Vrouwelijke adel geen wereldprobleem, maar toch...

Erik Jurgens pleitte op deze pagina op 30 december 1996 ervoor om de adel als folkore te handhaven zonder overerving via de vrouwelijke lijn....

Overerving van de adeldom is geen wereldprobleem, maar ik kan toch niet nalaten te reageren op de stelling van Erik Jurgens dat de wens om overerving van adellijke titels ook via de vrouwelijke lijn mogelijk te maken haaks staat op de grondwet. Ik vind dit verbazingwekkend. Het getuigt ook van onbekendheid met recente wetgeving over naamrecht.

Jurgens vindt dat adeldom niet meer wettelijk geregeld moet worden. Op zich is daar veel voor te zeggen. Adel is een oud instituut dat gebaseerd is op ongelijkheid van mensen en dat geen rol meer moet spelen in onze samenleving. Als betrokkenen dat zouden willen, dan zouden zij hun eigen regels kunnen maken zoals iedere vereniging dat kan.

Maar om nu te kiezen voor intrekken van de Wet op de Adeldom, die pas sinds 1994 van kracht is (en waaraan ook Jurgens als Tweede-Kamerlid heeft meegewerkt), getuigt niet van consistentie van de wetgever. Waardoor zouden de ideeën van de wetgever in een paar jaar tijd zo wezenlijk veranderd kunnen zijn? Jurgens' argument dat de wetgever een motie heeft uitgevoerd door genoemde wet op te stellen en nu weer vrij is om een andere mening te hebben en dus deze wet weer kan intrekken, is niet sterk.

Jurgens werkt de tweede mogelijkheid niet uit: de situatie dat de regering de Wet op de Adeldom handhaaft. Blijven we dan géén rekening houden met het beginsel van ongelijke behandeling tussen vrouwen en mannen?

Dat kan Jurgens toch niet menen?

Allereerst is destijds in de Wet op de Adeldom een andere ongelijke behandeling wél weggewerkt. Onwettige kinderen kunnen wél de titel van hun vader erven. Het verschil in behandeling van wettige en onwettige kinderen is immers ook elders in de wetgeving terecht opgeheven.

Er is nog een andere belangrijke reden. Onlangs heeft de Tweede Kamer het naamrecht gewijzigd. Vanaf 1998 kunnen, wanneer ook de Eerste Kamer daarmee instemt, ouders voor hun kinderen ook de geslachtsnaam van de moeder kiezen. Oorspronkelijk vond de regering dat deze keuzevrijheid niet zou moeten gelden voor adellijke families. Terecht meende dit kabinet deze ongelijkheid voor een bepaalde groep vrouwen te moeten schrappen. Maar nu ook de (adellijke) geslachtsnaam van de vrouwen kan worden doorgegeven, zou het toch zeer merkwaardig zijn als de titel of het predicaat daarbij niet kan worden doorgegeven? Waarom zou de verbondenheid tussen naam en titel bij de man wél van belang zijn en niet die bij de vrouw? Het feit dat deze overerving van naam en titel ook al in de Middeleeuwen het geval was, acht ik op zich niet zo essentieel. Wél het feit dat deze overerving via de vrouw niet als principieel plan onmogelijk wordt beschouwd. Want uitzonderingen werden en worden toegestaan, bijvoorbeeld voor adellijke geslachten die anders uitsterven en voor het Koninklijk Huis.

Nu het naamrecht (bijna) wettelijk is geregeld, heeft dit ook gevolgen voor de Wet op de Adeldom. Tijdens het recente debat in de Tweede Kamer heb ik minister Dijkstal voorgehouden dat het kabinet in deze consequent moet zijn. Ook Jurgens kan deze ontwikkeling niet terzijde schuiven.

Daarom houd ik Jurgens voor: het is één van beiden. Of de wet op de Adeldom wordt ingetrokken en als dat niet het geval is dan kan het toch niet anders zijn dan dat in combinatie met de geslachtsnaam van de vrouw ook de titel/predicaat overerft?

DEN HAAG Mieke van der Burg

lid Tweede Kamer voor de PvdA

Inconsequent

Het vurig pleidooi van Eric Jurgens om adellijke vrouwen wettelijk achter te stellen bij adellijke mannen mag voor een sociaal-democratisch volksvertegenwoordiger en hoogleraar staatsrecht de nodige verbazing wekken (Volkskrant 30 december 1996).

Jurgens verklaart zich in zijn artikel een uitgesproken tegenstander van modernisering en uitbreiding van de adel. Maar bij de behandeling van de Wet op de Adeldom in 1993 deed hij als woordvoerder van de PvdA precies het tegenovergestelde (Kamerstukken 21485; Handelingen 2: 93-6884).

Eeuwenlang vererfde adeldom uitsluitend op 'wettige afstammelingen'. Jurgens schrapte die tradittie en maakte tegen de uitdrukkelijke wens van H.M.S. Regering, Raad van State en Hoge Raad van Adel bij amendement adelsvererving op onwettige kinderen en kinderen die helemaal geen afstammeling zijn, toch mogelijk.

Immers in de Middeleeuwen konden adellijke vrouwen volgens het erfrecht van de vrouwelijke stand 'partus sequitur ventrem' hun adeldom doorgeven aan hun kinderen. Adelsvererving via vrouwen is dus geen modernisme dat de folklore geweld aandoet. Het beste bewijs hiervoor is de adellijke familie van Oranje-Nassau, waar de adellijke naam-titel combinatie nu al drie generaties via de moeder is doorggeven. Hierdoor is de folklore in stand gebleven en dat is nu toch juist wat Jurgens wil?

Aan het slot van het debat over de Wet op de Adeldom op 14 september 1993 zei Jurgens trouwens over de vrouwelijke lijn: 'Ik ben zelfs, mevrouw Scheltema aankijkend, bereid zover te gaan om, als uit die groep zelf zou voortkomen, dat het in overeenstemming met de historische traditie zou zijn om de vrouwelijke lijn te volgen, dit te overwegen'.

Het is voor ons onbegrijpelijk dat Eric Jurgens zich nu weer fel tegen de vrouwelijke lijn keert juist op het moment dat de Tweede Kamer vele petities uit adellijke kring heeft ontvangen om vererving van adeldom via de moeder weer mogelijk te maken.

Wanneer Jurgens stelt dat adeldom helemaal niet hoort te vererven omdat het maatschappelijke discriminatie in de hand werkt, rijst de vraag of deze margarine-baron een zelfde mening is toegedaan ten aanzien van het vererven van het immense familievermogen dat door zijn voorgeslacht is vergaard. Aan adeldom zijn tenminste geen voorrechten verbonden.

HILVERSUMJ. Taets v.Amerongen

Werkgroep Adel en Familierecht

Adel als paradox

Eric Jurgens schrijft in deze krant van 30 december in kleurrijke bewoordingen dat de wens tot overerfbaarheid van adellijke titels haaks staat op artikel 1 van onze Grondwet. Hij vindt het raar dat de adel zich beroept op rechtsgelijkheid om daarmee een titel en status af te dwingen die juist ongelijkheid met anderen tot gevolg heeft.

Kan men een historisch instituut wel moderniseren? Zou het instituut er eigenlijk niet moeten zijn? Dit soort vragen kan men de hooggeleerde PvdA-senator natuurlijk stellen.

Maar de benadering van Jurgens brengt ons niet veel verder. Want er is nu eenmaal adeldom. En zelfs een Wet op de Adeldom! Ik heb de PvdA-fractie in de recente discussie met minister Dijkstal niet horen bepleiten wat Jurgens nu eigenlijk suggereert: de adeldom niet meer in de wet regelen.

Wat Jurgens een folklore noemt, noemen vele anderen een waardevolle traditie. En verder moeten we de zaken wel binnen proporties blijven zien. Aan de orde is een beperkte modernisering van de adeldom. Bij die modernisering zal het naar mijn vaste overtuiging voorshands blijven.

Adeldom kan men een paradox in ons politieke bestel noemen. Maar wat is daar eigenlijk op tegen? De regering doet er dan ook niet verstandig aan de kamerbreed aanvaarde motie over vererfbaarheid van adelijke titels naast zich neer te leggen. Over liberale democratie gesproken!

Ik ben benieuwd naar de reactie van de PvdA-eerste Kamerfractie wanneer het komt tot initiatiefwetgeving vanuit de Tweede Kamer. Want als minister Dijkstal het advies van senator Jurgens opvolgt, doet de Tweede Kamer zeker van zich spreken. En komt er zo'n initiatiefvoorstel!

DEN HAAGDrs. Cees Bremmer

lid Tweede Kamer voor het CDA

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden