Voorpublicatie Frieda, verslag van een gelijmd leven: ‘Alles deed mij pijn’

Auschwitz-overlevende Frieda Menco is op 93-jarige leeftijd overleden. Menco was een van de laatste nog levende oud-kampgevangenen die in januari 1945 in Auschwitz werd bevrijd. Lees hier een stuk uit het boek Frieda, verslag van een gelijmd leven, dat op 20 januari 2007 gepubliceerd werd.

Frieda Menco-Brommet. Beeld Jean Pierre Jans

De aankomst van de trein in Birkenau, het buitenkamp op een paar kilometer van het hoofdkamp Auschwitz, is bekend uit talloze beschrijvingen van overlevenden. Maar iedere keer weer is het verhaal van de selectie op het perron huiveringwekkend. Frieda herinnert zich bijvoorbeeld in de eerste plaats het enorme geschreeuw en gegil, dat van alle kanten leek te komen. En de weergave van Frieda’s moeder Rebecca, in haar brief aan haar broer in 1945, is in z’n eenvoud ongeëvenaard: ‘Wij kwamen allen aan in Birkenau bij Auschwitz. Daar werden oude mensen en moeders met kinderen direct apart gezet om vergast te worden. Wij werden van de mannen gescheiden. Jo vloog nog op mij af om mij te zoenen. Het was helaas voor het laatst.’

Frieda’s herinneringen zijn verward, en daar weet ze ook de reden van: ‘Je was na drie dagen en twee nachten in een veewagen natuurlijk helemaal daas.’ Ze weet ook nog dat ze iets raars zag in de verte, iets onverklaarbaars. Alsof er in de verte een soort plein was, waar mensen alle kanten op renden. In de verte zag het eruit alsof ze op rolschaatsen waren, zo gehaast snelden ze door elkaar. Later heeft ze de conclusie getrokken dat het de drukte was rond een openbare executie – er was kennelijk iemand opgehangen, als afschrikwekkend voorbeeld van wat er gebeurde bij ongeoorloofd gedrag. Maar allesoverheersend is toch het beeld van het perron van Birkenau, de selectie. Frieda herinnert zich vier rijen: ‘Twee rijen mannen, twee rijen vrouwen en daar kwamen steeds mensen langsgelopen, gevangenen, die riepen: ‘Hebben jullie iets van waarde? Geef het ons, want jullie mogen het toch niet houden.’ Later wisten we natuurlijk dat één rij van de mannen en één rij van de vrouwen meteen naar de gaskamer gingen. De anderen bleven leven, maar ja, dat wisten we toen niet. Het heeft niet lang geduurd voordat we dat wisten.’

Uit de kampadministratie is af te leiden dat 549 mensen in de fatale rijen zijn gezet, onder wie alle kinderen beneden de 15 jaar. In de ‘goede’ rijen staan 470 mensen, 258 mannen en 212 vrouwen. De rij waarin Frieda en haar moeder staan moet doorlopen, naar een grote zaal. Daar krijgen ze allemaal een nummer op de arm getatoeëerd. Rebecca heeft A25079, Frieda één meer, A25080, en Ronnie van Cleef, de vriendin die ze in de gevangenis in Amsterdam heeft leren kennen, nóg één meer. Daarna moeten de vrouwen zich helemaal uitkleden. Ze voelen zich wanhopig en vernederd, er lopen allemaal mannen rond. Vervolgens worden schaamhaar en oksels geschoren, het hoofdhaar wordt kort geknipt, om redenen waar Frieda nooit achter is gekomen.

Dan moet de hele groep onder de douche. Afdrogen is er niet bij. Ze zijn nat, rillerig, koud en ze moeten lang in de rij staan wachten, naakt. Frieda herinnert zich dat ze als kleding een zomerjurkje kreeg toegeworpen en als schoeisel twee niet passende linkerschoenen. Dan is er appèl, dat duurt die eerste dag twee uur. Daarna gaan de vrouwen naar hun barak, Frauenblock 29. Daar moeten ze liggen, in houten kooien, op kromme planken, met een beetje stro en een harde, onaangename deken. Frieda:

‘Met z’n negenen in één kooi: acht naast en tegen elkaar, de negende dwars aan het voeteneind. Als één zich omdraaide, moesten ze allemaal omdraaien. Die aan het voeteneind had geen leven.’

Daar eindigt de eerste dag in Auschwitz.

Uithongering

De volgende dag krijgen de vrouwen niets te eten. De dag erna is er een pannetje waterige koolsoep. Een lepel hebben ze niet. Ze moeten buiten eten, in het vuil, in de modder. Zo zal het blijven, een halve liter waterige soep per persoon per dag, en een stuk brood. De uithongering van de gevangenen is deel van het systeem in Auschwitz.

De vrouwen moeten werken, hard werken. Stenen sjouwen. Ze houden hun handen bij elkaar, met de vingers ineen en daarop komen de stenen te liggen, hele stapels. Om het werk vol te houden, zingen ze Nederlandse liedjes, tot ergernis van de vrouwelijke kampbewakers, de Aufseherinnen. Het kampleven is verschrikkelijk zwaar. Ook al werken de crematoria in de tweede helft van 1944 lang niet meer zo op volle toeren als in de twee jaar daarvoor, het sterftecijfer in Auschwitz-Birkenau is bijzonder hoog. Door verwaarlozing, door gebrek aan hygiëne, aan medische zorg, aan voedsel, door uitputting en ook door excessief geweld. Frieda herinnert zich nog de gevolgen van een vluchtpoging van een paar gevangenen; de achterblijvers moeten boeten:

‘Ik weet nog wel dat we eindeloos op appèl stonden, nog langer dan normaal. We moesten op onze hurken zitten met stenen boven ons hoofd en als je omviel was er altijd wel een Aufseherin om je recht te zetten. Dat was zo ongelooflijk zwaar, daar hebben ze voor altijd mijn rug mee gebroken.’

De zware arbeid, onder zulke slopende omstandigheden, met zo weinig eten, móet wel tot ongelukken leiden. Ronnie van Cleef is de eerste die ziek wordt. Ze krijgt roodvonk. De diagnose wordt in de barak gesteld door een Amsterdamse vrouwelijke arts, dokter Knorringa, de joodse huisarts van vader Jo Brommet. Frieda neemt de roodvonk al snel van Ronnie over. Rebecca herinnert zich later hoe het kwam: Frieda en zij hadden drie dagen niet gegeten. Rebecca had haar brood verkocht. Of beter: geruild voor een wollen vestje voor Frieda. Zoals ze eerder al eens het brood uit haar eigen mond had gespaard om het te ruilen tegen een bakje melk voor Frieda. Maar de roodvonk is een ramp. Frieda moet naar de ziekenbarak, de Revier. En is daardoor afgescheiden van haar moeder, die zich ten volle realiseert dat dit voor beiden het einde kan betekenen. Frieda herinnert zich nog een navrant detail: ‘Toen ik de ‘Revier’ inging, kwam ik Herr Doktor Mengele tegen, die zojuist had uitgezocht wie hij de volgende ochtend zou komen halen om te vergassen. Wel kwam hij diezelfde avond de nog aanwezige kinderen een stukje chocola brengen.’

Anne Frank

In de ziekenbarak komen Ronnie en Frieda bij elkaar in één bed te liggen. Ronnie aait Frieda over haar inmiddels voor straf kaalgeschoren hoofd en zegt: ‘Hè, lekker, net een kerel.’ Na een poosje moeten ze verhuizen. Lopend, met een paardendeken omgeslagen, verkassen ze naar een volgend blok, het Krätzeblock. Daar liggen twee bekenden, twee meisjes uit Amsterdam-Zuid, Margot en Anne Frank. Ze hebben in dat smerige kamp, onder die volstrekt onhygiënische omstandigheden schurft opgelopen. Eerst Anne, ze zit onder de kleine zweertjes die verschrikkelijk jeuken. Haar oudere zus Margot is uit solidariteit met haar meegegaan naar deze ziekenbarak, en het is onvermijdelijk dat ze na verloop van tijd de zeer besmettelijke ziekte ook oploopt.

Edith Frank, de moeder van Margot en Anne, is wanhopig. Ze kan geen hap meer door haar keel krijgen en probeert het stukje brood dat ze per dag krijgt bij haar dochters te bezorgen. Daartoe graaft een vriendin, Lenie de Jong, een gaatje onder de houten wand van de barak door, en langs die weg kan Edith Frank haar kinderen iets extra’s toestoppen. Diezelfde methodiek volgt de al even wanhopige Rebecca Brommet. Het gat dat zij, gadegeslagen door Edith Frank, graaft is groter en dieper. Ze kunnen er ook door communiceren. Als het kampregime het maar enigszins toelaat, verschijnen de moeders Frank en Brommet bij die kuil om mededelingen aan hun dochters door te geven. Frieda is zo verzwakt dat ze niet meer kan lopen en dus niet meer bij dat gat onder de barakwand kan komen om met haar moeder te praten. Ronnie van Cleef speelt postiljon. Zij kan wél naar de plek toekomen en geeft de boodschappen van moeder Brommet door aan dochter Frieda. Zo blijft ze op de hoogte van nieuwtjes uit het kamp. En zo krijgt ze ook af en toe een extra stukje brood toegespeeld. In een interview met auteur/filmmaker Willy Lindwer heeft Ronnie van Cleef een beschrijving gegeven van het optreden van de beide moeders: ‘Ze zwierven als moederdieren rond de barak, ze probeerden ons zo veel mogelijk voedsel te bezorgen. Dat is ook gelukt. Rebecca riep mij steeds, omdat ik als eerste in de barak was gegaan en er dus fysiek het beste aan toe was. Nou, dan ging ik naar dat gat en dan gaf ze me brood of iets extra’s, dat ze ergens georganiseerd hadden.’

Het is een beeld dat je niet meer loslaat: moeders, die als leeuwen vechten voor het leven van hun dochters, daarvoor op rooftocht gaan, en alle normen overschrijden die ze in het normale leven strikt in acht namen. Frieda zelf weet nog dat die twee moeders tegen elkaar altijd de etiquette volhielden: ze tutoyeerden elkaar niet, het was en bleef ‘mevrouw Frank en mevrouw Brommet’.

Op een dag doen Ronnie en Frieda in de ziekenbarak een belangrijke vondst: er ligt een platina horloge in de matras, verstopt door een vorige gevangene. Opeens gaat er ook eens iets de andere kant op, onder de barakwand door. Edith Frank en Rebecca Brommet slagen erin het horloge om te zetten in wat extra eten voor hun dochters.

Ronnie van Cleef en Margot en Anne Frank worden eind oktober uit de ziekenbarak ontslagen. Frieda Brommet is daar te ziek voor. Ze blijft alleen achter. Ze herinnert zich heel veel later nog de laatste nacht dat ze met Ronnie in één bed lag: ze was zo ziek dat ze haar bedgenote helemaal onderkotste. De eerste symptomen van tyfus. ‘Maar dat wisten we toen nog niet, en Ronnie heeft het niet gekregen.’

Margot en Anne Frank komen in een transport terecht dat hen naar Bergen-Belsen brengt, waar de zusjes de dood zullen vinden. Hun moeder blijft in Auschwitz achter, ze sterft drie weken voor de komst van de Russische bevrijders. In die periode blijft ook Frieda’s moeder Rebecca dagenlang weg. Ze slaagt erin zich te onttrekken aan het transport naar Bergen-Belsen door zich ziek te houden, maar het gevolg is dat ze niet in de buurt van de barak van Frieda kan komen. Die gaat er vanuit dat ze definitief van haar moeder is gescheiden.

Het ligt voor de hand dat de eenzaamheid Frieda in november fataal zou zijn geworden als ze niet in de ziekenbarak liefdevol zou zijn opgenomen door een aantal Franse meisjes. Die hebben zo met haar te doen, dat ze spontaan tot hun stiefzusje wordt uitgeroepen. Mocht haar moeder niet meer terugkomen, dan zullen de Franse meisjes zich over haar ontfermen en haar na de bevrijding – want die moet toch ooit komen – meenemen naar Frankrijk.

Maar haar moeder komt terug. Ze is inmiddels écht ziek geworden, ze heeft Durchfall – diarree, de ziekte waaraan zoveel kampbewoners in het laatste jaar van de verschrikkingen zijn bezweken. Rebecca slaagt erin om in de ziekenbarak in de buurt van haar dochter te komen, en uiteindelijk ook in het bed naast haar. Dat is een, naar verhouding, gunstige bijkomstigheid. Frieda heeft haar steun en toeverlaat weer bij zich. Maar ze gaat hard achteruit. Ze herinnert zich: ‘Behalve tyfus had ik inmiddels ook Durchfall gekregen. Ik kon niets meer verdragen, ook niet meer dat mijn moeder naast me in ‘bed’ lag. Toen is een van die Franse meisjes voor mij haar bed uitgegaan en bij een ander gaan liggen, zodat ik alleen kon liggen. Nou, dat is een gift, onder die omstandigheden, daar ben ik haar zo ontzettend dankbaar voor, nog altijd.’

In de ziekenbarak heeft Frieda contact met een Tsjechische arts, een vrouw, die Ilonka heet. Ze spreken Frans met elkaar, en Ilonka doet haar best om haar patiënt te redden. Maar op een gegeven moment moet ze Frieda toch meedelen dat ze haar niet langer mag houden, en haar moeder ook niet. Maar omdat ze allebei aan dezelfde kwaal lijden kan ze ze bij elkaar houden en doorverwijzen naar het speciale Durchfall-lager, een afdeling voor patiënten met diaree.

Frieda denkt er met afschuw aan terug: ‘Dat was een complete hel. Geen eten en geen drinken, en Poolse vrouwen die er ’s nachts huishielden. Je kunt het je niet voorstellen, zo erg was het daar. Mijn moeder zei dat ze ze ’s nachts zelfs patiënten hebben vermoord.’

Rebecca schrijft in 1945 aan haar broer in Amerika: ‘Het was toen ontzettend koud. Wat wij in dat blok gezien hebben, is niet te beschrijven. Allemaal geraamten en die werden nog heel erg geslagen ook. Op een gegeven moment moesten wij daar weg. We waren er niet erg genoeg aan toe, wij hadden geen diarree genoeg. Maar het was niet zo erg, want in die barak kregen wij helemaal niks te eten.’

Moeder en dochter, die na de oorlog steeds bleven zeggen dat ze het hebben overleefd ‘omdat ze geen poep genoeg hadden’, moeten weer naar een andere barak. Daar krijgt Frieda er nog een ziekte bij, pleuritis aan beide zijden, volgens haar moeder opgelopen in een latrine waar het zo gruwelijk koud was dat je er niet naar toe wilde. Rebecca’s grote zorg is dat ze haar dochter, die nog maar hooguit 45 kilo weegt en langzamerhand op het randje van de dood zweeft, in de steek moet laten. Ze is zelf eigenlijk niet ziek meer, maar ze doet of ze niet kan lopen door de ischias. Ze weet precies wat de symptomen van die aandoening zijn, want haar man Jo heeft eraan geleden. Ze loopt net zo krom als ze Jo heeft zien doen tijdens ischiasaanvallen. En daarnaast simuleert ze ook nog een maagkwaal – ze klaagt voortdurend over haar gezondheid, alleen maar om bij Frieda te kunnen blijven. In 1945 schrijft ze daarover: ‘Frieda werd steeds zieker. En ik had erbij de angst dat ik uit het ziekenhuis zou worden gestuurd. Hoe zieker Frieda werd, hoe meer ik moest klagen.’

Een beetje dood

Je vraagt je af of Frieda, in die peilloze ellende nooit eens naar de dood verlangde, die een verlossing zou inhouden. Het antwoord klinkt resoluut: ‘Nooit, ik heb nooit naar de dood verlangd. Ik heb nooit geloofd dat ik dood ging. Dat vind ik zelf tegenwoordig eigenlijk raar, maar het is wel waar. Misschien was ik wel te ziek om er naar te verlangen, en misschien wás ik wel een beetje dood, want Ronnie van Cleef, die in het begin bij me was, die zegt weleens: Je wás er helemaal niet.’

Dat ze de hel van Auschwitz heeft overleefd, schrijft Frieda geheel toe aan haar moeder: ‘Alleen had ik het niet overleefd. Alleen kón je het niet overleven. Mijn moeder heeft mij fysiek helpen overleven, en ik heb haar mentaal laten overleven. Omdat ik haar nodig had, heeft zij alle ellende doorstaan. Dat is een heel bijzonder proces. Het wil niet zeggen dat we altijd twee zielen, één gedachte waren, nee, ze was een heel ander mens dan ik en bleef dat. ‘Zij hield van heel andere dingen dan waarvan ik hield, maar het meeste hield ze van mij. Dat staat vast.’

Overleven

Van de 107 duizend Nederlandse joden die in de Tweede Wereldoorlog naar de vernietigingskampen zijn gedeporteerd, zijn er in 1945 vijfduizend teruggekeerd. Er zijn nog maar weinig mensen over, die kunnen verhalen van de verschrikkingen van de kampen. Sommigen doen dat liever niet, anderen vinden het belangrijk om als overlevende het verhaal van de jodenvervolging door te vertellen.

Tot die laatste categorie behoort Frieda Menco-Brommet (1925). Ze zweefde in Auschwitz geruime tijd op het randje van de dood. Om haar kind aan voedsel te helpen ging Frieda’s moeder, Rebecca Brommet, zij aan zij met Edith Frank (de moeder van Anne en Margot) op rooftocht door het kamp.

Het lukte Rebecca om Frieda door de hel te slepen en haar levend in Nederland te krijgen. Jaren later vertegenwoordigde Frieda de joodse gemeenschap, onder meer als voorzitter van het Verbond van Liberaal Religieuze Joden in Nederland. Ze was de eerste, en tot nu toe enige vrouw die zo hoog steeg in joods Nederland. In 1991 kreeg ze van minister Hirsch Ballin een koninklijke onderscheiding opgespeld, op de plek waar eerst haar Davidsster zat.

Frieda, verslag van een gelijmd leven is een uitgave van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, in de serie Getuigen van Westerbork.

Dit artikel verscheen op 20 januari 2007 in de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.