ColumnIbtihal Jadib

Waarom zie je bijna nooit volwassenen in een speeltuin dartelen?

Ibtihal Jadib Beeld
Ibtihal Jadib

Ik rende door de voetbalkooi achter de bal aan in een poging de bloedstollende wedstrijd te winnen, maar mijn zoontje was me te snel af. Dat wil zeggen: toen ik zijn gezicht met elk doelpunt tegen steeds verder had zien instorten, besloot ik de cursus Omgaan met tegenslag door te schuiven. Het moest wel gezellig blijven. Met kaarten heb ik ’m inmiddels zover dat hij een nederlaag kan incasseren zonder zich krijsend en stampvoetend te verliezen in tragedie, maar bij voetbal liggen de zaken nog precair. Zelf maakt het me geen zak uit wie er wint, ik ga op m’n vrije zondagmiddag toch enkel uit plichtsbesef naar de speeltuin. Liever nestel ik me thuis op de bank met een boek, thee en fleecedeken alleen het lezen schiet zo weinig op met een stuiterend jongetje ernaast. Zo’n beestje moet uitgelaten worden.

Dat is spijtig voor de half uitgelezen romans op m’n koffietafel, het voordeel is wel dat ik geen kans krijg een oud wijf te worden. Met kleine kinderen als excuus móét ik nou eenmaal in een schommel hangen, van een glijbaan roetsjen of voetballen, gezien de functievereisten van het ouderschap. (Alleen bij trampolines weiger ik dienst, dat is na twee bevallingen een onderneming die een vrouw beter achterwege kan laten.) Al dat noodgedwongen spelen brengt intussen een hoop lol met zich mee, waardoor ik me laatst afvroeg waarom een volwassene eigenlijk eerst kinderen moet krijgen om weer te mogen dartelen. Zo heb ik bijvoorbeeld nooit een man in zijn eentje blij door de speeltuin zien huppelen, en als ik er wel een zou tegenkomen zou ik direct de politie bellen. Toch zonde.

Afgelopen zondag bleek een groep mid-twintigers gelukkig lak te hebben aan het stilzwijgende speelverbod voor grote mensen. Terwijl ik met m’n zoontje in de voetbalkooi stond, kwamen vijf studentikoze types de speeltuin in. Niet om op een bankje te hangen met sigaretten en nonchalance, maar om serieus aan de slag te gaan op de speeltoestellen. Er werd geklommen en gesprongen, rondgedraaid en gejoeld, hun uitgelaten vrolijkheid was heerlijk. Wat leuk, dacht ik nog. Maar toen werd een van de dames uit de draaischijf geslingerd, waarbij ze met een doffe klap op haar hoofd terechtkwam. Zo’n groot lijf valt minder soepel en de afstand tot de grond is een behoorlijk stuk groter. Het zag er vreselijk uit, iedereen hield geschrokken de adem in. De vrouw kwam meteen overeind en probeerde naarstig te doen alsof er niets aan de hand was. Met een gezicht verwrongen van de pijn en stille tranen die razendsnel werden weggeveegd, liep ze dapper weg. Haar vrienden trippelden ongemakkelijk achter d’r aan. Gelukkig wisten ze precies wat hen te doen stond: achteloos om zich heen kijken en haar vooral níét gaan troosten.

Je kunt als volwassene wel ’ns gekscherend op een speeltoestel klimmen, maar wanneer je ervan af lazert, is brullend huilen van de pijn geen optie. Wat dat betreft zit het euvel niet zozeer in een speelverbod, als wel in een afgangvrees.

Mijn zoontje was ondertussen languit op de grond gaan liggen. Hij was moe en wilde even op adem komen, logisch. Ik was er het liefst naast gaan liggen, maar had geen zin om m’n kleren vies te maken. Nee, écht spelen, daarvoor moet je kind zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden