Reportage Zweden

Waarom ik vertrek naar mijn bonusland Zweden

Jasper van Kuijk (43), cabaretier en de innovatie-expert van de Volkskrant, vertrekt naar Zweden. In het Magazine doet hij deze zomer verslag van de beren op zijn weg en, allereerst, wat eraan voorafging.

Beeld Aisha Zeijpveld

‘Ah, we zijn er weer’, zegt Ems. Mijn vrouw zet haar stoel wat naar achteren, ademt uit en ontspant zichtbaar. Anderhalf uur geleden zijn we in Gotenburg van de veerboot gereden en inmiddels rijden we met drie kletsende hummels op de achterbank rustig door het glooiende landschap van Västra Gotaland. Korenvelden met boerderijen, bossen en af en toe een doorkijkje naar Vänern, het grootste meer van Zweden. We zijn in het land van mijn moeder, maar Ems voelt zich hier minstens zo thuis als ik. Ze kijkt naar buiten, verschuift haar blote voeten op het dashboard en zegt: ‘Zullen we hier een jaar gaan wonen?’ 

Dit is iets waar we het al tijden op zo’n wat-nou-alsmanier over hebben, maar dit keer is ze serieus. Ik hou mijn ogen op de weg: ‘Klinkt goed, maar ik zie niet hoe we dat voor elkaar krijgen.’

We komen elk jaar wel een keer in Zweden. Meestal in de zomer en dan snuiven we alle clichés op die Zweden te bieden heeft. We verblijven in een rood-wit zomerhuis, plukken frambozen, zwemmen in meren en gaan in de schemering op elandsafari. Dat is heerlijk en ik kom hier altijd ongelooflijk tot rust. Maar hier een vol jaar wonen, ik zie niet hoe we dat kunnen regelen. Ik weet niet eens of ik het wel echt wil.

Ik zit als cabaretier in wat je dan ‘een gestaag stijgende lijn’ noemt. Ik heb steeds meer mensen die me volgen, maar de theaterwereld is niet echt ingesteld op gestaag stijgende lijnen. Elk jaar staan er vier nieuwe winnaars van cabaretfestivals te trappelen. Wat gebeurt er als ik er een jaar tussenuit ga? Weten mensen me dan nog te vinden? Willen theaters me dan nog wel boeken? Dus het idee om een jaar naar Zweden te gaan resulteert bij mij in de acute ZZP-paniek van geen nee willen zeggen tegen een opdracht omdat je nooit weet of je morgen nog wel een klus krijgt. Bovendien, naast mijn columns en cabaretwerk zit ik twee dagen per week bij de TU Delft, ook niet echt iets wat je gemakkelijk vanuit Zweden via Skype doet. En dan hebben we nog Ems’ werk – ze is actuaris bij een verzekeraar – en het feit dat we een huis met hypotheek en schoolgaande kinderen hebben.

Kortom, al met al een onrealistisch plan dat ik het liefst weg redeneer. Maar dat me ook trekt.

Sukkels hebben het druk

Want de afgelopen jaren heb ik vrij veel naast elkaar gedaan: cabaretprogramma’s maken, columns in de krant en op de radio, meeschrijven aan een televisieprogramma, boeken maken, bij de TU Delft een onderzoeksproject draaien en vakcoördinator zijn, huis kopen, drie verbouwingen, drie kinderen, trouwen. Er is eigenlijk steeds meer bij gekomen, zonder dat er iets af ging.

En je hoort me daar niet over klagen, want laatst zag ik dat steeds weer #trending wordende stuk op de site van NRC met de kop ‘alleen sukkels hebben het druk’. Misschien moet ik dat nu eindelijk eens keer gaan lezen. Maar het is wel zo. Ik ben de sukkel. Ik ben het zelf die overal ja tegen zegt. Omdat het allemaal leuke dingen zijn. En ik heb er sowieso niet echt talent voor om dingen klein te houden. Maar het gaat dus eigenlijk heel goed. Ik heb leuk werk, ik krijg nieuwe kansen, eigenlijk gaat alles goed. Het is misschien wat druk, maar ik heb eigenlijk alleen maar first world problems. Eigenlijk.

Oké, misschien reageer ik de laatste tijd af en toe wat heftig. Als ik op de universiteit een mailtje met een of andere beleidswijziging binnenkrijg, is mijn primaire reactie dat iedereen helemaal gek is geworden, wat meestal niet beter wordt als ik het mailtje ook daadwerkelijk ga lezen. Thuis ben ik er ook niet altijd met mijn hoofd bij.

Ik denk ook steeds vaker: waar hebben we het hier allemaal zo druk mee? En waarom zijn we met zo ontzettend veel? En waar willen we op vrijdagmiddag om half twee zo graag heen dat we dan met z’n allen in de file gaan staan?

Luxeoplossing

Maar een jaar naar Zweden gaan, dat klinkt net iets te veel als een luxeoplossing voor een luxeprobleem van een luxekonijn. Ik heb geen problemen. Geen echte. Bovendien, ik kan wel naar Zweden gaan, maar de grootste oorzaak van de drukte – mijn eigen hoofd – gaat natuurlijk gewoon mee. Het voelt naïef. Ik hoor ook steeds die net-niet spottende Ik vertrek-stem in mijn hoofd: ‘Jasper laat een rijk leven in Nederland achter om met zijn gezin in een oude boerderij op het Zweedse platteland te gaan wonen. Niet dat hij ooit langer dan vijf minuten een koe van dichtbij heeft gezien, laat staan dat hij weet hoe mest ruikt, maar hij denkt daar rust en ruimte te vinden. Hun nieuwe huis ligt totaal geïsoleerd en in de winter is het er om half vier ’s middags donker. Maar dat lijkt Jasper juist knus, want hij wilde toch meer tijd doorbrengen met zijn gezin.’

Ems remt mijn op hol slaande hoofd wat af: ‘Waarom zou je er niet een jaar tussenuit kunnen? Je hebt straks negen seizoenen aan een stuk in theaters gestaan, elke twee jaar een nieuw programma. Dan kun je prima één jaar wat anders doen. En volgens mij vergeten we zo’n jaar nooit meer. Omdat het in Zweden is, en we dan echt met z’n vijven zijn. Voor de jongens ook mooi om kennis te maken met het land en de taal. Mij lijkt het heerlijk, zeker als we op het platteland gaan wonen.’

Ze heeft een punt. Samen naar het buitenland, dat is eerder goed bevallen. De drie maanden die we voor haar werk in Boedapest zaten waren drie afgetekende maanden. In Nederland lopen alle jaren in elkaar over en daarmee de herinneringen, maar van die tijd in Hongarije hebben de herinneringen duidelijke randen. Ik weet nog precies hoe onze oudste eruitzag toen we erheen gingen, en dat hij daar leerde omrollen en de stofzuiger ging achtervolgen.

Bonusland

De langste periode die ik ooit in Zweden doorbracht, was vier maanden, tijdens mijn stage, twintig jaar geleden. Mijn moeder is dan wel Zweeds, maar ik zou mezelf niet bepaald half-Zweeds noemen. Ik voel me eigenlijk vooral Nederlands. Zweden is mijn bonusland, naar de wat vriendelijkere term die de Zweden gebruiken voor stiefvader of -moeder. Niet dat ik graag ineens een halve Zweed wil worden, maar ik ken het land niet zo goed als ik zou willen.

En hoewel ik er nog steeds niet helemaal gerust op ben, krijg ik wel steeds meer zin om met mijn blote voeten in het gras voor een huis op het Zweedse platteland te staan, daar met elkaar te leven en te kijken wat zo’n jaar met ons en met onze jongens doet. En me ongetwijfeld geregeld afvragen wat we ons in godsnaam op de hals hebben gehaald.

Op de terugweg naar Gotenburg stoppen we bij onze vaste rustplek. Het was een fijne vakantie, maar ook eentje van veel nadenken over hoe het zou zijn om hier een heel jaar te wonen. Ems zit al achter het stuur, de jongens achterin. Voor ik instap kijk ik nog even over het dak van de auto naar het glooiende landschap, hoe de lange weg zich richting horizon kronkelt. Er rijdt maar één auto op. Ik stap in, Ems start de auto. ‘Oké,’ zeg ik, ‘laten we gaan kijken wat er kan.’

Lees de eerste column van Jasper van Kuijk over zijn Zweedse avontuur: De zoektocht naar een school in Zweden duurde exact drie uur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden