuzla een multi-etnische industriestad, blijkt die dagen te worden geterroriseerd door de 7e Muslimanska Brigada. Dat is een bende huurlingen of vrijwilligers uit Oman, Algerije, Tunesië en Turkije; mannen met baarden en kalasjnikovs die alleen Allah als hun commandant erkennen. Ze schieten varkens af en molesteren mondaine, zomers geklede vrouwen die verkoeling zoeken bij de rivier de Bosna. Een kapelaan en een non zijn door een paar van deze lieden uitgekleed, gekneveld en ‘beplast’. Het hoofdkwartier van deze Muslimanska Brigada, dat op papier een officieel onderdeel is van het Bosnische leger, zetelt in de muziekschool tegenover het stadhuis en is te herkennen aan een groene vlag met koranteksten in het Arabisch. Het gerucht wil dat er in de kelder gevangenen worden gehouden en ‘ondervraagd’, maar het is ondoenlijk om dat te verifiëren. De leden van de Muslimanska Brigada, waaronder ook werkloze jongens en staalarbeiders uit Zenica, geven geen interviews. In plaats daarvan delen ze boekjes uit, gedrukt in Teheran, waarin Amerika ‘de grootste vijand van de islam’ heet.

Ik schreef: ‘Uit angst voor de fundamentalisten veilen duizenden Serviërs en Kroaten hun huisraad. Biljana, apotheker, heeft haar polaroidcamera (20 mark) en haar fornuis (70 mark) uitgestald. Zij wil naar Scandinavië. ‘‘Voordat hier een islamitische staat is gesticht’’, zegt ze.’

De Servische en Kroatische minderheden in Zenica willen massaal vertrekken, maar mógen dat niet, want er is een verordening van kracht die niet-moslims het recht op reizen ontzegt. Alleen met Duitse marken, veel Duitse marken, kom je langs de controleposten.

De (moslim)burgemeester van Zenica reageert als gebeten wanneer we hem naar het waarom van deze gehate verordening vragen. Zou hij de Serviërs en Kroaten laten gaan, zegt hij, dan stonden journalisten als wij klaar om hem te beschuldigen van een etnische schoonmaak. Hij moet de multi-etnische staat wel in stand houden, kwaadschiks, anders verspeelt hij de morele steun van het Westen. En ook hij zegt, net als Maida uit Tuzla, dat áls het misgaat, áls de mujahedin hun zin krijgen en een islamitische staat in Bosnië weten te stichten, dan is dat de schuld van ‘de afgeleefde hoer Europa’.

Het was jaren later in Moskou dat ik voor het eerst weer terugdacht aan het gedachtegoed van de Matica Srpska. In Rusland hoorde je alle rechtvaardigingen en excuses voor de Balkan-oorlog weerkaatsen tegen de wanden van de Kaukasus.

Als zoveel collega’s verruilde ik standplaats Belgrado in de loop van de jaren negentig voor Moskou. Toen ik er in 1997 arriveerde waren de Russen, ook niet voor de eerste keer, in oorlog met een ander islamitisch volk, de Tsjetsjenen. Hoewel je boeken zou kunnen vullen over de verschillen tussen dit conflict en de eeuwenoude vete tussen de Serviërs en de Balkan-moslims, sprongen de overeenkomsten meteen in het oog. Beide oorlogshaarden waren opgelaaid na het instorten van een rigide, a-religieuze eenpartijstaat. Onder de benauwende deken van het communisme – die zowel de Balkan als de Kaukasus bedekte – was nationalisme taboe en ‘broederschap der volkeren’ de norm. Zodra die leer had afgedaan, sloeg de slinger door naar een nationalistisch reveil, al dan niet aangewakkerd door demagogen. Veel Serviërs en Russen zochten weer houvast bij het orthodoxe christendom, terwijl de Tsjetsjenen, en ook de Bosnische moslims, konden terugvallen op de islam. De moskeeën werden weer bezocht, maar niemand leek zich te willen onderwerpen aan al te strenge kledingvoorschriften of leefregels als een verbod op het drinken van alcohol. In ieder geval had de politieke islam in geen van beide gebieden een voet aan de grond, maar de oorlog zou daar verandering in brengen.

Anders dan in Belgrado, waar Slobodan Milo*evic sinds de val van het communisme alle macht naar zich had toegetrokken, zetelde er in Moskou in de jaren negentig geen sterke man. Die kwam pas in het najaar van 1999 bovendrijven, toen de entourage van de zieltogende president Jeltsin een kroonprins had gevonden in de persoon van Vladimir Poetin. Deze oud-KGB-’er vestigde zijn populariteit over de ruggen van de Tsjetsjenen, die voor dat doel moesten worden gedemoniseerd als moslimfanaten van de wreedste categorie.

Poetin besloot de onneembaar gebleken hoofdstad Grozny ditmaal van de kaart te bombarderen, en om die misdaad te rechtvaardigen werden er op strak geregisseerde persconferenties een stroom bewijzen getoond van de betrokkenheid van de Taliban en het nog vrijwel onbekende Al Qa’ida-terreurnetwerk.

De claims van de Russen vielen niet uit de eerste hand te bevestigen of te weerleggen, want wie als niet-Tsjetsjeen een stap op Tsjetsjeens grondgebied zette, was op slag een gijzelprooi. Of je nu hulpverlener, bemiddelaar of journalist was, als er geen losgeld werd betaald verloor je eerst een vingerkootje en dan je hoofd. De ontvoeringsvideo’s van smekende Westerlingen en middeleeuws aandoende executies waren voor het Kremlin hét bewijs voor de religieuze waanzin van de ‘jihad-strijders’ die ze zeiden te bestrijden. En het was waar dat er zulke kidnapbendes rondliepen, en dat bijvoorbeeld de invloed van een zekere Chattab, een Syrische krijgsheer met een uitgesproken moslimfundamentalistische agenda, met de dag toenam – zoals het ook waar was dat de 7e Muslimanska Brigada in de nazomer van 1993 terreur had lopen zaaien in de Bosnische stad Zenica.

Maar onder de bevolking bestond er nauwelijks begrip en nog minder sympathie voor extremisten die met de Taliban dweepten, niet in de Balkan en niet in de Kaukasus.

En toen kwam 11/9. Vanuit Russisch perspectief: het gelijk van Poetin.

Het gaf hem de legitimatie en daarmee de vrije hand om zijn leger te laten doorbeuken, waarna er iets gebeurde wat in Bosnië nooit was gebeurd: Tsjetsjenië werd binnen een jaar inderdaad een gevreesd nest van aanslagplegers die zich beriepen op de koran – compleet met martelaren die vooraf hun testament opmaakten. De oorlogspropaganda van Poetin was werkelijkheid geworden: in de herfst van 2002 bestormden Tsjetsjeense zelfmoordterroristen een theater in Moskou. In 2004 volgde het nog gruwelijker drama in de school in Beslan.

Waarom was het op de Balkan nooit zover gekomen?

Dat kwam níet omdat Milo*evic, Mladic en Karadzic milder of gematigder zouden zijn dan Poetin, ze waren juist meedogenlozer. De vooraf geplande massaslachting van Srebrenica deed niet onder voor het systematische bombardement van Grozny vijf jaar later.

Het grote en, denk ik, doorslaggevende verschil is dat er net op tijd van buitenaf een einde is gemaakt aan de oorlog in Bosnië. De Servische leiders, en hun morele steunpilaren van de Matica Srpska met hen, zijn uiteindelijk net op tijd afgestopt door het grote NAVO-bombardement van 1995. Anders gezegd, hoeveel verder hadden Milo*evic, Mladic en Karadzic na de executie van duizenden mannen van Srebrenica nog moeten gaan voordat een deel van de Bosnische moslims zou zijn geradicaliseerd?

Eigenlijk, zo realiseerde ik me, was dat wat ik op dat podium in Zwolle had willen antwoorden: dat het schijnbare gelijk van de Matica Srpska in wezen een selffulfilling prophecy was. Het deftige instituut was als Frankensteins laboratorium dat in alle toonaarden waarschuwde voor een monster dat het zelf mede aan het creëren was - en dat op een haar na tot leven was gewekt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden