Interview Kees Jansma

Voetbaljournalist Kees Jansma: ‘Je zou kunnen zeggen dat veel in mijn leven om Kees Jansma draait’

Beeld Linelle Deunk

Kees Jansma (71) de ‘alwetende grootvader van de voetbaljournalistiek’ stopt met zijn tv-programma’s. Een echt afscheid is het niet. Er zit een eeuwige onrust in me. Dat kan ik niet ontkennen. Ga ik niet doen ook.’

Hoeveel voetbalwedstrijden kijkt u gemiddeld per week?

Kees Jansma zucht. ‘Jeetje. Een stuk of acht. Ik kijk alles. Dus als de meisjes onder 17 ’s middags om half 1 een EK-finale spelen, dan kijk ik die wedstrijd. Ik kan het niet laten.’

En het gaat nooit vervelen? 

‘O ja, het gaat zeker wel vervelen. Ik zit regelmatig te zuchten omdat het zo saai is. Maar het is obsessief, vrees ik. Als ik op televisie kom, wil ik alles hebben gezien. De laatste jaren heb ik nooit iets afgesproken op zaterdagavond, omdat ik op zondag De tafel van Kees presenteerde. Als ik dat niet doe, ben ik onzeker. Ik wil niet met een halfbakken, op niets gebaseerd oordeel komen. Ik kan het me niet veroorloven iets te missen. Stel je nou voor dat het ineens toch over die meisjes onder 17 gaat. Ik wil dan de bovenliggende partij zijn.’

Is het ooit gebeurd dat u op televisie bent afgetroefd omdat u iets gemist had? 

‘Ik kan het me niet herinneren.’

Beeld Linelle Deunk

Bent u blij dat u straks niet meer acht wedstrijden per week hoeft te kijken? 

‘Ik kijk daar zeer naar uit. Al weet ik natuurlijk nog niet of het lukt. Maar het is het streven. Ik hoop het, ik hoop het echt. Het zou prettig zijn, voor mezelf.’

De ‘alwetende grootvader van de Nederlandse voetbaljournalistiek’, zo wordt hij omschreven door die andere grote oud-sterverslaggever van NOS Studio Sport, Mart Smeets. Jansma: ‘Typisch Mart, nét een tikje overdreven. Wel lief trouwens, als hij het echt meent.’ ­

Kijkend naar de feiten is het overigens helemaal niet overdreven om Jansma (71) de alwetende grootvader van de Nederlandse voetbaljournalistiek te noemen. Zijn carrière duurt al 53 jaar, en hij was actief als verslaggever, presentator, manager, televisieproducent, columnist, analist én perschef van het Nederlands elftal. Niemand die hem dat kan nazeggen. Zijn foto hangt op de burelen van de NOS tussen die van voetbalgrootheden als Cruijff en Bergkamp.

Begin deze maand nam hij afscheid. Dit was het laatste ­seizoen dat Jansma zijn twee programma’s De tafel van Kees en Natafelen presenteerde, bij betaalzender FOX. ‘Het werd echt tijd. Ik wil niemand achter mijn rug horen fluisteren dat het wel een beetje gebeurd is met die ouwe zak, maar dat ze het me niet durven te vertellen.’

Het is een afscheid, maar dat betekent niet dat we Jansma nooit meer op televisie gaan zien. Hij heeft afspraken bij NOS Studio Voetbal, waar hij af en toe aan zal schuiven, net als bij FOX (‘minstens vijftien keer per jaar’). Ook vertelt hij – ‘dan heb je een nieuwtje’ – dat hij zich onlangs aanbood bij ADO Den Haag als interim-directeur. ‘De directeur van ADO is net weg, en ik heb tegen de club gezegd dat ik het een jaar lang wil doen. De kans dat ze erop ingaan acht ik niet groot. Er ligt een verleden tussen de ­Chinese eigenaar Hui Wang, ADO en mij, dus ze staan vast niet te juichen.’

U heeft mot met Hui Wang? 

‘Gehad, ja. Ik was al een tijdje aan het werk in de Raad van Commissarissen van ADO en moest nog officieel benoemd worden, toen ik ruzie kreeg met Wang. Ik zei iets over dat hij zich niet aan zijn financiële verplichtingen hield. Toen begon hij te schelden, via een tolk. Het leidde tot mijn vertrek in de RvC. Maar ADO is en blijft mijn club, ik ben opgegroeid bij het Zuiderpark en heb twee seizoenskaarten.’

Het klinkt niet echt alsof u wilt stoppen met werken. 

‘Dat wil ik wel. Als ik het niet word bij ADO, doet dat me niets.’

Maar dan hebt u zo weer een andere klus opgeduikeld. 

‘Nu klinkt het alsof je alles wat ik doe opduikelen vindt. Terwijl dit natuurlijk gewoon prachtig zou zijn, want ik ben vergroeid met de club. De cirkel is rond, zou Louis van Gaal zeggen.’

Kunt u eigenlijk nog weleens echt opgewonden raken van een voetbalwedstrijd? 

‘Jahaa. Laatst heb ik in de studio bij Pauw de halve finale Champions League tussen Ajax en Tottenham Hotspur gezien.’

Ik zag de beelden. De hele studio was in rep en roer na die goal in de laatste minuut, u zat er onbewogen bij. 

‘Maar het deed me wel wat. Ik vond het práchtige televisie. Daarvoor is het bedoeld, sport op tv. Iedereen leefde zó mee.’

U leefde niet mee, u vond het alleen prachtige televisie. 

‘Ik doe dit al vijftig jaar, en ik heb vaak enorm meegeleefd met voetbalwedstrijden. Maar dat is, inderdaad, minder geworden. Henk Spaan, bijvoorbeeld, die zat naast mij bij Pauw, en die ging tijdens die wedstrijd totaal uit z’n bol. Ik keek hem aan en dacht: nee, dat heb ik niet meer. Misschien als mijn zoon van 16 voetbalt, dat ik dan nog ­bepaalde emoties heb, maar verder heb ik dat opgewondene, dat theatrale, niet meer zo.’

Ging u vroeger vaak uit uw bol? 

‘Ja, zeker. Mijn vader was ook zo. Als er een wedstrijd op televisie was moest de tafel opzij, want anders zou hij die omver schoppen. Dat is van vader op zoon gegaan. Ik heb ook wel eens wat omgeschopt, met een vuist op de muur geslagen, tijdens voetbal op tv. En ik heb ook wel mensen uitgescholden langs de lijn, tijdens wedstrijden van mijn zoons. Toen Ruben 11 was, heeft hij me een keer gevraagd te stoppen met zo nadrukkelijk meeleven. Mijn oudste zoon Raymond heeft me zelfs een keer weggestuurd. ‘Ga nu maar een uurtje in de auto zitten, pap.’ Het vervelende is dat ik een bekend hoofd heb. Dan vindt men dat je je moet inhouden. Nou, ik vind van niet. Moet ik een andere vader zijn dan mijn buurman omdat ik toevallig een televisieprogramma presenteer? Ik zie nu aan je glimlach dat jij dit onzin vindt, jij vindt vast dat ik een voorbeeldfunctie heb. Ik heb me daar weinig van aangetrokken.’

Het interview vindt plaats in zijn ‘kantoortje’ in de achtertuin van zijn villa aan de rand van de Utrechtse Heuvelrug. Een huisje, al zou je het ook een volwaardig appartement kunnen noemen, gemaakt door bevriende aannemers. ‘Het is in z’n totaliteit op een vrachtwagen gezet, zo over de bomen getild en hier neergezet.’ Overal liggen voetbalboeken, aan de muur hangen verschillende teamfoto’s van het Nederlands elftal in de tijd dat Jansma perschef was bij de KNVB, van 2004 tot 2014.

Uw vrienden zeggen dat die periode als perschef voor u zonder twijfel het hoogtepunt was van uw carrière. U wilde bij de groten horen, en nu stond u ertussen. 

‘Ik ben gevraagd voor die baan toen ik 57 was. Het gekke was dat ik dacht: dat kan ik eigenlijk niet doen. Als journalist overstappen naar voorlichting is not done. Ik wilde nee zeggen, maar ik ben eerst naar mijn vader gereden. ‘Pa, ik heb een behoorlijk dilemma. Wat moet ik doen? Zullen ze me verketteren?’ Mijn vader zei: ‘Ik heb je nog helemaal niet horen zeggen of je het leuk zou vinden.’ En het leek me écht leuk. Ik kreeg de kans om het nu eens van binnenuit te ervaren. Mijn vader zei dat ik niet moest aarzelen. Ik heb naar hem geluisterd.’

Wat heeft u in die periode als perschef gezien wat u als journalist niet zag? 

‘Hoe hoog de druk was. En hoe groot soms de angst. Faalangst, echt faalangst. Je ziet het aan de buitenkant niet, maar sommige spelers, altijd wel een paar in een selectie, hebben daar enorm veel last van. Zo is het bij mij ook: mensen denken dat ik mijn leven lang alles fluitend gedaan heb, terwijl intimi weten dat ik overal erg mijn best voor heb moeten doen, her en der op mijn tenen heb moeten lopen. Dat zag ik ook bij die sporters. Ik noem geen namen, maar ik heb bij het Nederlands elftal meegemaakt dat een speler de kleedkamer niet uit durfde, voorafgaand aan Nederland-Roemenië. Dat soort ervaringen heeft mijn oordeel, als analist, genuanceerd. Tijdens toernooien zaten we zeven weken samen in een hotel. Je wint of verliest samen. Dat deed rare dingen met me. Ook ik stond soms te schreeuwen, te janken.’

Wanneer moest u bijvoorbeeld huilen? 

‘De avond voor de WK-finale in Johannesburg heb ik tot 3 uur ’s nachts met Bert van Marwijk gezeten, want we konden toch niet slapen. We hadden het over de kinderen, kleinkinderen, het leven, voetballen, de druk, de jongens. En om 7 uur ’s ochtends had ik mijn pak weer aan. Nou, toen ik, na een nacht met drie uur slaap, na de verloren finale tegen Spanje in de kleedkamer zat en zag wat dat deed met de groep, was ik net zo vatbaar als ieder ander.’

Dus toen heeft u een traantje gelaten? 

‘Ja. Uit frustratie, uit woede.’

U zei eerder dat u niet gehuild had, omdat u vond dat het Nederlands elftal terecht had verloren. 

Lichte irritatie. ‘Ja, het was ook terecht. Ik was aangedaan, mag dat ook? Ik hoef toch niet te huilen van je? Ik was aangedaan. Toen ik op het veld stond, voor de wedstrijd, met geen zak te doen, werd ik gebeld dat ik naar de kleedkamer moest komen omdat Nelson Mandela daar was. Als ik daaraan denk krijg ik nog kippevel. Zó. Is dat ongeveer hetzelfde als huilen? Ik denk het wel.’

Beeld Linelle Deunk

Dacht u in die tijd nooit, bijvoorbeeld toen u tot 3 uur ’s nachts met Van Marwijk zat te praten: als ik dit toch eens allemaal op zou schrijven heb ik echt een goed verhaal? Of was u die journalistieke reflex helemaal kwijt? 

‘Zeker dacht ik dat wel. Het schuurde weleens, ja, natuurlijk. Maar het was een keuze. Er zijn mensen geweest die zeiden: houd een dagboek bij, dan kun je dat naderhand publiceren. Ik had een prachtig dagboek kunnen schrijven, maar deed het niet. Dat had ik niet kies gevonden. Ik koos voor het elftal, ik koos ervoor om mijn rolletje daar te spelen. Op zich schuurt dat, dat is juist, dat klopt. Ik beken.’

Wat ziet u als uw grootste talent? 

Denkt lang na. ‘Ik zou heel omzichtig antwoord kunnen geven, maar ik kom denk ik uit op: verbinden. Mijn manier van leidinggeven kan extreem zijn, hard, ongenuanceerd. Maar veel vaker ga ik voor de troepen staan.’

U hebt de naam opvliegend te zijn. Uw vriend en oud-collega John van Vliet zei: ‘Bloemisten in Hilversum hebben goed verdiend aan Kees’ woedeaanvallen.’

‘Lulkoek. Ik heb wel eens mensen ontslagen die ik de volgende dag weer heb teruggenomen, maar dat was niet aan de orde van de dag.’

Wat waren dingen die u boos maakten? 

‘Niet werken. Niet hard genoeg werken. Laksheid, luiheid. Ik heb een probleem met mensen die zeggen dat ze ambitie hebben, maar dat alleen met de mond belijden. Laat het dan ook zien, lúl er niet alleen over.’

Als u uzelf zou moeten vergelijken met een profvoetballer, wat voor soort speler was u dan geweest? 

‘Een dominante, irritante nummer 10 die vindt dat alles om hem moet draaien.’

En u had regelmatig een rode kaart gepakt. 

‘Ja. Maar dit wil ik toch even nuanceren. Nummers 10 zijn meestal zeer goed, en voor de duidelijkheid: dat vind ik mezelf niet. Ik heb het altijd moeten hebben van hard werken, ik ben lang niet zo getalenteerd als Mart Smeets, de beste sportpresentator die we ooit gehad hebben. Maar goed, als je het me vraagt, dan zou ik mezelf wel willen vergelijken met een Van Hanegem. Eigenwijs, overdreven, gelijkhebberig. Dat zit allemaal in mij.’

Beeld Linelle Deunk

Over talent gesproken: bent u ook een goede zakenman? 

‘Als mensen iets van me willen, vraag ik wat terug. Daar ben ik niet slecht in. WK Producties, waarbij WK staat voor Will en Kees, was het productiebedrijf dat Will Moerer en ik oprichtten na onze tijd bij Canal Plus. We verwierven de productierechten van alle voetbalwedstrijden in Nederland. Een ongelofelijk succes. Na drie jaar waren er negen kandidaten om ons over te nemen. Het bedrijf werd uiteindelijk verkocht aan Eyeworks.’

Reinout Oerlemans van Eyeworks liet u met een privévliegtuig ophalen op uw vakantieadres om de deal rond te maken. Bent u er rijk van geworden? 

‘Wat is rijk? Noem eens wat?’

Ik heb geen idee. 

‘Nou, dan hoef ik ook niet te zeggen hoeveel. We hebben alle personeelsleden van het eerste uur een behoorlijk bedrag kunnen geven, als bonus.’

Maar hoeveel heeft Eyeworks voor het bedrijf betaald? 

‘Ik weet alleen wat ik ervoor heb gekregen. Een paar miljoen.’

Met hoeveel voetballers bent u in uw carrière bevriend geraakt? 

‘Er komt er niet één hier thuis. Nooit geweest ook. Ja, één, Wim Kieft. Die komt weleens, als hij het kan vinden.’

De vriendschap tussen u en hem is ook een tijdje bekoeld geweest, zei hij. 

‘Ik was gekwetst, omdat hij zijn verslavingsproblemen voor zichzelf hield, omdat hij toen geen hand naar me heeft uitgestoken. Maar het is niet alleen zijn schuld. Want mensen als Marco van Basten en John van ’t Schip hebben me gewaarschuwd, gezegd: ‘Het gaat niet goed met je vriend Kieft.’ En ik geloofde het gewoon niet. Ik zei: ‘Ja, hallo, dat zou ík dan toch wel weten.’ Ik ben stekeblind geweest. Het is niet alleen de schuld van Wim. Of schuld – Jezus Christus. Het lag ook aan mij. Ik heb het gewoon niet wíllen zien. Dat ik niet uit mezelf heb gezien wat er aan de hand was en heb gezegd ‘hier ben ik’, dat is natuurlijk...’

U neemt het uzelf kwalijk. 

‘Ja. Ik geloofde er niets van. Ik begrijp überhaupt helemaal niets van drugsgebruik. Ik heb me altijd zeer aangetrokken gevoeld tot de persoon Kieft, om zijn humor, cynisme, intelligentie, passie voor boeken en film. Een buitengewoon intrigerende man. Dat soort mannen hebben geen zwakte, dacht ik, dus die zwakte heb ik niet herkend. Verslaafden vernietigen alles om zich heen. Wim ook. En daarom vind ik het ook zo ongelofelijk, hoe hij is teruggekomen.’

U hebt hem daar ook bij geholpen, vertelde hij. U sprak met zijn schuldeisers, u leende hem geld. 

‘Ja.’ Lang stil. ‘Hij heeft alles terugbetaald. Ik kijk je nu aan, want ik heb niet zoveel zin om dit soort dingen uit mezelf te gaan vertellen. Snap je?’

Het ontroert u. 

‘Ja, ja. Sorry. Kijk, het is natuurlijk heel erg als je zo’n bijzonder iemand kent, voor wie je zo veel goede gevoelens hebt, en het ontgáát je gewoon. Je mist het! Ik heb het nodige met hem meegemaakt. Fred Rutten (voetbalcoach, red.), die ook bevriend is met Kieft en hem ontzettend heeft geholpen, belde me op een ochtend wakker. ‘Wim zit in grote problemen, hij heeft nú geld nodig. Hij moet het om 10 uur hebben, in het Hilton in Amsterdam. Ik zit in Enschede, kun jij het brengen?’ Het was zo ernstig dat Wim in gevaar was als ik dat geld niet zou brengen. Mijn vrouw is een politievrouw, en waarschuwde me: ‘Kees, wat ga je doen, wat ga je doen?’ Ik moest met cash geld naar het Hilton. Ik moest geld gaan halen in Driebergen. Ik had de bank gebeld en besproken dat ik tot een hoger maximum kon pinnen. Maar ik kreeg het geld niet uit de pinautomaat en ben totaal in paniek geraakt. Wim bleef mij maar bellen, de ene oproep na de andere. Uiteindelijk kreeg ik het geld van de lokale bankdirecteur zelf, die mij had herkend. Met gierende banden ben ik naar Amsterdam gereden. De spanning die ik toen heb gevoeld, die Wim moet hebben gevoeld... Dat was ongekend. En de manier waarop Wim heeft teruggevochten is fantastisch. Dat kan mij zeer ontroeren, ja.’

U acht uzelf ook min of meer bevriend met Johan Derksen. Hij zegt: ‘Kees op tv is Kees op de handrem. Als hij zou zeggen wat-ie er echt van vindt, heb je pas echt een leuke talkshow. Kees is privé net zo platvloers als ik, maar op tv is hij een gentleman.’ 

‘Ik wil me helemaal niet zo uiten als Johan. Dat ik privé af en toe platvloerse grappen maak, dat klopt wel, maar ik voel geen enkele behoefte om dat op tv ook te doen.’

Derksen beweert dat u op tv een totaal ander mens bent dan in het echt en dat dat komt doordat u ‘deel uit wil maken van het voetbalcultuurtje’. 

‘Johan Derksen is zélf een totaal ander mens op tv dan in het echt. Ik ben laatst nog bij hem geweest in Grollo, een topmiddag gehad. Hij is buitengewoon gezellig, voorkomend. Helemaal geen onzin komt er dan uit. Op televisie heeft hij een andere rol. Nou, prima. Ik heb het helemaal niet nodig om deel uit te maken van het voetbalcultuurtje, al twintig jaar niet meer, misschien nog wel langer. Ik respecteer hem, en hij zou dat ook bij mij moeten doen.’

Over u werden in talkshow VI best vaak grappen gemaakt, over bezoekjes aan Oost-Europese nachtclubs, over het feit dat u volgens René van der Gijp ‘een enorme vreemdganger’ bent geweest. Wat vond u daarvan, dat er op televisie steeds weer dat soort dingen over u werden gezegd? 

‘Best vaak kun je schrappen. Weleens, zou ik ervan maken. Derksen heeft ook veel goede dingen over me gezegd, over mijn kwaliteiten. Het een houdt het ander in evenwicht.’

Toch lijkt het me niet leuk, ook niet voor uw vrouw en kinderen. Heeft u hem er ooit op aangesproken? 

‘Als ik dat al doe, dan doe ik dat privé.’

Maar dat heeft u weleens gedaan, begreep ik. 

‘Ja, natuurlijk heb ik dat weleens gedaan. Maar dat heeft niet zoveel zin, want meestal zegt-ie dan in de volgende uitzending: ‘Nou, Kees heeft me gisteren gebeld, en hij vond het niet leuk.’ Ik laat het zo. Ik weet wat ervan waar is.’

U schoof ook na die grappen nog regelmatig aan. 

‘De laatste jaren niet, hoor. Maar dat komt niet door die grappen. Johan wil mij daar niet aan tafel, want hij vindt me te genuanceerd. Hij heeft gelijk.’

Nadat Johan Derksen in april van de trap viel en in het ziekenhuis lag, belde u wel met Wilfred Genee en vroeg u of er vervanging nodig was. U was daar wel toe bereid. 

‘Dat klopt. Dat is aardig, dat Wilfred je dat heeft verteld, want dat is zo. Niet dat ik het graag wilde. Maar ik heb met Johan veel meegemaakt. Ik ken hem kwetsbaar, ik ken de ellende in zijn leven. Ik herinner me nog dat zijn eerste vrouw, zoveel jaren geleden, van de trap viel en overleed. Dat gebeurde in de tijd dat ik nauw met hem samenwerkte, en ik zag wat het met hem gedaan heeft. En nu flikkert hij, godbetert, van de trap. Dus ja, dan pak ik de telefoon. Dat is geen grote daad, maar ik dacht: die hebben daar nu een ­probleem, als Derksen in het ziekenhuis ligt. En misschien vindt Johan het een sof, en zullen andere mensen er niets van begrijpen, maar dat kan me niets schelen. Ik heb gezegd: ik ben er als jullie me nodig hebben. Ze zijn er, overigens, volkomen terecht, niet op ingegaan. Prima.’

U bent altijd op zoek naar groener gras, schrijft u in uw boek Kees. Wat bedoelde u daarmee? 

Jansma staat op van de roodleren bank en reikt naar een schoteltje stroopkoeken. ‘Wil je een koek ofzo? Deze zijn heel slecht, maar ze vullen wel.’

Maar wat bedoelde u met die uitspraak? 

‘Wat moet ik daar nou weer op zeggen?’

U heeft het zelf opgeschreven. 

‘Wie zegt dat ik alles nog precies weet wat ik heb opgeschreven, of dat ik het overal nog steeds mee eens ben?’

Het klinkt alsof u altijd een soort onrust voelt. 

‘Ja. Ook. Ook wel. Er zit een eeuwige onrust in me. Dat kan ik niet ontkennen. Ga ik niet doen ook.’

Privé, bedoelt u? 

‘Privé ook, zeer zeker.’

U ging weg bij uw eerste vrouw omdat u verlangde naar ‘meer vrijheid, roem en onrust’, schreef u. 

‘Ik was 22 toen ik trouwde met Ellis, mijn eerste vrouw. Ik was de jonge vent met ambitie, ik wilde bekend worden, de wereld rondtrekken, en zij was een jonge vrouw die vooral haar gezin wilde beschermen. Ik wil het niet verontschuldigend laten klinken, ik constateer hoe het was. Ik kan er niemand anders voor blameren dan mezelf. Gelukkig komt ze hier nog steeds op alle feesten en partijen, we zijn goed met elkaar. Ze heeft opgepast op de twee zoons die in mijn derde huwelijk werden geboren. En ze is voor eeuwig en altijd de moeder van mijn oudste twee kinderen.’

U werkte in het begin van uw carrière zo veel dat u af en toe rijdend in de auto in slaap viel. Toen u op de redactie zei dat u daarom niet meer altijd mee kon gaan doorzakken, vond uw chef bij De Tijd u slap. 

‘Het was een totaal onvergelijkbare tijd. Wij leefden op de krant en in Café Scheltema. Ik was gewoon altijd aan het werk. Het was een egocentrische, in zichzelf gekeerde wereld. Wij vonden onszelf ontzettend belangrijk.’

Alles draaide om u en uw carrière? 

‘Ja. Je zou kunnen zeggen dat veel in mijn leven om Kees Jansma draait.’

Beeld Linelle Deunk

U trouwde drie keer. En u had onlangs, tijdens uw derde huwelijk, een affaire, waarover in de roddelbladen werd geschreven. 

‘Ik zoek naar veiligheid en rust, maar zodra ik het heb, word ik onrustig. Ik wilde dat ik beter was op dat gebied, maar dat ben ik niet en ik heb niet de illusie dat ik er nog iets aan kan veranderen, op mijn 71ste. Maar meer dan het voorgaande wil ik over de huidige situatie niet zeggen, want ons gezin probeert nu juist de rust te hervinden. Ik ben een mens, van vlees en bloed, ik val en sta weer op, en daar vinden mensen dan wat van, omdat ik toevallig een quasibekende Nederlander ben. Het zij zo. Ik ga daar niet over zeuren, niet in verdedigende zin in ieder geval. Ik mág daar niet over zeuren. Ik hoorde op de autoradio laatst ­Damiaan Denys, een psychiater. En hij zei, al geef ik meteen toe dat deze uitspraak mij nu heel goed uitkomt, dat het langzamerhand absurd wordt hoe bekende Nederlanders zich in de publiciteit uiten over hun privéleven. Helemaal mee eens. Ik ga er dus verder niet op in. Ik kan alleen constateren: het heeft in mijn leven te veel om mij gedraaid, en dus te weinig om de anderen. Dat is een bittere constatering. Maar weet je, let er alsjeblieft op hoe je dit formuleert, want het moet allemaal niet te vet worden, daar houd ik helemaal niet van.’

U bent op uw 55ste en 57ste, tijdens uw derde huwelijk, opnieuw vader geworden. Bent u voor uw zoons van 14 en 16 een andere vader geweest dan voor de twee kinderen uit uw eerste huwelijk? 

‘Dat weet ik niet. Ik ben bij mijn jongere kinderen in elk geval meer aanwezig geweest. Maar het draaide uiteindelijk nog steeds te veel om mij, denk ik. Al heeft het geen zin om mezelf daar levenslang voor te geven. Ook met mijn twee grote kinderen heb ik nu voortreffelijk contact, net als met mijn vier kleinkinderen. Dat kan ik koesteren.’

U raakt geëmotioneerd. 

‘Ik zeg er verder niets over. Ik kan er niets meer over zeggen. Sorry. Ik wil geen lulverhaal ophangen. Zoals Denys zegt, en daar ben ik het mee eens, lijden kun je beter op een intieme manier beleven. Anderen zeggen me vaak dat ik tevreden moet zijn met wat ik allemaal heb. Jij ook, je begint over dat ik het zakelijk zo goed voor elkaar heb gekregen. Maar dat wil helemaal niet zeggen dat ik tevreden ben over hoe ik het in mijn leven gedaan heb, dat is weer een heel ander verhaal.’

Uw ouders, die hun leven lang bij elkaar bleven, waren verdrietig over uw scheidingen. Toen u voor de derde keer ging trouwen, wilde uw vader in eerste instantie niet komen. 

‘Ik belde mijn vader elke dag. Hing erg aan hem. Hij was trots op wat ik zakelijk had bereikt, en dat met een mavo-diplomaatje. Dat zei hij ook. Maar scheiden, daar kon hij met z’n pet niet bij. Toen ik vertelde dat mijn nieuwe vriendin 25 jaar jonger was, zei hij: ‘Arm kind.’ En hij had geen zin om weer naar een bruiloft te komen. In eerste instantie, uiteindelijk kwam hij gelukkig toch.’

Het was toch ook uw vader die tegen u zei: stop niet te vroeg met werken? 

‘Dat klopt. Sterker nog: op zijn sterfbed zei hij dat, in 2007. Kun je nagaan. Ik ben toen nog twaalf jaar doorgegaan.’

Nu u gestopt bent met uw talkshow...

‘Talkshow vind ik een te groot woord, hoor. Programmaatje.’

Wat is het eerste dat u gaat doen? 

‘Een boek schrijven, voor de uitgeverij van Marieke Derksen, Inside, de titel weten we al: Ontmoetingen, over ontmoetingen met mensen uit de voetbalwereld. Dat gaat me veel tijd kosten, omdat ik het niet zo goed kan.’

U zegt best vaak dat u dingen niet zo goed kan. 

‘Omdat het zo is. Misschien moet ik ook niet te bescheiden zijn, ik ben geen Jan Lul en ik heb best wat gedaan in mijn leven. Aan de andere kant: als ik straks een jaar niet op televisie ben geweest, weet niemand meer wie ik ben.’

Zou u dat erg vinden? 

‘Ja. Wel een beetje.’

Kees Jansma krijgt een sms’je. ‘Van mijn vrouw. Ze vraagt of ik nog leef. Lief toch?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden