Wanhopig op zoek naar God of zoiets

Rituelen, leefregels, religieuze instituten: in Rotterdam wordt aan alles getwijfeld. Opvallend is dat vooral vrouwen, verspreid over de hele wereld, de levensvragen stellen....

Dat het nou uitgerekend Christine moet zijn. Die kwam naar Lourdes omdat het nu eenmaal de makkelijkste manier is om er als rolstoeler even tussenuit te knijpen. Het was haar eerste keer. Ze was bovendien meer bezig met die knappe begeleider dan met de reiniging van haar ziel.

En zij is het die nu opeens voorzichtige pasjes buiten de rolstoel maakt en later, hup, met de beentjes van de vloer gaat. Door een wonder genezen. Dat kan toch niet waar zijn?

In Lourdes speelt de Oostenrijkse regisseur Jessica Hausner met het idee dat religie, in al haar ingewikkeldheid theoretisch vrij eenvoudig is. Er bestaat een welwillende God. Wie zich niet aan Zijn wetten houdt, kan boete doen. Anders ligt geluk om de hoek. En als dat niet komt, wordt de gelovige op de proef gesteld, om wat voor reden dan ook.

De praktijk is uiteraard weerbarstiger en films zijn bij uitstek een manier om dat te onderzoeken. Dit jaar blijken Gods wegen in films als Bruno Dumonts Hadewijch en Eugene Greens The Portuguese Nun eens te meer ondoorgrondelijk.

Hausner noemt haar film zelfs ‘een wreed sprookje’. ‘Lourdes is een plaats waar wonderen nog bestaan, het is een plek die synoniem is geworden voor hoop, troost en herstel voor de wanhopigen en stervenden. Het komt me absurd voor dat mensen op het randje van de dood nog hopen op langdurig geluk.’

Dat levert een gekke groepsdynamiek op bij Hausner, die haar onderwerp benadert als een komedie met bittere ondertoon. Natuurlijk komen de pelgrims naar Lourdes omdat ze een wonder hopen te zien of, beter nog, te ervaren. Sterker: het bedevaartsoord dankt er zijn populariteit grotendeels aan. Maar dat blijft onuitgesproken. ‘God kan wonderen verrichten, maar alleen als we onze harten helemaal openzetten voor Hem’, is het cryptische antwoord van een pastoor op de vraag wat iemand moet doen voor genezing.

De bedevaartgangers krijgen wel een televisie-interview te zien met een genezen man, maar als een van de deelnemers droomt over een wonder, kapt de begeleidster het snel af. ‘We bidden voor de vergeving van de ziel, niet voor het lichaam.’

Dus wie zijn kansen bij God niet wil verprutsen, houdt zijn mond over fysieke motieven, luistert keurig naar de weesgegroetjes, staat geduldig in de rij voor baden en een kerkmis en probeert niet te hopen op dat waarvoor hij is gekomen.

Natuurlijk is het voor de keurige gelovigen onuitstaanbaar dat de niet-religieuze, jonge Christine degene is die van God een wederopstanding cadeau krijgt. De mond ervan vol, maar nu puntje bij paaltje is gekomen, kunnen ze Gods wil maar lastig verkroppen. ‘Ik gun het haar wel hoor’, zegt een vrouw. Om meteen erna te concluderen: ‘Ze ziet er helemaal niet zo vroom uit.’ Het is dan ook maar de vraag of de genezing wel permanent is. Waar dat dan aan ligt? ‘De manier waarop je de zaak intern verwerkt’, aldus meneer pastoor. ‘Men kan zich afvragen of jouw geloof hierdoor een nieuwe impuls krijgt en je zo als inspiratie kunt dienen voor alle christenen.’

Want er moet toch een bedoeling zijn, een hoger plan? Hausner laat zien hoe Christines miraculeuze genezing het geloof van haar reisgenoten aan de ene kant versterkt, maar tegelijkertijd doet wankelen. Als God zich niet houdt aan de ongeschreven gedragsregels, wat moeten zij dan?

FILOSOFISCH

Rituelen, leefregels, religieuze instituten: in de IFFR-films wordt aan alles getwijfeld. Neem het Mexicaanse Vaho. Hierin wordt een heftig passiespel opgevoerd: de volwassen mannen uit het stadje Iztapalapa spelen elk jaar de kruisgang van Jezus na. Maar wat betekent het eigenlijk: in de mozaïekvertelling is dan al gebleken dat deze mannen niet in staat zijn de boodschap van het verhaal te vertalen naar de dagelijkse realiteit, dat de drukkende schuld evenmin door het ritueel wordt weggewassen en van generatie op generatie wordt overgedragen. Hun ritueel bestaat uit holle handelingen – vergeving moet uit henzelf komen en niet van God.

Maar als bidden in Lourdes en meespelen in het passiespel de mens niet nader tot God brengt, waar moet je dan op zoek naar zingeving? Hoe dan te leven? Het is een vraag waarmee de films de religie overstijgen en filosofisch worden.

Opvallend is dat het vooral vrouwen zijn die deze vragen stellen – verspreid over de wereld en over de geschiedenis – en dat ze allemaal via een andere weg tot dezelfde conclusie komen.

De 40-jarige non Maria uit de Japanse Tijgerkandidaat Autumn Adagio begint zich – nu de blaadjes van de bomen vallen en haar vruchtbaarheid verdwijnt – af te vragen of ze iets gemist heeft, aan seks, aan passie, aan kinderen, aan liefde. De jonge Hadewijch uit de gelijknamige film van Bruno Dumont wordt uit het klooster gezet, omdat ze zichzelf te veel verliest in haar verlangen nader tot God te komen. Ze moest maar eens wat van het echte leven proeven, vindt moeder-overste. ‘Je verwart abstinentie met martelaarschap.’ In The Portugese Nun heeft de actrice Julie juist genoeg van de korte avontuurtjes en de vleselijke lusten. Er moet iets meer zijn, maar wat?

Voor Maria en Julie blijkt het antwoord dichterbij dan gedacht. Door mensen te helpen en liefde te geven, worden ze een beter mens. In elk geval komen ze door midden in het leven te staan dichter tot God dan ze in afzondering ooit waren.

Autumn Adagio en The Portugese Nun zijn aldus positieve schetsen van de mens, wiens zoektocht naar zingeving wordt beloond. Groot is het verschil met het negatieve Vaho, dat de titel ontleent aan een Mayamythe. Om te zorgen dat de mensen nooit sterker zouden zijn dan de goden, werd hun blik vertroebeld – de mensen zullen nooit meer de dingen begrijpen die zij eerder wel snapten.

Op zo’n moment worden religieus getinte films prikkelender. Wanneer goed en kwaad niet meer makkelijk te onderscheiden zijn, wanneer filmmakers antwoorden openlaten of vragen stellen die een actueel of maatschappelijk probleem aansnijden.

Zo blijft Hausner met haar Lourdes prettig op afstand. Jawel, het ene moment ziet Lourdes eruit als Disneyland voor rolstoelers en worden de rituelen in het bedevaartsoord ongeïnteresseerd uitgevoerd. Maar ook toont Hausner hoe noodzakelijk het is voor sommigen om vast te houden aan de hoop. En hoe het bedevaartsoord even de eenzaamheid van gehandicapten verlicht. Daarbij komt: die hele ‘waarom zij wel en ik niet’-vraag valt breder te interpreteren dan via wonderen alleen, en dat maakt het interessant.

Maar het is vooral Hadewijch die de kijker uiteindelijk een schimmig gebied voorschotelt. De 20-jarige novice, die de naam koos van de 13de-eeuwse mystica, gaat ook buiten de religieuze instellingen wanhopig op zoek naar God. Bruno Dumont legt een gewaagd maar interessant verband met het religieuze extremisme van nu, en stelt vragen over passie en opoffering die even kort door de bocht als intrigerend zijn.

Is Hadewijch naïef, of staat ze juist bewonderenswaardig open voor anderen? Betekent haar standvastigheid (‘Ik houd van God’, zegt ze als ze een vriendje afwijst) dat ze zichzelf inderdaad te veel verliest in het geloof, of juist dat ze het ware geloof, de ware goedheid vertegenwoordigt die in de seculiere samenleving niet meer wordt herkend? Wordt haar goedheid of haar naïviteit misbruikt, of is dat een typische hedendaagse westerse visie om te verdoezelen dat we echt religieus fanatisme niet (meer) begrijpen?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden