Columnpeter middendorp

Wandelend om een groot, nieuw idee de kans te geven, stuitte ik op een kudde eigenwijze schapen

null Beeld

Iedereen heeft een talent, merkte ik van de week weer eens. Het mijne is het uitzonderlijke vermogen om een enorme lap tekst – zeg de ruwe versie van een nieuwe roman – in al zijn tienduizenden elementen volkomen uit elkaar te denken. Het talent om de bruikbare deeltjes vervolgens weer aan elkaar te denken, liefst in een nieuw verband, zoemend van luister en betekenis, had er verdomd goed bij gepast.

Mokkend sloeg ik aan het wandelen, twijfelend aan beroep en bestaan. Wandelend ook om een groot, nieuw idee de kans te geven in een kalm-gewandeld brein te vallen – want dat doen ze, de ideeën, ze wachten met invallen tot je er niet op verdacht bent – stuitte ik even buiten de stad op een kudde eigenwijze schapen.

De kudde kwam van rechts, en moest rechtsaf, over het pad langs de weg, maar ging pontificaal de rotonde op, alle wegen, fietspaden en trottoirs blokkerend. Op de plek waar de kudde naartoe moest, een eind verderop, stond een hoofdherder keihard te schreeuwen. Ik kon hem niet verstaan, maar het was ook niet voor mij bedoeld. De schapen reageerden niet. Paniekerig zwaaiend met zijn armen rende een assistent-herder om de rotonde heen, maar ook zijn inspanningen bleven zonder resultaat.

Mensen stapten uit auto’s en van fietsen om te helpen, ook ik was bereid een handje toe te steken. ‘Je moet lawaai maken!’, riep de assistent. Maar wat roep je naar een schaap, wat is lawaai voor een schaap? Ik klapte in mijn handen en riep: ‘Heja! Heja!’ Dat leek me gepast. Twee schapen voegden zich bij de kudde, de kudde zelf bleef staan.

De hoofdherder hing moedeloos over zijn stok. De assistent rende om de kudde, struikelde over een stoeprand en belandde op zijn rugzak, armen en benen in de lucht. Een schaap dat op zijn rug ligt, moet je van onder de voorpoten op zijn kont hijsen, nooit op zijn zij draaien, anders drukt zijn gewicht zijn longen dicht, maar een herder kun je aan zijn handen optrekken; hij klopte zijn kleren af en ging verder met schreeuwen.

Eindelijk kwamen de schapen in beweging. Ik keek ze na en herinnerde me een eerdere mokkende fase, nog veel mokkender, en het bijbehorende, romantische verlangen naar een prikkelarm bestaan. Toen heb ik me weleens voorgesteld hoe het zou zijn om herder te zijn. Altijd buiten, altijd frisse lucht, altijd beweging, en zover je kunt kijken geen soortgenoot te zien.

Ik zag in die tijd zelfs eens een lonkende vacature. Maar toen ik me in de achtergronden verdiepte, ontdekte ik waarom ze geen nieuwe konden vinden. Het verloop was gigantisch. Er waren ruzies onderling, pesterijen, er was jaloezie, stress, overwerktheid, de goede herders gunden elkaar het licht in de ogen niet.

Als mensen me voordien vroegen: waarom schrijf je, haalde ik altijd mijn schouders op, maar sindsdien kan ik eerlijk antwoorden: omdat tegenwoordig zelfs schaapsherders met een burn-out thuiszitten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden