Waarom jonge mensen zo gebaat zijn bij positivisme

Hoogleraar pedagogiek Micha de Winter over hoop en opvoeding

Hoe het levenswerk van hoogleraar pedagogiek Micha de Winter (66) - een manier van opvoeden waarin hoop een centraal begrip is - direct verband houdt met de heftige geschiedenis van zijn ouders, gevat in een koffer vol huiveringwekkend tastbare herinneringen aan de Holocaust.

Micha de Winter Foto Daniel Cohen

Het was best een vreemd gezicht, zegt Micha de Winter (66), over de grote hutkoffer die hij pontificaal had neergezet in het universiteitszaaltje in Utrecht waar hij eind mei zijn afscheidsrede gaf. De hoogleraar pedagogiek, tevens bekleder van de speciaal voor hem opgerichte leerstoel voor maatschappelijke opvoedingsvraagstukken, lid van de Raad voor het Jeugdbeleid en de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkelingen, koninklijk onderscheiden bovendien, als 'uitzonderlijk invloedrijk pedagoog', had besloten dat het er bij zijn emeritaat nou maar eens tijd voor was, om zijn kijk op opvoeden te verklaren aan de hand van zijn familiegeschiedenis.

Om meteen de kern van die kijk te verklappen: De Winter is hartstochtelijk voorstander van een opvoedstijl vol hoop en optimisme. Daarvoor bestaan, zo zei hij onlangs in zijn afscheidsrede, sterke wetenschappelijke argumenten. Maar tegelijkertijd spelen ook persoonlijke drijfveren bij hem een belangrijke rol, en dat maakt hem dan ook al zijn hele indrukwekkende carrière lang een 'buitenbeentje' in zijn vakgebied, zoals hij het zelf omschrijft. Na jaren van meeluisteren in schoolklassen, buurthuizen, jeugdgevangenissen en vluchtelingenkampen, van vele gesprekken met kinderen, jongeren en hun ouders is De Winter ervan overtuigd dat jonge mensen in deze zorgelijke tijden (terrorisme, opwarming van de aarde, overbevolking) het meest gebaat zijn bij een positief perspectief, bij het gevoel dat de samenleving ook op hén zit te wachten.

Maar daarover later veel meer, eerst opent hij in zijn werkkamer in zijn tuinhuis in de buurt van Utrecht de hutkoffer, gevuld met de geschiedenis van de familie De Winter. Micha en zijn broer Harry (programmamaker en televisieproducent) groeiden op in Oss, in de wetenschap dat er verschrikkelijke dingen waren gebeurd met hun familieleden in de Tweede Wereldoorlog. Hun ouders (beide joods) hadden allebei een foto op hun nachtkastje staan van eerdere geliefdes. Ze wisten dat dat Harry en Chelly waren, en dat ze de oorlog niet hadden overleefd. Maar verder vroegen de broers De Winter er niet naar.

Foto Merel Corduwener

Van hun vader wisten ze dat hij in zo'n beetje alle concentratiekampen had gezeten en de oorlog maar ternauwernood had overleefd. Hun moeder had ondergedoken gezeten. Haar verloofde Harry werd opgepakt tijdens zijn vlucht naar Spanje en overleed in Treblinka. Chelly belandde in Auschwitz, waar ze een baby kreeg die het niet overleefde. Ze is zelf hoogstwaarschijnlijk overleden tijdens een van de dodenmarsen vanuit de kampen. Na de oorlog werden Max de Winter (chemicus) en Bertine Meijer verliefd op elkaar. Ze trouwden in 1948.

Micha de Winter: 'Mijn vader is 92 geworden, mijn moeder overleed in 2015, ze was toen 94. Mijn broer en ik gingen mijn moeders flat ontruimen. En toen begon het. Uit alle hoeken en gaten kwamen brieven en fotoalbums tevoorschijn. In de kelderbox stonden zestig jaargangen van het tijdschrift Ons Amsterdam en veertig jaargangen Consumentengids op een rij; mijn vader bewaarde alles. Ik stond al dat papier in een container te gooien, toen plotseling allemaal handgeschreven briefjes op de grond dwarrelden: brieven aan mijn vader van mensen die in Auschwitz hadden gezeten met Chelly. Daar kwamen de gruwelijkste details uit naar voren. Een vrouw schreef dat Chelly haar zwangerschap heel lang verborgen had weten te houden in het kamp, maar uiteindelijk toch hoogzwanger in de wachtruimte van de vergassingskamer was beland. Daar is ze toen na 24 uur weer uitgehaald, omdat er een nieuw besluit was genomen dat zwangere vrouwen niet meer mochten worden vergast. Het kindje is een dag of twee later geboren en meteen naar de gaskamer gegaan.

Micha de Winter

Micha de Winter werd in 1951 in Oss geboren. Hij studeerde psychologie in Utrecht. In 1986 promoveerde hij in Tilburg en in 1988 werd hij aangesteld als universitair hoofddocent bij de faculteit sociale wetenschappen van de Universiteit Utrecht. In 1989 werd hij benoemd tot bijzonder hoogleraar en in 2004 werd de Langeveldleerstoel voor hem opgericht, genoemd naar de pedagoog Martinus Langeveld. Op 31 mei 2017 nam hij afscheid als faculteitshoogleraar. Zijn afscheidsrede had de titel: Pedagogiek over hoop: het onmiskenbare belang van optimisme in opvoeding en onderwijs. De Winter was van 2001 tot en met 2012 lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Momenteel is hij voorzitter van een commissie die in opdracht van het kabinet onderzoek doet naar geweld tegen jeugdigen in internaten en pleeggezinnen sinds 1945.

'Toen mijn eigen dochter werd geboren ben ik naar Israël gegaan, naar het Jad Wasjem-herinneringscentrum, om te kijken of ik de naam van ons halfzusje kon terugvinden in de archieven. Mijn vaders echtgenote is geregistreerd, het kindje niet. Tegen mijn vader durfde ik over dat soort dingen niet eens te beginnen. Ik heb een keer heel voorzichtig aan hem gevraagd of hij misschien met mij samen naar Auschwitz terug zou willen gaan. Ik had de zachtaardigste vader die je je kunt voorstellen, maar hij ontplofte. Dat was echt de allerlaatste plek op aarde waar hij naar terug zou willen.'

De Winter diept nog iets op uit de koffer: 'Dit leren tasje was het verlovingscadeau van Harry aan mijn moeder uit 1939. Daar heeft ze al die tijd liefdesbrieven en foto's in bewaard. Ik denk dat de buren dat in veiligheid hebben gebracht, of misschien heeft ze het kunnen meenemen naar haar onderduikadres. Dat kan ik haar helaas niet meer vragen. Uit de gebruiksaanwijzing van een wekkerradio kwam de jodenster van mijn vader tevoorschijn. Kijk, volgens mij is dit wat filosofe Hannah Arendt bedoelt met de banaliteit van het kwaad. Deze ster is gewoon gemáákt door iemand, heel netjes, op de naaimachine, met een blauw lapje stof erachter. Ineens wordt de geschiedenis zo tastbaar.'

En hier ligt dus de basis voor De Winters pleidooi voor optimisme en hoop, bij de ongelooflijke veerkracht van zijn ouders. 'Mijn ouders hebben het, ondanks alle ellende die ze hebben meegemaakt, aangedurft opnieuw te beginnen. Ze hebben mijn broer en mij gekregen. En ondanks alles wat in deze koffer zit, hebben ze ons het idee meegegeven: als je je inspant, als je ervoor knokt, zijn er heel veel goede dingen te doen met je leven. Mijn vader is bij Organon gaan werken, hij was betrokken bij de ontwikkeling van de anticonceptiepil. En samen hebben ze zoveel energie en liefde gestopt in mijn broer en mij. Ze hebben de grootst denkbare verschrikkingen meegemaakt en toch lukte hun dat. Dat is voor mij een enorme levensles.'

Wat De Winter zeker weet: de manier waarop hij is opgegroeid is zeer bepalend geweest voor de manier waarop hij naar de dingen kijkt. Ook in zijn vakgebied, waar persoonlijke ervaringen en opvattingen, zoals op allerlei wetenschappelijk terrein, eigenlijk buiten beschouwing dienen te worden gelaten: 'In de tijd dat ik begon met werken, ontstond er een soort vernatuurwetenschappelijking van de psychologie en pedagogiek. Ik bedoel daarmee dat iets pas wetenschappelijk interessant werd als je het kon tellen; meten is weten, kort door de bocht gezegd. Dat was een begrijpelijke reactie op de jaren zeventig, waarin alles subjectief was en van de persoonlijke interpretaties aan elkaar hing. Maar naar mijn gevoel zijn we erin doorgeslagen. Eigenlijk is het de laatste tien, twintig jaar bijna zo dat alles dat je niet kan meten in de pedagogiek, ook niet bestaat. Dat vind ik een fatale misrekening. Het gaat om de werkelijkheid en wat zich daar afspeelt. Als je een verschijnsel niet kunt meten, dan moet je op zoek naar een andere manier om het te kunnen onderzoeken.'

Zoals het onderzoek naar radicaliserende jongeren dat u doet?

'Aan radicalisering valt heel weinig te meten. Als je een goed databestand wilt maken, heb je tienduizend radicale jongeren nodig, maar die zijn er niet. Veel van mijn collega's wagen zich er dus niet aan, terwijl het juist ontzettend belangrijk is om uit te vinden wat die jongeren drijft.'

De vraag naar dat onderzoek kwam een jaar of tien geleden van de overheid, vanuit de behoefte signalen van radicalisering tijdig te herkennen. Maar De Winter en zijn collega's kantelden die onderzoeksvraag: 'Het ging steeds over veiligheid, wat je ook wel snapt natuurlijk, want aanslagen vormen een groot gevaar voor de samenleving. Maar wij dachten: waarom vraagt niemand zich af wat die jongeren beweegt? Wat speelt zich af in die gezinnen? Heeft opvoeding iets te maken met radicalisering?'

De eerste contacten legden ze via de netwerksite Hyves, met een stuk of dertig jonge neonazi's, dierenrechtenactivisten en moslimfundamentalisten. Idealistische jongeren, volgens De Winter, maar met idealen die met hen op de loop waren gegaan.

De Winter: 'We vonden een neonazi van 14 jaar, die verkondigde dat alle buitenlanders onder dwang het land uit moesten worden gestuurd. We spraken zijn ouders, progressieve mensen, dat weet ik nog, die werkelijk alles hadden geprobeerd om die ideeën uit zijn hoofd te praten. Ze hadden hem mee naar Auschwitz genomen, naar het Verzetsmuseum, hadden eindeloos met hem gepraat, maar zonder effect. En op een gegeven moment gaven ze het toch op, zoals de meeste ouders doen.

'Iets vergelijkbaars zag je op scholen. Als daar iemand een spreekbeurt hield in een bomberjack met Nederlandse vlaggetjes, en zei dat Hitler zijn karwei niet af had kunnen maken, dan zei de school: tot hier en niet verder. Als je dat nog één keer doet, als je nog één keer in de klas zegt dat alle niet-moslims dood moeten, dan verwijderen we je van school. De optelsom die we maakten was: ouders geven het uiteindelijk op, school verbiedt het; niemand geeft meer tegenwicht aan die jongeren. Terwijl dat het belangrijkst is: de relatie met die jongens en meisjes behouden, en ze tegelijkertijd weerwoord blijven geven.'

En daar komt De Winters boodschap van hoop en optimisme weer om de hoek: 'Die radicaliserende jongeren hebben de meest walgelijke ideeën, die kun je bijna niet aanhoren. Maar ondanks de machotaal en dat geweld, zit er een drijvende kracht achter de ideeën, een boosheid over wat er misgaat in de wereld. Ik kan dat niet anders noemen dan hoop op een, in hún ogen, betere wereld. En wij begonnen ons te realiseren dat als je die jongeren niet respecteert in hun element van hoop en je alleen bezig bent hun ideeën te onderdrukken, je ze als het ware ondergronds duwt. En dat is pas echt gevaarlijk, want dan ben je ze kwijt.

Foto Merel Corduwener

'Dat wil dus niet zeggen dat je die jongeren gelijk moet geven, totaal niet. Maar ik heb het idee dat we nu iedere keer het verkeerde register opentrekken. We beschouwen ze als monsters, en, toegegeven, hun ideeën zijn ook vaak monsterlijk. Maar ik denk dat je toch oog moet proberen te hebben voor wat ze drijft. En daarna komt het belangrijkste, de opvoeding, dan moeten we proberen ze op een ander spoor te krijgen. We moeten ze leren dat ze ook op een andere manier kunnen knokken voor een betere wereld.'

Ouders kunnen dat niet alleen, docenten ook niet. De Winter: 'Als jij voor een klas staat waarin ineens drie jongens beginnen te tetteren dat de Holocaust een verzinsel is, of dat het Westen terroristische aanslagen over zichzelf afroept, dan moet je als docent erg sterk in je schoenen staan om dat tegen te spreken. Dat is moeilijk, want die jongeren zijn vaak goed geïnformeerd en fel. Wij zeggen: het is niemands individuele probleem, het is óns probleem. Er is in tien jaar veel verbeterd gelukkig, er bestaan inmiddels trainingen voor docenten, we brengen ouders en leerkrachten bij elkaar. Zo proberen we een pedagogische coalitie te smeden.'

Foto Merel Corduwener

In uw afscheidsrede noemt u de zogenaamde vreedzame scholen. Is het onderwijs op die scholen een voorbeeld van hoe het zou moeten?

'Het idee voor de vreedzame school ontstond vijftien jaar geleden in Utrecht-Overvecht, een achterstandswijk waar basisschooldocenten het idee hadden: de ruige straatcultuur komt de school in, we zijn alleen nog maar politieagent aan het spelen, aan lesgeven komen we niet meer toe. Het idee is gebaseerd op een concept uit de Verenigde Staten, waar kinderen leerden zélf conflicten op te lossen via mediation. Ik kwam met die scholen in contact omdat ik, na de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, een rapport had geschreven voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over hoe je bij kinderen democratisch burgerschap teweeg kunt brengen. We ontwikkelden de vreedzame school verder in die richting: leer kinderen wat democratie is, hoe je samen beslissingen neemt, ook als je het niet met elkaar eens bent. In een democratie moet je verantwoordelijkheid nemen voor je eigen gedrag, voor elkaar, voor de gemeenschap. Elke school zou eigenlijk een grondwet moeten hebben. Daar staat bijvoorbeeld in: op deze school mag iedereen zeggen dat hij het ergens niet mee eens is, maar we gebruiken nooit geweld om die mening er doorheen te duwen. Een beetje analoog aan de grondwet van Nederland: een aantal zaken zijn gewoon niet bediscussieerbaar. Er zijn nu 950 vreedzame basisscholen, en we zijn het nu aan het uitbreiden naar de vreedzame wijk, waar die principes ook worden toegepast in het buurthuis, in de speeltuin, door de wijkagent.'

Is dat een antwoord op radicalisering?

'Zo is het niet bedoeld, maar hopelijk scheppen we een pedagogisch kader waarbinnen radicalisering geen plek krijgt. Wat ik eerder zei: kinderen met een radicale mening moet je niet wegduwen, je moet met ze praten. Maar praten alleen is niet voldoende. Een mening hebben is makkelijk, maar wat zit erachter? Wat zijn je argumenten, waar heb je die vandaan? 'Van internet, meester.' Wie zegt dat dan, dat je de Koran op die manier moet uitleggen? Daar heb je misschien wel een imam bij nodig, en de ouders, er zijn geen simpele antwoorden.'

Onder het carillon

Micha de Winter stopt als faculteitshoogleraar pedagogiek aan de Universiteit Utrecht, maar gaat toch ook door: 'Ik heb een verlengde aanstelling gekregen bij de universiteit, ik ben lector geworden bij de Hogeschool Utrecht op gebied van jeugdzorg, ik ga door met onderzoek naar de jeugdzorg en ik doe met terrorisme-expert Beatrice de Graaf een groot project over hoe je polarisatie en radicalisering in de stad tegen kunt gaan. Ik heb een appartementje gekocht in het centrum van Utrecht, ik zie voor me dat ik daar straks onder het carillon van de Dom ga zitten schrijven aan boeken op mijn vakgebied.'

Is opvoeden de afgelopen vijftig jaar moeilijker geworden?

'Dat vind ik een lastige vraag. Als je de geschiedenis bekijkt, zie je met elk objectief criterium dat het grootbrengen van kinderen vele malen makkelijker is geworden. Kinderen gingen vroeger veel eerder dood; een kwart van alle kinderen haalde het eerste levensjaar niet. De gezondheidszorg is beter geworden, de welvaart is gestegen. Het onderwijs is veel toegankelijker geworden in de afgelopen eeuw. Maar wat het opvoeden nu moeilijker maakt, is dat we heel erg geïndividualiseerd zijn. Iedereen moet voor zichzelf bepalen hoe hij zijn kind opvoedt. Als je ouder werd in de tijd van verzuiling, was een groot gedeelte van wat je moest doen gewoon voorgeschreven. Het was een maatschappij van rangen en standen. Als je fabrieksarbeider was, dan was wel duidelijk dat jouw kinderen op hun 14de ook naar de fabriek gingen. Er viel niet veel te kiezen. Toen is een enorme emancipatiegolf gekomen, en individuele capaciteiten van kinderen werden ineens gezien. Maar dat heeft tegelijkertijd het opvoeden ingewikkelder gemaakt. Ouders worden ook meer verantwoordelijk gehouden voor hoe hun kind zich ontwikkelt. Een kind dat afwijkt van het gemiddelde moet zo snel mogelijk weer in het gareel. Dat vind ik een lastig punt. Iedereen wil zijn eigen leven op een bijzondere manier invullen, maar als het om onze kinderen gaat, willen we dat ze zo normaal mogelijk zijn. We zijn steeds minder tolerant voor kinderen die zich anders gedragen of ontwikkelen.'

Foto Daniel Cohen

U geeft geen opvoedadviezen, maar er is een methode die u voorstaat: autoritatief opvoeden. Wat betekent dat?

'In de pedagogiek worden twee extreme opvoedingsstijlen onderscheiden: autoritair ('omdat ik het zeg') en laissez faire ('laat het kind het zelf uitzoeken'), waarvan we weten we dat ze veel nadelen hebben. Van autoritair opvoeden krijg je gezeglijke kinderen, maar je leert ze geen zelfstandigheid of verantwoordelijkheid. En met laissez-faire blijken kinderen zich onveilig te voelen, want ze hebben geen houvast omdat hun gedrag niet wordt begrensd. Daartussenin zit de derde variant: autoritatief opvoeden, ook wel democratisch opvoeden genoemd. Dat betekent: opvoeden met gezag in plaats van met macht. Je hebt veel aandacht voor wat kinderen belangrijk vinden, je geeft ze ruimte om te experimenteren, maar je houdt wel toezicht. Het gaat om de balans van ruimte en toezicht, en die zijn allebei even belangrijk. Ik geef vaak het voorbeeld van de vakantiekeuze. Autoritaire ouders zeggen: we gaan kamperen in Frankrijk, geen gezeur. Laissez faire-ouders geven toe aan hun kinderen die zeuren over Disneyland Parijs. Ouders met een autoritatieve opvoedstijl vragen hun kinderen mee te denken, maar noemen ook het budget, of geven een aantal keuzes voor de bestemming. Ouders geven zo ruimte en verantwoordelijkheid, maar door het stellen van grenzen zijn die niet onbeperkt. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die op een autoritatieve manier opgroeien het beter doen, qua psychische gezondheid en ontwikkeling.'

Is er iets in uw loopbaan waar u het trotst op bent?

'Ik ben toch altijd wel een soort rebel geweest. Dat hebben mijn broer en ik meegekregen: hobbel niet zomaar mee met de grote stroom. Ik heb veel gedaan en veel teweeggebracht, maar dat ging altijd gepaard met tegenwind. Er zijn collega's geweest die hebben geprobeerd mij van de universiteit af te krijgen, omdat ze mijn kwalitatieve werk maar niks vonden. Waar ik trots op ben, is dat mijn manier van denken en werken toch een plaats heeft gekregen in dat wetenschappelijke bolwerk. Ik ben twaalf jaar geleden een masteropleiding Maatschappelijke Opvoedingsvraagstukken begonnen, tegen de verdrukking in, en daar zijn inmiddels honderden mensen in afgestudeerd die op belangrijke plekken zitten bij de overheid en in grote instellingen. Mijn vakgroep heeft een Micha de Winter-fellowship ingesteld voor talentvolle jonge afgestudeerden. Die ga ik ook coachen en begeleiden.

'Een paar jaar geleden schreef ik een boek: Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding. Sommige reacties waren eerst nogal sceptisch, zo van: we gaan toch niet terug naar de maakbaarheidsgedachte van de jaren zeventig? Maar het idee dat opvoeding iets kan doen met een samenleving, en een samenleving iets met opvoeding, dat is nu toch wel doorgedrongen. Als we prijs stellen op een humane, respectvolle en democratische samenleving, moeten onze pedagogische inspanningen ook daarop gericht zijn. Aan die gedachte heb ik bijgedragen, daar ben ik trots op.'

Omdat Micha de Winter en zijn broer Harry de geschiedenis van hun ouders niet konden en wilden verdelen, besloten ze de foto's en brieven onder te brengen in de hutkoffer die hij gebruikte bij zijn afscheidsspeech, die nu heen en weer reist door de familie. Eén keer per jaar is er een 'kofferbijeenkomst' met alle kinderen en kleinkinderen, om het verhaal van hoop en optimisme door te geven aan de nieuwe generaties De Winter.

Meer over