EssayAuschwitz

Voor Melcher de Wind was Auschwitz altijd een absolute no-go. Toch werkte een bezoek ‘bevrijdend’

Nooit zou Melcher de Wind het vernietigingskamp bezoeken dat zijn vaders leven had getekend. Maar toen hij toch ging, voelde dat als een overwinning.

null Beeld Frann de Bruin
Beeld Frann de Bruin

Auschwitz, oktober 2019. Ik zit op een stenen rand voor het internationale monument. Ik sluit mijn ogen en koester me in de warmte, de zon voelt haast weldadig.

Plots realiseer ik me dat genieten op deze plaats wellicht ongepast is en beschaamd kijk ik op. Rechts voor me liggen de resten van de gaskamers. De journalist zit nog naast me en ik vraag me af of ze het heeft opgemerkt.

‘Wat doet het met je om hier te zijn?’, vraagt ze, er klinkt verbazing in haar stem.

Ja dus.

‘Het is onwezenlijk. Daar ergens is zo’n beetje mijn hele familie vermoord.’

De journalist wil naar de ruïnes toe lopen, maar ik hoef er niet dichterbij te komen. Jarenlang heb ik gewerkt aan het inpakken en netjes wegbergen van mijn angsten en ik kan het me zeker op deze plek niet permitteren om die nu tevoorschijn te halen, om het risico te lopen dat al die moeite voor niets is geweest.

‘Indrukwekkend’, zeg ik, van een veilige afstand. Maar eigenlijk heb ik zin om een foute grap te maken.

Eindstation Auschwitz

Begin dit jaar kreeg de heruitgave van het boek Eindstation Auschwitz van de in 1987 overleden psychiater Eddy de Wind wereldwijd overrompelend veel aandacht. In Nederland bereikte het de eerste plaats van de bestsellerlijst en ook internationaal was het met 32 vertalingen buitengewoon succesvol. De Wind was de eerste gevangene die na het vertrek van de nazi’s vanuit het kamp verslag deed van de verschrikkingen die zich er hadden voorgedaan. Voor zijn zoon Melcher en de rest van de familie, die tot de herpublicatie besloten, bracht de uitgave veel met zich mee. Melcher de Wind beschrijft in een terugblik de vertwijfelingen, tegenstrijdige emoties en ongemakkelijke gevoelens die een jaar lang herdenken met zich meebrachten.

Auschwitz was voor mij altijd een absolute no-go. De enige plek op de wereld waarvan ik zeker wist dat ik er nooit heen zou gaan. De plek waar mijn familie gedwongen naartoe was getransporteerd om vervolgens als zieke dieren te worden vergast. De plek die mijn vader ternauwernood had overleefd, waar hij de diepe sporen opliep waarvan hij de rest van zijn leven last zou houden, die ervoor zorgden dat wij als kinderen opgroeiden in een sfeer van angst en schuldgevoel. De plek ook waar hij, in een schrift dat hij in de voorraden van de SS had gevonden, het boek schreef waarvoor ik dan jaren later toch in Auschwitz belandde.

Het schrift stond bij ons thuis in de kast. Toen ik klein was, viel het me niet erg op. Ik herinner me dat ik er een keer doorheen bladerde. Het was volgeschreven, ik kon nog niet lezen en had geen idee wat erin stond, laat staan dat ik me realiseerde hoe belangrijk dat document was. Het leek erop dat mijn vader zich dat zelf ook niet goed realiseerde, want waarom had hij het anders zomaar, tussen andere boeken, in de kast gezet?

Toch was het schrijven van zijn verhaal in dat schrift wellicht het belangrijkste wat mijn vader in zijn leven heeft gedaan. Het was de opdracht die hij zichzelf na de bevrijding van Auschwitz door het Rode Leger gaf in ruil voor zijn eigen leven. In de greep van beklemmende gedachten en verscheurd door angst en verdriet lonkte de dood als een verlossing. De drang om te getuigen gaf hem een reden om verder te leven. ‘Ik moet blijven leven om dit te vertellen, om iedereen ervan te vertellen, om de mensen ervan te overtuigen, dat dit waar was...’, zo schreef hij.

Maar niet alleen voor hemzelf is dit verhaal het belangrijkste wat hij heeft nagelaten. Eindstation Auschwitz is een uniek verslag vanuit de buik van het monster. Dat het nog tijdens de oorlog in het kamp zelf is geschreven, geeft het boek een rauwheid en echtheid die het welhaast onvermijdelijk maken. Dit boek laat zien hoe Auschwitz werkelijk was, tot welk gedrag mensen kunnen vervallen en hoe hoop en liefde je kunnen redden.

Twee keer al had mijn vader Eindstation Auschwitz uitgegeven, beide keren met weinig succes. Vlak na de oorlog was dat verklaarbaar, Nederland was in wederopbouw en er was weinig ruimte voor het verhaal over de verschrikkingen van Auschwitz. Toch is hij er altijd mee bezig gebleven, zo werkte hij tot aan zijn dood in 1987 aan een Engelse vertaling. Zijn overlijden was vrij plotseling en bruut, op zijn sterfbed meende hij weer in Auschwitz te zijn. Wij, onze moeder, mijn broer en zus en ik, wisten ons geen raad met zijn beladen erfenis.

Het huis waar wij waren opgegroeid was vlak na de oorlog door onze vader zelf gebouwd. Hij noemde het ‘Te Loevert’, wat betekent dat je voor de wind uit zeilt, dat het je voor de wind gaat. De realiteit was helaas weerbarstiger en in huize Te Loevert was het veelal onrustig en stormde het regelmatig. Zo heftig en langdurig dat het gezin uit elkaar werd geslagen. Het schrift en het boek verdwenen daardoor naar de achtergrond.

Tot het boek in 2018 werd herontdekt. Het originele schrift kreeg een prominente plaats in een grote internationale tentoonstelling over Auschwitz, die opende in Madrid, en uitgevers toonden belangstelling. Het gezamenlijk uitgeven van het boek was geen sinecure en leidde aanvankelijk tot veel spanning tussen ons, maar het gaf ons ook een ijkpunt, een nieuw doel, en het bracht ons uiteindelijk weer nader tot elkaar.

Namens de familie nam ik de heruitgave ter hand. Ik kwam terecht in een proces dat me veel leerde over de rol die het verleden van mijn vader in mijn leven speelde en dat me hielp om de ‘vloek’ van Auschwitz eindelijk van me af te schudden. Kortom, ik kwam terecht in een herdenking die ruim een jaar duurde.

In veel opzichten is mijn vader mijn kompas. Hij kon met een paar woorden of een enkele opmerking richting geven aan mijn denken. Soms zei hij ineens iets over de oorlog, vaak zonder dat ik ernaar vroeg, alsof hij zich wilde verontschuldigen voor zijn verleden en voor de angst die om hem heen hing, waarvan hij wist dat die ook ons belastte.

‘Hoe naar een geschiedenis ook is, het is toch beter om een kind de waarheid te vertellen. Want kinderen voelen het heel goed aan als je niet de waarheid vertelt, en de angstige fantasieën die ze dan krijgen zijn nog veel schadelijker.’ We liepen samen naar de Rai, waar een bijeenkomst was in het kader van de herdenking van de bevrijding van Auschwitz. Mijn vader liep naast me toen hij me dit zei, met zijn handen op de rug. Hij staarde in de verte. Dat deed hij vaak als hij met me sprak. Alsof hij niet over het verleden en de oorlog kon praten als hij me aankeek.

De herdenking vond ik vreselijk. Het verdriet en het onvermogen tot rouwen hing tussen de mensen. De overlevenden van Auschwitz vormden als het ware een nieuwe familie, als surrogaat voor de familie die er niet meer was. En net als in elke familie waren er ook hier spanningen en verwijten. Maar dan heftiger, uitvergroot door het gedeelde trauma. Mijn vader kende vrijwel iedereen, maar niet iedereen was blij om hem te zien.

Zoals de vrienden van zijn ex-vrouw Friedel, die hij had leren kennen in Westerbork en met wie hij in het kamp was getrouwd, maar met wie de relatie na de oorlog niet standhield. Dat mijn vader vervolgens trouwde met een niet-Joodse vrouw, een ‘sjikse’, maakte hem voor sommigen zelfs tot een verrader van het Jodendom.

Of zoals de familie van mensen die mijn vader niet had kunnen behoeden voor het dodelijke transport vanuit Westerbork, terwijl hij daar werkte als arts – een positie die hem de mogelijkheid bood mensen zo nu en dan ‘af te keuren’ voor transport op basis van hun zwakke gezondheid.

Door alle emoties en onuitgesproken verwijten was de herdenking voor mijn vader slopend, en toen we terug naar huis liepen was hij in de war. Thuis trok hij zich terug en dagenlang bleef hij van slag.

En zo waren eigenlijk alle herdenkingen die ik me uit mijn jeugd herinner ellendig. Mijn vaders onvermogen om het verdriet te verwerken leidde vaak tot heftige angst- en paniekaanvallen in de dagen voor en na de herdenking. Bij de bijeenkomsten zelf was ik voornamelijk bezig mijn vader in de gaten te houden. Ging het wel goed met hem? Kon hij het wel aan, of dreigde er paniek?

null Beeld Frann de Bruin
Beeld Frann de Bruin

Nog altijd probeer ik herdenkingsbijeenkomsten zo veel mogelijk te vermijden. Ik ervaar ze als ongemakkelijk en geforceerd, ik herdenk liever op mijn eigen manier en op mijn eigen moment. Maar elk jaar twijfel ik weer: moet ik niet eer betonen aan al die mensen die hebben geleden, gestreden of zijn overleden door wel aanwezig te zijn? Ik kan het maar moeilijk opbrengen en vrijwel altijd laat ik het aan me voorbijgaan.

Een aantal jaren geleden was ik voor de laatste keer bij de nationale herdenking op de Dam, toen tijdens de twee minuten stilte de Damschreeuwer toesloeg. De verwarring die dat met zich meebracht was me welkom, de voor mij ongemakkelijke bijeenkomst werd afgebroken en opgelucht verliet ik de herdenking. Maar ook toen sloeg de vertwijfeling toe, ik voelde me schuldig over mijn gevoel van opluchting en besloot me in ieder geval de komende jaren niet meer aan een herdenking te wagen. Totdat de heruitgave van mijn vaders boek me noodzaakte om ook deze angst onder ogen te komen.

De enorme waarde van het verhaal van mijn vader werd alom herkend. De samenwerking met een literair agent zorgde ervoor dat het boek nu over de hele wereld is verschenen, in meer dan dertig talen. Voor ik het wist had ik toegezegd een groot aantal landen te gaan bezoeken om de verschijning van het boek te begeleiden, en er kwamen steeds meer verzoeken van journalisten om met mij naar Auschwitz te gaan. Het idee benauwde me enorm, maar ik voelde dat dit mijn kans was om stappen te zetten in mijn eigen verwerking, om los te komen van de angsten die alleen al de naam Auschwitz bij me opriep, en ik zei toe.

Om me voor te bereiden op de trip die ik met een grote, internationale groep journalisten zou maken, besloot ik om met Stefanie, mijn vriendin, op vooronderzoek naar Auschwitz te gaan. Het kamp had door de jaren heen in mijn hoofd mythische, apocalyptische proporties aangenomen. Maandenlang zag ik op tegen de reis, maar toen hij helemaal gepland en geboekt was, legde ik me erbij neer. De angst zakte en ik begon me vreemd genoeg ook te verheugen op het ontdekken van de plek die zo belangrijk voor me was.

Alles zat mee, het was prachtig weer en de gids die ons bij het hotel ophaalde, zorgde ervoor dat ik met mijn gedachten in het heden kon blijven. In de auto vertelde hij honderduit over zijn huwelijksproblemen en toen zijn vrouw belde en hij met één hand aan het stuur hard over de bochtige weg reed, werden de emoties hem te veel. Luid tierend reed hij half een greppel in en met moeite kreeg hij de auto weer op de weg. ‘Omgekomen op weg naar Auschwitz’, zei ik lachend tegen Stefanie. De toon was gezet, ruimte voor mijmeren en angstig vooruitzien was er niet meer.

Auschwitz zelf viel me mee en tegen. Het was niet de plek uit mijn nachtmerries. In de zon lag het kamp er prachtig bij. Het was ‘netter’ dan ik me had voorgesteld, met mooie stenen barakken en nergens lijken die in de sneeuw en modder lagen. Maar Auschwitz is vooral een leeg museum, een doodse plek waar het moeilijk is voor te stellen wat voor verschrikkelijks zich daar heeft afgespeeld.

In de barakken hebben verschillende landen een museumpaviljoen ingericht over de Holocaust in hun eigen land. Allemaal gaan ze over dood en vernietiging, vrijwel nergens kon ik iets vinden over de plek waar we waren, over het ‘leven’ in Auschwitz, over hoe het kamp werkte, de dagelijkse selecties, de honger, de slavernij... Kortom, over wat het betekende om daar gevangen te zijn.

Terwijl ik er rondliep, realiseerde ik me wat het boek van mijn vader werkelijk betekent: het geeft je de kans om Auschwitz ‘echt’ te bezoeken, meer nog dan een bezoek aan het kamp zelf neemt het je mee in de pijn, de angst, de willekeur en het sadisme die er heersten. Maar ook in de solidariteit en de hoop die de gevangenen op de been hielden.

Het bezoek werkte bevrijdend. Het klinkt wellicht raar, maar het was alsof de trip Auschwitz voor mij ‘vermenselijkte’. Dat ik in Auschwitz kon lopen zonder heftige angsten, was een overwinning. Mijn vader had het kamp overleefd, had er na de bevrijding nog maanden als arts gewerkt en er zijn boek geschreven. Auschwitz had hem er niet onder gekregen, en dat ik daar nu kon lopen maakte hem tot een overwinnaar. Ik voelde me meer en meer ongelofelijk trots op hem.

In Auschwitz trok ik twee dagen op met een cameraploeg van de NOS. Ze maakten een documentaire over mijn bezoek, die zou worden uitgezonden op de avond van de 75-jarige herdenking van de bevrijding van het kamp, in januari 2020. Terug in Nederland werd ik door de NOS gevraagd naar de Auschwitzherdenking in het Wertheimpark te komen, zodat ze me daar ‘live’ konden filmen, als aankondiging voor de speciale uitzending later die avond.

Ik kom af en toe in het park om het Auschwitzmonument van Jan Wolkers te bezoeken. Ik spiegel me dan in zijn kunstwerk: de gebroken spiegels die verbeelden dat de hemel na Auschwitz nooit meer ongeschonden zal zijn. Het raakt me en geeft me een prettig gevoel van berusting. Met de ervaringen die ik tijdens mijn buitenlandse reizen en mijn bezoek aan het kamp had opgedaan, hoopte ik dat ik dit gevoel kon meenemen naar de herdenkingsbijeenkomst.

Enigszins zenuwachtig maar vol goede moed ging ik ernaartoe. Samen met Stefanie stond ik in de menigte. Mensen om me heen begroetten elkaar, ik kende niemand. Nog voor het officiële deel aanving, filmde de cameraman van de NOS hoe ik daar stond. ‘Zo, we hebben een belangrijke gast naast ons staan’, zei mijn buurman. Even daarvoor had hij meerdere andere bezoekers begroet, hij hoorde duidelijk bij de incrowd.

Premier Rutte bood in zijn speech namens de regering excuses aan voor ‘het overheidshandelen van toen’. Mijn gedachten schoten alle kanten uit. Joden en andere slachtoffers van de vervolging waren inderdaad schandalig behandeld door de Nederlandse overheid. Niet alleen tijdens de oorlog, maar ook na terugkomst uit de kampen. Ik kon me dan ook niet voorstellen dat er niet eerder excuses waren aangeboden. Maar ook dwaalden mijn gedachten af naar de keer dat Rutte hier geboren Turkse Nederlanders ‘pleur op’ toesnauwde, en aan het gebrek aan solidariteit met de zo vreselijk vervolgde Oeigoeren in China.

Om me heen klonk echter instemmend gemompel; ik leek de enige die vertwijfeling voelde. Zelden voelde ik me misplaatster en ongelukkiger dan op dat moment. Het was alsof ik hier niet thuishoorde en ik was opgelucht toen we het park konden verlaten. Maar ook leeg en verdrietig.

Mijn weerstand tegen herdenkingen blijkt een scherp en hardnekkig randje van het trauma dat ik in mijn jeugd heb opgelopen, een randje dat ik maar niet weggeslepen krijg. Maar er is meer. Voor mij is herdenken niet iets wat ik één keer per jaar doe – twee minuten stilte en mijn taak zit er weer op. Het is een doorgaand proces, een verantwoordelijkheid die ik voel als gevolg van wat mijn familie is overkomen.

‘Herdenken is pas nuttig als het je aan het denken zet en je er vervolgens ook wat mee gaat doen’, zei mijn vader me. Zijn eigen leven is hiervan een prachtig voorbeeld. Niet alleen met het boek dat hij heeft nagelaten, maar ook in zijn werk, zijn denken en zijn daden probeerde hij anderen aan te zetten om niet alleen terug te kijken en te herdenken, maar vooral ook te denken en te doen. Zo gebruikte hij als psychiater zijn ervaringen uit de oorlog om zwaar getraumatiseerden te behandelen, en ook op andere maatschappelijke vlakken liet hij actief zien dat hij wat de oorlog hem geleerd had ter harte nam. Al kort na de oorlog bezocht hij scholen, ook in Duitsland, om te vertellen over zijn ervaringen en met jongeren te bespreken hoe dit soort tragedies in de toekomst konden worden voorkomen. Ik heb het dan ook nooit als toeval gezien dat zijn laatste interview, dat pas na zijn overlijden verscheen, met het blad van Amnesty International was, de organisatie die bij uitstek dat doet wat mijn vader zo belangrijk vond: wereldwijd opkomen voor de rechten van de mens.

Mijn weerstand tegen herdenkingsbijeenkomsten heb ik nog niet overwonnen, maar een jaar lang herdenken heeft me veel gebracht. Ook mooie en troostende verhalen. Eén ontmoeting in Boedapest is me zeer dierbaar. Eindstation Auschwitz werd gepresenteerd op een formele bijeenkomst in een onvoorstelbaar mooie, klassieke zaal in het centrum van de stad. Een gemêleerd gezelschap, onder meer bestaande uit ministers en overlevenden van Auschwitz, luisterde naar een aantal toespraken, muziek en een interview met mij over het boek. Ik bedankte de overlevenden voor hun aanwezigheid en zei dat ik me dankbaar voelde dat ze waren gekomen.

De geschiedenis van de Hongaarse Joden in Auschwitz is onvoorstelbaar hard en wreed. In de laatste zomer voor de bevrijding werden ze massaal naar het kamp afgevoerd. Honderdduizenden werden er vergast, slechts een paar duizend overleefden de hel.

Ik dacht terug aan een keer dat ik samen met mijn vader in de auto zat. Weer zo’n moment dat hij me niet hoefde aan te kijken en in zichzelf voor zich uit kon praten. Ik was 16 jaar en probeerde me voorzichtig, stukje bij beetje, los te maken van de gruwelijke zwaarte van Auschwitz. Er moesten toch lichtpunten zijn? Het kon toch niet alleen maar onmenselijk zijn?

‘Heeft ooit iemand de gaskamer overleefd?’ Ik vroeg het beschroomd en was bang voor het antwoord.

Na een tijdje in stilte voor zich uit te hebben gekeken gaf mijn vader antwoord.

‘Er was een groep Hongaarse kinderen die levend uit de gaskamer kwam.’

Dus toch. Er was niet alleen maar zwart, er is altijd hoop. Ik voelde een enorme opluchting.

‘Daarna zijn ze levend verbrand.’

Het duizelde me. Blijkbaar had je niet alleen de hel, het kon nog erger.

Nadat het officiële programma in Boedapest was afgelopen, stond ik wat verloren bij het buffet. Er kwam een heel oude mevrouw naar me toe, ondersteund door een jongere vrouw. De laatste vroeg of ze me konden storen. Ze vertelde dat de oude mevrouw haar tante was en dat ze me wat wilde vertellen, zij zou vertalen.

‘Ik ben in de nazomer van 1944 naar Auschwitz afgevoerd. We werden meteen meegenomen naar de gaskamers. Toen de deuren dichtgingen waren we allemaal doodsbang, maar na een paar minuten gingen de deuren weer open. We werden weggebracht naar het kamp.’

Ik was met stomheid geslagen.

‘Dus u heeft de gaskamer overleefd?’

‘Ja, er was iets mis en daardoor bleven we gespaard.’

Ook nu duizelde het me. Dus toch. Verwarring en opluchting streden om voorrang. Ik wist niets meer te zeggen, pakte de handen van de oude vrouw, kuste ze en bedankte haar voor haar verhaal.

Telkens weer als ik terugdenk aan dat moment, emotioneert het me. Ik weet niet wie de vrouw is. Ik ken haar niet, maar in mijn hoofd ben ik van haar gaan houden. Haar verhaal geeft me vertrouwen en het besef dat herdenken niet alleen terugdenken aan pijn moet zijn, maar vooral ook hoopvol naar de toekomst kijken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden