Vriend & Je

'Hoe ver kan een homo het brengen?' vroeg HP/de Tijd zich af. Op de begeleidende foto zag je een stemmig donkerblauw jasje met vest, en een mooie decente das; maar op de revers van dat bankiersuniform was een roze driehoek gespeld....

STEPHAN SANDERS

Sinds 1991 kent Nederland een anti-discriminatiewet, die stelt dat er geen onderscheid mag worden gemaakt op grond van seksuele geaardheid, maar tussen wet en uitvoering ligt het anonieme niemandsland van weerstand en tegenzin, het gesmiespel van collega's en de promotie die niet doorging. Het is niet fraai, het valt nauwelijks te bewijzen en nog moeilijker te bestraffen. De homo kan het ver brengen, tot Tweede-Kamerlid en IBM-manager aan toe, maar wil hij doorstoten, zoals dat ongelukkig heet, dan moet hij er rekening mee houden dat niemand hem zal duwen.

Dus geen belijdende generaals in het artikel van HP, geen president-directeur van Philips met vrind; alleen die ene staatssecretaris, die het uitsluitend met sekse-neutrale vluchtelingen houdt.

Je leest het, vindt het niet netjes maar voelt je bloed ook niet koken en besluit: hier hebben wij te maken met een misstandje. Hooguit illustreert het verhaal nog eens hoe lastig het is een samenleving per decreet te veranderen: tientallen jaren nadat het woord officieel wet is geworden, wordt die wet ook alledaagse praktijk. De werkelijkheid slentert er op zijn dooie gemak achteraan, en die twee komen elkaar pas na verloop van tijd weer tegen.

Discriminatie: om het overzichtelijk te houden en hanteerbaar voor de rechters, hebben we afgesproken dat het daarbij om maatschappelijk onrecht gaat, dat je door anderen wordt aangedaan. Zelf ben je het slachtoffer, de belaagde partij, die geen schuld treft maar slechts getroffen wordt door andermans onredelijkheid.

Strakke rolverdeling, daar niet van, maar voor mijn gevoel toch wat onwerkelijk. Want de buitenwereld blijft niet waar ze wezen moet, namelijk buiten: de buitenwereld sluipt ongemerkt naar binnen.

Ik kijk de laatste weken met verbazing naar mezelf, en ook met irritatie: ik speur naar derden op wie ik mijn beschuldigende vinger kan richten, maar telkens komt die vinger weer op mijn eigen voorhoofd terecht.

We verlaten nu het terrein van het maatschappelijk onrecht en belanden midden in de modderbank van de verliefdheid en de verhouding. Ik had een vriendje, een klein jaar, die nooit een geliefde is geworden want daarvoor moet je ruzies hebben gehad over de wc, en zo intiem waren we niet, we hadden elk onze eigen. Dus bleef deze boomlange man deel uitmaken van de homoseksuele wereld van de verkleinwoordjes. Vriendje. Alsof het kinderspel was en wij het bij voorbaat al niet serieus konden nemen.

Deze verliefdheid kwam drie weken geleden tamelijk abrupt tot stilstand, als autobanden in rul zand. Er was geen ander, de enige aanwezigen waren wij, en dat was precies het probleem want tussen ons wilde het niet vlotten. Dan maar uit elkaar, voorlopig, wie weet, maar wat geen van beiden wist, was hoe verslavend zelfs korte verhoudingen kunnen zijn, en hoe leeg een etmaal is zonder nachtelijke aanloop.

Hoe erg is een verloren vriendje? Ik schat zo dat er een week voor staat. Bij geliefden en echtscheidingen mag je maanden van slag zijn (verbeeld ik het me, of mogen getrouwde heteroseksuelen langer?), maar over dat serieuze leed waarbij huizen verdeeld moeten worden en fotoalbums, heb ik driekwart jaar geleden al geschreven: je kan de mensen niet aan de kop blijven zeuren, elke nieuwe struikelpartij is op zijn minst voorspelbaar en al bijna lachwekkend, je moet je kop houden. Dat zeiden niet mijn vrienden, die ik niet eens de kans gaf om dat te vinden: dat vond ik zelf.

Maar in werkelijkheid woelt zo'n verbroken verhouding alle voorgaande mislukkingen weer eens los, en ontstaat er zoiets als een cumulatief verdriet dat redelijk abstract is, maar vervelend genoeg ook onredelijk scherp.

Maar ik hield mij flink, (waarschijnlijk op die luidruchtige manier die elke huilbui overtreft) en probeerde afleiding te zoeken in god, buitenlandse boeken en drank.

Dat deed ik niet alleen om me de vernedering te besparen van de meewarigheid en het medelij: dat deed ik ook omdat ik mijn eigen verdriet maar half serieus nam. Want waar hadden we het over: een vriendje van een klein jaartje, waarbij het een beetje misliep. What's new? Of, zoals mijn goede vriend P., die uit ervaring spreekt, zich peinzend afvroeg: 'Waarom lijken homoseksuele verhoudingen toch zo vaak op een repeterende breuk?'

Heteroseksuelen gaan er meestal van uit dat zij de enigen zijn die zo hun twijfels hebben over homoseksualiteit. Dat is niet zo. Homoseksuelen blijven zich er zelf ook over verbazen. Ik moet nog dagelijks wennen aan mijn homoseksualiteit, of liever gezegd aan het feit dat niet iedereen homoseksueel is, en ik niet de regel ben maar de uitzondering. Want alles wat de buitenwacht ooit heeft gezegd, gedacht of gezwegen, is in het eigen binnenste opgeslagen. Het gegniffel van de omstanders is verinnerlijkt, en op een gegeven moment hoor je jezelf om het hardst schamperen. Slachtoffer en dader tegelijk. Geen effectievere discriminatie dan de discriminatie die via de buitenwereld helemaal de jouwe wordt.

Op zijn luidst klinkt dat publieke koor dat zich in het eigen hoofd heeft opgesteld, ongeveer zo: 'Wat had je dan gedacht, twee mannen, het gaat toch alleen maar om de seks. Wat? Binding, verdriet, rouw, echte gevoelens? Laat me niet lachen, dat duurt twee weken en dan is er wel weer een nieuwe Braziliaan. Mooi zolang het duurt, maar het duurt niet lang.'

Om die aanval te pareren, dachten veel homoseksuelen er goed aan te doen bovenstaand programma zo nauwgezet mogelijk uit te voeren.

Frans Kellendonk zei het fraaier, maar niet zo heel veel anders: 'Het drong tot Broer door' (toen hij de jongen kuste) 'dat deze kus, die naar binnen toe van een onstuitbare ernst was, van buitenaf werd opgevat als een koddige nepkus. ( . . .) En voor het eerst merkte Broer dat ze een parodie waren, de rijpere jongen en hij.'

Dat idee van nep en Spielerei dat mij in ieder geval zo makkelijk kan overvallen, moet al vroeg ontstaan zijn, toen de schoolvrienden lekkere stoten aanwezen en ik meehuichelde of het gesprek zo onopvallend mogelijk in een andere richting stuurde. Het is geen liegen, het is je hachje redden, en wat je ermee verloor, was de overtuiging dat het je ook ernst kon zijn.

Volgt zoveel jaren later nog steeds de zelfkleinering: 'vriendje weg, stelt niks voor, kitsch-verdriet, kop houden'.

Het zou overtuigend zijn als ik nu kon wijzen op een razend ouderwetse jeugd en een strikt gereformeerde schooltijd, maar die heb ik nooit gehad. Net zoals de werkelijkheid achter de wet komt aansloffen, ijlen er soms oude verhalen na die je niet zelf hoeft te hebben meegemaakt om ze toch te geloven.

Ik zou daar graag wettelijk verandering in brengen, maar het zal wel weer zelfhulp worden.

Een programma zonder verkleinwoorden: waar vriendje was, moet vriend komen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden