Fokke Obbema

Achtergrond Fokke Obbema

Voor even dood: leven na een hartstilstand

Fokke Obbema Beeld Jitske Schols

Vorig jaar ging ik plotseling even dood. Om precies te zijn was het op zaterdag 1 april, om een uur of één ’s nachts. Na een week van avonddiensten op de redactie van de Volkskrant lag ik diep in slaap. Een dag eerder had ik nog zeventig kilometer op mijn racefiets afgelegd, met een aardig gemiddelde. Op 54-jarige leeftijd zag ik dat als een indicatie van mijn goede gezondheid. Nooit gerookt, een matig drinker, geen overgewicht, dagelijks gezond eten en enkele keren per week sporten – wat kon mij gebeuren?

Mijn sterfelijkheid had ik nooit zo serieus genomen. Pas als vijftiger kreeg ik direct met de dood te maken, toen mijn vader overleed. Hij werd 84 jaar, een mooie leeftijd gezien de tabak en drank die hij consumeerde. Hij overleed op 2 april. Zijn eigen vader was decennia eerder op 1 april overleden, midden in de nacht. Plotseling. Nu brak het weekend van 1 april 2017 aan, waarin ik de dood van mijn vader zou gaan herdenken.

Plots houdt mijn hart ermee op. En daarmee ook mijn ademhaling. Mijn geliefde, Carine, ligt te doezelen, op de rand van slaap. Ze is langer opgebleven, omdat onze oudste dochter nog van een feestje moest thuiskomen. Daarna kan ze de slaap niet direct vatten. Mijn geluk. ‘Opeens hoorde ik een hard, snurkend geluid. Daarna luisterde ik of je weer doorging met ademhalen.’ Een cruciale reflex. ‘Het zesde zintuig van vrouwen’, zou mijn cardioloog later zeggen.

Ze duwt tegen me aan. Geen reactie, doodse stilte. Ze knipt het licht aan. Ze slaat een paar keer in mijn gezicht, roept, schreeuwt, geen reactie. Ik zie lijkbleek. Ze rent naar beneden om alarm te slaan. Een beslissend moment, want anderen in haar positie verliezen tijd door het zelf te willen oplossen of door van angst te verstijven. ‘Ik zag meteen dat dit te groot was voor mij alleen.’

Mobiel, toegangscode intikken, dan 112. ‘Mijn man wordt niet meer wakker!’, schreeuwt ze. Het is na middernacht op 1 april, dus vraagt de telefonist of het geen grap is. ‘Nee, nee, hij wordt niet meer wakker!’ Meteen krijgt ze instructies voor reanimatie. ‘Trek hem op de vloer, hij moet een harde ondergrond hebben.’ Boem, daar lig ik. ‘Een, twee, drie, vier’, bij iedere tel moet ze zo hard mogelijk op mijn borstkas duwen. Een race tegen de klok, want na vijf minuten treedt onherstelbare schade aan de hersenen op.

Ze masseert uit alle macht, aanvankelijk alleen op de vierde tel. ‘Nee, op iedere tel’, corrigeert de 112-mevrouw. Inmiddels loopt er schuim uit mijn mond. ‘Je zag er echt heel eng uit’, zal Carine later zeggen. Onze 10-jarige dochter kijkt toe, onze oudste van 15 is spontaan naar beneden gerend om hulptroepen direct binnen te laten. Die arriveren razendsnel: politiemensen, brandweerlieden, ziekenbroeders, een ambulance en even later ook nog een kraanwagen. In een mum van tijd rennen tenminste acht man naar vier-hoog. Prachtland.

Vier brandweerlieden komen de slaapkamer binnen. Eén van hen neemt het reanimeren van Carine over, de anderen maken ruimte – ze gooien het matras op de gang, zetten het bed rechtop. Carine moet bij de kinderen in de belendende slaapkamer blijven, samen met twee vrouwelijke agenten. De brandweerlieden merken dat een meegebracht aed-apparaat geen uitkomst biedt, omdat ik een ‘flatline’ heb – de elektrische activiteit van het hart is geheel stilgevallen. Het moet via ouderwetse hartmassage. Een ambulancebroeder plaatst een adrenaline-injectie rechtstreeks in mijn hart. Niet meer dan twee minuten mag iedere brandweerman masseren, daarna neemt hun spierkracht af. Vele ronden zijn er nodig, met tien gebroken ribben tot gevolg. Ik merk er niets van. Eerste doel is zuurstof naar de hersenen krijgen. Later komt mijn hart langzaam weer in actie. Na twee uur kan de brandweer mij voorzichtig via de hoogwerker het pand uit laten zakken, de ambulance in. ‘Hij leeft, maar het is heel ernstig, mevrouw, heel ernstig’, zegt een ziekenbroeder nadrukkelijk tegen Carine. De ambulance brengt me naar het nabijgelegen ziekenhuis. Carine en de kinderen volgen in een politieauto. Een agent geeft onze jongste een knuffelbeertje.

Zaterdag en een deel van de zondag breng ik in coma door op de intensive care, kunstmatig beademd en gekoeld op 35,5 graden, om mijn hersenen te sparen. Duidelijk is dat ik het heb overleefd, maar de grote vraag is: hoe? Aan vrienden en familie vraagt Carine in een bericht aan het einde van de dag: ‘Stel hem je alsjeblieft voor in stralende gezondheid en voel het vertrouwen in zijn volledige herstel. Dat helpt ons echt!’

De eerste pogingen op zondag om me weer bij bewustzijn te brengen, zijn geen succes – ik word zo onrustig dat ik de slangen uit mijn lijf trek en word vastgebonden. Kalmerende middelen moeten me tot rust brengen. De verpleegkundigen verliezen mij geen seconde uit het oog, mijn toestand is nog precair. Ze behandelen mij vol respect (‘we gaan nu uw pols verleggen, meneer Obbema’), ook al ben ik geheel buiten westen, constateert Carine. Later zal ze over ‘de engelen van het OLVG’ spreken. Wanneer een verpleegkundige rond een uur of tien vraagt of ik in haar hand wil knijpen, doe ik dat. ‘Hij hoort, begrijpt en reageert!!’ bericht Carine de buitenwereld opgetogen.

Die middag herhaal ik dat kunststukje bij onze oudste dochter. Nooit eerder maakte ik haar zo blij. Geleidelijk kom ik bij, totaal in de war. Hoe ik op de intensive care ben beland, ik heb geen idee. Enig besef heb ik wel. ‘Breng jij de kinderen naar school?’, is mijn eerste vraag. De blijdschap van mijn naasten over die tegenwoordigheid van geest is enorm. Maar ik lig er nog uitgeteld bij.

In onze podcast het Volkskrantgeluid praat journalist Gijs Groenteman met redacteur Fokke Obbema over zijn aanvaring met de dood én de daaruit voortkomende interviewreeks over de zin van het leven.

Op maandagochtend word ik van de intensive care gehaald. Ik voel me vooral doodmoe. Op een foto van die ochtend zit ik half rechtop in mijn ziekenhuisbed en lach wat schaapachtig in de camera, met een verse Volkskrant. Die afbeelding belandt bij veel collega’s. Even daarvoor hadden ze de mededeling gekregen dat ik in het weekeinde door een hartstilstand was getroffen. Verwarring alom.

Niet in de laatste plaats bij mij. Herhaaldelijk vraag ik wat ik toch mankeer. ‘Een hartstilstand? O ja, daar heb ik inderdaad een pilletje voor gekregen.’ Ook uit het spoor van mailtjes en appjes dat ik trek blijkt mijn verwarring. Van een interviewverzoek aan een minister zie ik ‘voorlopig’ af, met het sterke argument: ‘Ik heb onverwacht een hartstilstand gekregen.’ Mijn vrienden laat ik weten dat ik erover denk de Amstel Goldrace over twee weken niet helemaal uit te fietsen. Collega’s vertel ik de volgende week weer naar de redactie te komen. Ik maak me druk over een weekenddienst en een onbetaalde rekening. Terug in het oude spoor, als een ploeg die niet heeft bemerkt dat aarde in asfalt is overgegaan.

Mijn geheugen is verstoord, zoals bij een computer waar plots de stekker uit is getrokken. ‘Je kortetermijnherinneringen waren nog niet bijgeschreven op de harde schijf’, legt een cardioloog later uit. Daardoor is de laatste week een zwart gat geworden. Maar ook nieuwe ervaringen kan ik niet opslaan. Keer op keer vraag ik Carine naar wat er is gebeurd. Langzaam dringt het tot me door dat ze een nieuwe betekenis heeft gegeven aan de uitdrukking ‘de vrouw van mijn leven’.

Zelf heb ik geen enkele herinnering aan mijn hartstilstand – alle vragenstellers naar mijn even-doodervaring moet ik teleurstellen. Ik was alleen maar thuis in bed gestapt om ruim veertig uur later op de intensive care wakker te worden. ‘Carine en de kinderen hebben iets heel ergs meegemaakt, maar ik niet’, leg ik aan mijn vriend Pieter uit. ‘Jij hebt nog een lange weg te gaan, makker’, denkt hij, zonder dat uit te spreken.

Wat ik in die eerste dagen vooral probeerde, voor zover mijn haperende geheugen dat toeliet, was het zoeken naar de toedracht van de ramp. Vermoed werd dat een kransslagader vrijwel dichtgeslibd was met plaque, een rommelig goedje van cholesterol en andere vetten. Mogelijk was een stukje daarvan losgeschoten en in de bloedtoevoer naar de sinusknoop van het hart terechtgekomen, waardoor kortsluiting optrad en het elektrische systeem uitviel. Of de kransslagader was plots in zijn geheel door plaque geblokkeerd geraakt.

Hoe dan ook, voor het cardiologisch team, ‘tien man sterk’ werd me gemeld, was de remedie duidelijk, na twee weken onderzoek en observatie. Met drie stents, een soort plastic buisjes met een gezamenlijke lengte van 4,5 centimeter, zou de kransslagader op de kwetsbaarste plek voortaan permanent worden opengehouden. Levenslang medicijngebruik van bloedverdunners en cholesterolverlagers zou de kans op recidive minimaliseren. Over dat risico moest ik niet inzitten: ‘Na deze ingreep loopt de gemiddelde Nederlander meer gevaar dan u. Bij u is het van een onbekend naar een bekend risico gegaan en u wordt er ook nog voor behandeld’, legde een cardioloog enthousiast uit.

Dertien dagen na mijn spoedopname werden de stents aangebracht – een ingreep die ik live kon volgen op een tv-scherm vol pompende vaten rond mijn hart. Twee dagen later fietste ik met mijn dochter naar de bakker. Ik voelde me een geluksvogel. De statistieken gaven me daarin gelijk. Een hartstilstand buiten het ziekenhuis wordt in 80 procent van de gevallen niet overleefd. Van de overige 20 procent loopt de helft hersenbeschadiging op. Ik behoorde tot de groep van 10 procent die er zonder kleerscheuren vanaf komt. Kon het leven nu zijn normale loop hernemen? Kon ik van ‘gezond’ naar ‘even dood’ naar ‘weer gezond’ in pakweg twee weken? Zeker is dat ik dat wilde.

Aanvankelijk was ik sterk geneigd de gebeurtenis te bagatelliseren. ‘De loodgieter is geweest en heeft het klusje geklaard’, verklaarde ik in de dagen na mijn ziekenhuisbezoek monter. Graag sprak ik over een ‘akkefietje’, een term die onze jongste dochter gretig overnam – tot ergernis van Carine die vond dat ik iedere les uit de gebeurtenis moest trekken. Mij leek de terugkeer naar mijn oude bestaan het mooist. Dat ik al in een nieuwe levensfase verzeild was geraakt, drong nog niet door.

Dus vond ik dat onze geplande meivakantie naar Valencia, vier weken na mijn hartstilstand, gewoon door moest gaan. Het werd een slopend vermoeiende week. En dus deed ik een maand later mee met een traditionele fietsweek met vrienden. Klimmen in de Ardennen – mijn artsen hadden me immers geen sportieve beperking opgelegd. Aan de revalidatie in het OLVG, te midden van amechtig hijgende dikke en oude mannen, deed ik braaf mee.

Toch wrong er al die tijds iets. De terugkeer naar het werk leek mij aanvankelijk een kwestie van dagen, maar stelde ik keer op keer uit. Dat luchtte me telkens op. Ik was er duidelijk niet aan toe, maar vond het moeilijk te benoemen wat me dwars zat. Waar was mijn werklust gebleven? ‘Neem de tijd’, was een advies dat ik van alle kanten kreeg, ook van de krant. Maar waarvoor precies?

De plotselinge vrijheid benutte ik voor een bezoek aan mijn redders. Een kleine drie weken na 1 april belde ik met Carine aan bij brandweerkazerne Victor, nabij het Muiderpoortstation. De brandweerlieden noodden ons aan de kantinetafel van de kazerne. Enkelen bleken bij ons in actie te zijn geweest. Wij vertelden onze kant van het verhaal, zij die van hen. Bijvoorbeeld dat zij meer harten masseren dan branden blussen, een verbazingwekkend gegeven. En hoe onverwacht onze komst was. ‘Dit is voor het eerst in vijftien jaar bij de brandweer dat ik dit meemaak’, zei een stoere kerel geëmotioneerd. Hij had eens een koekje gekregen van een oude vrouw, waarvan de man het niet had gehaald, maar dat was het wel. Geroerd namen we afscheid, met ferme handdrukken en omhelzingen.

In gedachten bedankte ik ook regelmatig de medische stand en alle hogere machten. Maar ja, dat was geen dagtaak. Gepieker nam bezit van me. ‘Waarom is mij dit overkomen?’, werd een kwellende vraag. Waar kwam toch die plaque in mijn aderen vandaan? Zo concreet als dat spul was en de bestrijding ervan met stents en pillen, zo vaag was het antwoord op de herkomst. De gebruikelijke risicofactoren voor hart-en vaatziekten waren op mij niet van toepassing, beaamde de cardioloog. Hartkwalen waren geen familietrekje en mijn cholesterol was licht verhoogd geweest, maar niet genoeg voor medicatie. Eigenlijk stond er op het risicolijstje maar één factor die ik serieus kon nemen: stress.

Ruim een kwart eeuw dagbladjournalistiek – voor de buitenwereld was het wel duidelijk waar het probleem zat. Zelf was ik minder overtuigd. In de maanden voorafgaand aan mijn hartstilstand was ik meelezer van een boek over het onderwerp. In Van big bang tot burn-out hadden mijn vriend en psychiater Witte en mijn collega Wilma ‘het grote verhaal over stress’ uit de doeken gedaan. Met interesse had ik gelezen over hoe de moderne mens lijdt onder zijn verouderde stressrespons-systeem.

Geen moment had ik dat persoonlijk opgenomen. Wanneer ik mijzelf vergeleek met collega’s plaatste ik me op een denkbeeldige stress-as bij de stoïcijnsere types. Met het leiden van de economieredactie tijdens de kredietcrisis of het verslaan van de aanslagen in Parijs had ik geen moeite gehad. Althans geen slapeloze nachten, geen hartkloppingen. Toen ik mezelf in het najaar van 2016 vanwege 25 jaar bij de krant trakteerde op wandelen langs de Bretonse kust, was stress ook geen thema voor me. In het dagboekje dat ik van die weken bijhield, kwam het woord niet voor. Wie mij daags voor mijn hartstilstand naar stress had gevraagd, zou een verbaasde frons als antwoord hebben gekregen. Het speelde geen rol in mijn leven, dacht ik.

Collega’s beoordeelden dat niet veel anders. ‘Voor mij was je juist een voorbeeld in het omgaan ermee’, zei een van hen. Sommigen zagen in mijn hartstilstand een reden naar hun huisarts te snellen onder het motto ‘als hem zoiets overkomt, kan het mij zeker ook gebeuren’. Maar was mijn stoïcijnse houding geen uiterlijke schijn, leed ik ondertussen niet inwendig: was ik niet eigenlijk een enorme binnenvetter? Dat woord bleef door mijn hoofd spoken. Het had een verleidelijke kracht, want het bood een handzame verklaring voor de plaque. Of was dit toch al te simpel? De twijfel sloeg toe.

Alle factoren die me op mijn werk stress hadden kunnen geven, zette ik op een rijtje. Dat leverde een verbazingwekkend lange lijst op. De dagelijkse, ‘gewone’ deadline-stress; vermoeiende avonddiensten; routinewerk met frustratie over onderpresteren als gevolg; de reeks aanslagen die de buitenlandredactie moest verslaan; de stress als gevolg van het ‘permanent aanstaan’ sinds de smartphone; de kantoortuin met zijn lage plafond en gebrek aan frisse lucht.

De jonge OLVG-cardioloog bij wie ik op controle kwam, legde ik mijn bevindingen voor. Ze haalde haar schouders op: ‘Stress? Ik weet het niet. Ik hou het in uw geval toch vooral op pech.’ Pech? Dat kon toch niet waar zijn: bijna dood door pech? Ik voelde me niet serieus genomen. Op een tuinfeestje aan een van de grachten schokte een bevriende specialist me met dezelfde conclusie. ‘Stress is gelul’, stelde hij genuanceerd. ‘Het heeft te maken met jouw fysiek – wij mensen verschillen vanbinnen net zo veel als vanbuiten. Het is pure pech, waardoor het bij jou mis is gegaan.’

Tot dan toe had de medische stand bovenal warme gevoelens bij me opgewekt. En nog altijd domineert respect voor de professionaliteit – zonder dokters had ik dit niet kunnen schrijven, zo simpel is het. Maar dat de vraag naar de diepere oorzaak werd gemeden, stelde me teleur. Die kwam alleen aan de orde wanneer ik erop aandrong. En dan leek het wel alsof er geen echte interesse voor bestond. ‘Stress is natuurlijk nooit goed’, was dan een veelgehoorde platitude.

‘Ik begrijp wel dat u het wilt weten, maar we zijn nog altijd niet veel meer dan loodgieters’, bekende mijn uiterst ervaren cardioloog, toen ik bij hem aandrong. ‘Ik begrijp dat u het niet zeker weet’, zei ik, met een lichte wanhoop in mijn stem, ‘maar als u íéts moet zeggen, wat denkt u dat het is geweest?’ Stilte. ‘Ik denk dat het met genetische factoren te maken heeft’, sprak hij behoedzaam. ‘Alleen weten we daar nog veel te weinig van. U moet die vraag over twintig of dertig jaar nog eens stellen, dan zijn we ongetwijfeld verder.’ Ook hij moest van stress weinig hebben: ‘Dat verband is niet echt aangetoond’.

Dat Leidse onderzoekers in The Lancet net een artikel hadden geschreven waarin die relatie wel degelijk werd gesuggereerd, zoals ik op internet had uitgeplozen, hield ik maar voor me. Stress was niet zo gemakkelijk te meten als cholesterol, dus konden cardiologen er weinig mee. Dat begreep ik wel, maar het bewees nog niet dat het geen rol had gespeeld.

Bovendien werd er binnen het ziekenhuis ook anders tegenaan gekeken. Een team van psychologen gaf een workshop over ‘stress en hart- en vaatziekten’ en nodigde me ervoor uit. Met een tiental patiënten zat ik in een vergaderzaaltje vier ochtenden bijeen. Ik begon sceptisch, maar ervaringen delen met lotgenoten bleek troostrijk. De herkenning was groot: hoe iedereen poogde zijn geliefden te overtuigen dat er geen reden voor angst was, ook al wist niemand dat zeker. Hoe iedereen last had van stress, in verschillende gradaties, maar toch. En hoe onzeker iedereen was over aan de slag gaan met een haperend hart. Met deze onbekenden kon ik dat ten diepste delen.

In deze sessies werd me ook duidelijk hoe belangrijk bij ziekte een vaste baan is. Een maatschappelijke tweedeling openbaarde zich in onze groep. Mijn werkgever zou me een jaar lang doorbetalen. ‘Geen enkele druk uitoefenen’ was het mantra van de krant en dat werd bij ieder contact vol overgave en overtuigend beleden. Hoe anders was het lot van de artiestenmanager, die als dertiger een hartinfarct had gekregen. Sindsdien had hij zijn werklast drastisch gereduceerd, waardoor zijn zzp-inkomen was geduikeld. En dat met vrouw en kind. Het leek me reden genoeg voor een tweede hartinfarct. Na vier maanden kreeg hij van een van zijn relaties al het verwijt: ‘Ja, maar nu ga je het gebruiken.’

Twaalf maanden stond er gemiddeld voor de verwerking van een ‘hartincident’, zo hield de psycholoog ons voor. Dat werd door alle deelnemers gretig genoteerd als een baken in een zee van onzekerheid. Ik viel er vaak op terug, wanneer ik weerzin tegen mijn werk voelde. Maar een nadeel leek alle aandacht voor stress ook te hebben – ik raakte gestresst. Of misschien klopte dat verband niet en kampte ik met de naschok van het bezoek van de dood, die zomaar in mijn slaap me had overvallen. Het was moeilijk uit elkaar te houden. Zeker was dat het leven me gaandeweg zwaarder viel.

Een afspraak maken om ergens te lunchen en dan op tijd daar zien te komen, kon me bij voorbaat behoorlijk gespannen maken. Vaste routines (dochter naar school, boodschappen doen, koken) hielpen me enigszins de dagen door te komen. Maar hoe ik daarnaast ook nog tijd voor werk zou moeten vinden, zag ik niet meer. Dat leidde tot gepieker, vooral over de financiële ellende die me zonder werk te wachten zou staan.

Fokke Obbema Beeld Jitske Schols

Een wekelijks bezoek aan een haptonoom hielp de spanning uit mijn lijf te laten vloeien. Eind juni, na drie maanden niet te hebben gewerkt, grapte ik tegen haar: ‘Ik ben echt aan vakantie toe.’ Tot mijn verbazing vatte ze dat serieus op. ‘Natuurlijk, je hebt keihard gewerkt aan de verwerking van je hartstilstand. Daar word je doodmoe van, logisch.’ Zo had ik het nog niet bezien. De calvinist in mij, die vond dat ik van de krant profiteerde door salaris te ontvangen zonder tegenprestatie, kon ik er even mee kalmeren.

De bedrijfsarts stelde voor na de zomer, in september, rustig aan de slag te gaan. Zelf dacht ik aan januari, want inmiddels maakte iedere gedachte aan werk me benauwd. Werken was op gespannen voet met overleven komen te staan. De link werkstress-hartstilstand was tot in mijn haarvaten doorgedrongen. Maar om een half jaar inactiviteit af te spreken, leek de bedrijfsarts niet verstandig. ‘De drempel om te gaan werken, wordt dan alleen maar hoger’, redeneerde ze. Dat klonk redelijk, dus ging ik akkoord met twee dagdelen per week, te beginnen bij de boekenredactie. Nu eerst maar eens de zomervakantie door zien te komen.

Al bij het wegrijden richting Frankrijk brak het klamme zweet me uit. ‘Mijn God, we moeten straks tanken’, schoot het door mijn hoofd, even buiten Amsterdam. Minutieus had ik onze reis voorbereid – tijden, campings en chambres d’hôtes lagen vast, op papier hoefden we alleen nog te genieten. Maar hoe rustig alles ook leek en hoeveel mijn naasten ook rekening met me hielden, de spanning was groot. ‘Waarom ben ik niet thuis gebleven?’, vroeg ik me herhaaldelijk af.

Concentreer je op je ademhaling en laat alle gedachten voor wat ze zijn, hield ik me voor. Probeer in het hier en nu te blijven en neem al die gedachtenspinsels niet zo serieus. Ervaar je zintuigen. De omgeving hielp mee, want we waren in het boeddhistische retraite-oord Dechen Chöling nabij Limoges, waar Carine en de kinderen iedere zomer een week doorbrengen. In de ochtend mediteren, een gezamenlijke lunch met begripvolle mensen, ’s middags in een hangmat of even op de racefiets en ’s avonds een gezamenlijke maaltijd. De spanning leek warempel weg te ebben.

Tot we die beschermende omgeving verlieten en ik weer eigen verantwoordelijkheid moest tonen. Meteen ging het mis, alle meditatie ten spijt. Vanuit een chambre d’hôte schreef ik mijn vriend Witte: ‘Ik heb het gevoel dat ik de schrik over de hartstilstand die ik nooit heb gevoeld of kunnen voelen, nu alsnog voor mijn kiezen krijg. Raak gespannen over de kleinste dingen – de route naar het restaurant, de boodschappen voor de lunch, noem maar op. Ik wil eigenlijk vooral helemaal niks, om het leven nog een beetje onder controle te houden. Paniek ligt op de loer. Vanochtend dacht ik er zelfs over met de trein naar huis te gaan.’

Per ommegaande kreeg ik een sms terug, waarin hij uitlegde dat we onze angst te sterven ‘doorgaans afweren met de dagelijkse routine en de vertrouwde rituelen en structuur van het eigen huis en vaste bezigheden’. Valt die weg, zoals op vakantie, dan zijn ‘zware nachten vol angst’ niet ongebruikelijk, wist hij als psychiater. ‘Net als bij weeën kun je erbij denken: deze wee komt nooit meer terug. Rouwen heet niet voor niets Trauerarbeit.’

Het was een tekst die ik die vakantie vaak zou raadplegen. Ik overleefde, mede dankzij Carine die mij bleef verduren en mijn stress van wijs commentaar voorzag. Maar het hoogtepunt kwam voor mij toch wel toen we Amsterdam binnenreden. Toen ik uit de auto stapte, voelde ik een grote last van mijn schouders vallen.

Die opluchting was van korte duur. De verwerking van mijn hartstilstand bleef ik als een enorme opgave zien. Eindeloos bleef de film van gebeurtenissen die ik niet had meegemaakt, zich toch in mijn hoofd afdraaien. Alsof er ergens een verborgen clou in zou moeten zitten, die me in één klap duidelijk zou maken wat de kern ervan was geweest; de diepere betekenis die ik diende te doorgronden, waarna alles goed zou komen. Alle lessen was ik inmiddels bereid te leren, als dit gepieker maar zou stoppen. Mijn psycholoog raadde meditatie en mindfulness aan.

Dat hielp wel iets, maar al te vaak bleef het spoken: het onbevattelijke van de dood, die mij even te pakken had gehad (‘klinisch dood’, heette het; een begrip dat me als kind al had gefascineerd, nu meende ik te weten waarom); het gevoel dat alles wat belangrijk lijkt, in het niet valt bij die ene grote gebeurtenis aan het einde; het gevoel van zinloosheid dat op die vaststelling steevast volgde; de geldzorgen die ik zag opdoemen.

Toch begon ik ook lichtpuntjes te zien. Meer dan vroeger lukte het me aandacht te geven aan zogenaamd kleine dingen en daarvan te genieten. Ik besefte dat die niet tussenstapjes waren op weg naar de echt belangrijke zaken. Toen ik in oktober een verjaardagsfeestje gaf (voor het eerst van mijn leven had ik het gevoel een leeftijd te hebben ‘gehaald’) vertelde ik mijn vrienden en familie daarover. Dat ik lid was geworden van een zangkoor, graag in de keuken stond, dagelijks mediteerde en nu met meer plezier over boeken schreef dan over aanslagen. En hoe ik me verbaasde over mijn interesse voor het buurtkrantje, zo mijlenver verwijderd van het boek dat ik schreef over China en Europa. Ik beleed mijn blijdschap over het bestaan zelf, dat we maar al te vaak als vanzelfsprekend beschouwen. En dat Carine me tegenwoordig ‘minder afstandelijk’ en zelfs ‘leuker’ vindt geworden, leek me de blessing in disguise. ‘Dus je zou zo’n hartstilstand ook een aanrader kunnen noemen’, zei ik, nogal overmoedig.

Zoveel luchthartigheid wist ik natuurlijk niet vast te houden. Ook in de maanden erna gleed ik nog herhaaldelijk onderuit. Toch was er sprake van een herstelproces – met kleine stapjes. Het voelde als leren lopen, merken dat de grond niet onder je voeten wegzakt en weer verder. Bemoedigend waren de woorden van mijn vriend Pieter, kenner van lichamelijke tegenslag. ‘Terwijl het fysieke herstel min of meer lineair verloopt, is het geestelijk herstel grillig’, zei hij me. ‘De vraag is zelfs of het woord herstel van toepassing is, het is meer overleven met goede en slechte dagen.’

Die bespiegeling hielp mij, toen ik in december een heftige nachtmerrie had. Plots zat ik rechtop, zwetend, en greep naar mijn razend kloppende hart. ‘Het is weer helemaal mis’, schoot het door me heen. Het duurde even voordat ik begreep dat 112 bellen ditmaal niet aan de orde was – de schrik kwam niet door fysiek falen, maar door angstbeelden. Het duurde bijna een week, voordat ik ervan was bekomen. Kort daarop was het de beurt aan Carine te schrikken, omdat ik er lijkbleek uitzag. Mijn herhaalde verzekering dat ik me best goed voelde, maakte geen indruk (‘de vorige keer dacht je ook dat er niks met je aan de hand was’), dus begaf ik me naar de Eerste Hulp bij het OLVG. Daar lag ik binnen enkele minuten plat op een bed om een hartfilmpje te laten maken – een bijna-doodervaring verschaft een enkel privilege. ‘U kunt gaan, er is niks aan de hand’, verzekerde enkele uren later een assistent-arts. Waarop zijn supervisor eraan toevoegde: ‘Garantie tot aan de voordeur.’ Dat laatste hield ik thuis maar voor me.

Aan het einde van die maand overleed collega-journalist Joost Karhof, presentator van Nieuwsuur en enkele jaren jonger dan ik. Hij had op Tweede Kerstdag de pech dat zijn vrouw niet bij hem was, toen hij even ging liggen. Dat greep me zeer aan: waarom moest hij dood en kon ik door? Onbegrijpelijk. Eerder was ik van streek door het noodlot van Ajax-voetballer Nouri. Die leeft na een hartstilstand nog wel, maar vraag niet hoe. Hadden zij pech en ik geluk? Zeker. Maar die uitleg is niet meer dan een dooddoener.

Een bevredigende verklaring ontbreekt en zal er vermoedelijk ook wel nooit komen. Met kennis over de toedracht wilde ik de illusie van controle over mijn bestaan terug. Maar uiteindelijk ben ik bar weinig te weten gekomen. Daar kan ik me inmiddels bij neerleggen. De stress van het afgelopen jaar zie ik niet meer als uitvloeisel van mijn werk, maar als een gevolg van mijn hartstilstand. Overvallen in mijn slaap door de dood – geen wonder dat het minste of geringste nadien spanning opleverde.

Minder controle over mijn bestaan dan ik zou willen – ik ervoer het heel concreet, maar het geldt voor ons allen. Tastend in het duister bewegen we ons voort, terwijl we doen alsof ons pad helder wordt verlicht. Voor een wezenlijk onderdeel van ons bestaan schermen we ons zoveel mogelijk af – ik heb het over de dood. Bij voorkeur denken we niet aan haar, alsof ons bestaan eeuwig voortduurt.

Zelf ben ik me anders tot haar gaan verhouden – noodgedwongen, zeker, maar daarom niet minder waardevol. In het voorbije jaar nam zij een onevenredig grote plaats in mijn leven in. Aanvankelijk zag ik het als mijn taak haar terug te duwen naar de randen van mijn bewustzijn. Gaandeweg veranderde dat en ben ik haar ook gaan waarderen. Juist onze eindigheid verschaft ons inzicht in wat belangrijk is en waar onze prioriteiten liggen. De dood kan ons helpen onze kijk op het leven te scherpen.

Met dat inzicht kwam ook de verbazing over hoe weinig aandacht we haar plegen te geven. Dat is van alle tijden. Al in de 16de eeuw hekelde de Fransman Michel de Montaigne die ontkenning. Acceptatie was voor deze filosoof in zijn Essays de oplossing: ‘We moeten ons vertrouwd met de dood maken, aan haar wennen en aan niets zo vaak denken als aan haar’, raadde hij aan.

Dat is misschien wat overdreven. Maar wat meer reflectie op de dood kan geen kwaad. En dan niet zozeer om aan haar te wennen, zoals Montaigne voor ogen stond, maar vooral om een poging te doen te bevatten wat ons leven eigenlijk voorstelt: wat is de betekenis ervan, heeft dit alles zin? Je hoeft niet even dood te zijn geweest om te worstelen met deze existentiële vragen. Hopelijk wilt u mij op de zoektocht naar antwoorden vergezellen.

De zin van ons leven

Vanaf maandag 24 september verschijnt wekelijks een interview in de Volkskrant over de zin van ons leven. Fokke Obbema stelt de aloude vraag waartoe wij op aarde zijn aan mensen met zeer diverse beroepen en achtergronden. De eerste aflevering is met boeddhist en spiritueel leraar Jan Geurtz.

Reageren? zinvanonsleven@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.