In BeeldVluchtelingen in huis

Vluchtelingen in huis: ‘Ik doe dit uit politiek protest tegen een inhumaan asielbeleid’

‘Het is geen structurele oplossing, maar ja anders hebben ze niks.’Beeld Renate Beense

Vluchtelingen moeten asiel aanvragen in het eerste EU-land waar ze binnenkomen, meestal Italië. Maar als het hen lukt om anderhalf jaar in Nederland onder de radar te blijven, mag dat ook in Nederland. Vrijwilligers bieden hen bed, bad en brood – maar ook broodbeleg, taallessen, sportschoenen en juridische hulp. 

In de woongroep van Roos (40, beleidsmaker) en Rutger (42, docent, niet op de foto) en hun twee dochters van 3 en 5, logeren tien Eritrese jongens en mannen een week lang in de gemeenschappelijke ruimte.

Roos, die evenals Rutger niet met haar achternaam in het magazine wil staan: ‘Wat ik goed vind aan vluchtelingen opvangen is dat verhalen die je in de krant leest, ineens mensen worden waarmee je aan tafel zit, mee pingpongt en avonden mee zit te kletsen.’

Rutger: ‘Ik doe dit ook uit politiek protest tegen een inhumaan asielbeleid.’

Sami (27): ‘Ik kan maar eventjes praten, want we gaan zo voetballen tegen een groep Eritreeërs die even verderop woont. Het leven is zwaar voor ons. Afgelopen april ging de winteropvang in Amsterdam dicht en stonden we op straat. Sindsdien gaan we van plek naar plek. We hebben in kerken geslapen, een club, Turks gebedscentrum, school, kantoorpand en verschillende woongroepen. Soms kunnen we ergens een nacht blijven, soms een maand, hier zaten we een week. Vanavond is onze laatste avond hier. Er is straks een afscheidsfeestje met bier en bingo. Vanaf morgen weet ik niet waar we slapen. Ik denk weer in de Amsterdamse winteropvang. Het is fijn dat we hier konden blijven, alleen het slapen niet. We slapen op matrassen op de vloer. Dat is niet goed.’

Roos: ‘Ik hoorde dat deze mannen opvang nodig hadden via een vriendin die als vrijwilliger bij ze betrokken is. We hebben hier de regel dat plannen alleen doorgaan als álle ongeveer 75 bewoners instemmen. Voor sommigen was veiligheid bijvoorbeeld een issue: wie haal je binnen, wat zijn de risico’s? Daarop hebben we afspraken gemaakt – eigenlijk net zoals met vakantieverhuur en andere logees. Gasten blijven in de gemeenschappelijke ruimte en komen niet in de rest van het pand. We hebben ook geld ingezameld onder de bewoners. We geven de groep elke dag 70 euro. Daar doen ze boodschappen van. Ze koken zelf, bewoners haken aan als ze zin hebben. We bedenken ook activiteiten, zoals voetballen met de Eritreeërs uit de buurt. Mijn kinderen vinden het heel leuk dat de mannen hier logeren, ze gaan meerdere keren per dag langs. Veel van hen hebben zelf kinderen die ze erg missen, dus ze hebben alle aandacht en tijd om spelletjes te doen.’ 

Rutger: ‘Het is natuurlijk geen structurele oplossing. Onze gemeenschappelijke ruimte wordt – ook door de buurt – gebruikt als restaurant, vergaderzaal en theater, dus permanente opvang kan hier niet. Dat houdt in dat je de vluchtelingen feitelijk na een week weer je comfortabele huis uit zet. Dat vind ik vervelend, maar ja anders hebben ze niks. Nu kunnen ze in ieder geval met een dak boven hun hoofd het een en ander voor zichzelf organiseren en een volgende tijdelijke oplossing bedenken.

Roos: ‘Een ander punt is het verschil in ritme. Wij staan vroeg op, gaan vroeg naar bed. Maar de gasten hebben overdag geen verplichtingen, dus kunnen gewoon blijven liggen. Douchen doen ze in onze privéwoningen. Wij willen daar tijden voor afspreken, maar de jongens hebben zoiets van: we zien wel. En als we een afspraak maken, komen ze standaard te laat. Dat kan je veroordelen, maar ik snap het heel goed. Als de gemiddelde Nederlander geen dagbesteding zou hebben in een uitzichtloos bestaan waarin een dak boven het hoofd niet eens vanzelfsprekend is, zou die zich ook niet met de klok bezighouden. Dit soort verschillen probeer ik met grapjes te overbruggen. En als ik bedenk wat zij achter de rug hebben en wat ze nog steeds doorstaan, denk ik ook al snel: waar maak ik me eigenlijk druk over?’ 

Greetje van Dijk (61) is servicemedewerker bij de NS. Bij haar logeren Desbele (17), Ataklti (17), Merhawi (20) en Measho (24). Ibrahim (21) en Meseret (25) komen vaak op bezoek. Ze komen uit Eritrea.

Merhawi: ‘Wij zijn heel blij bij Greetje. Greetje is mijn moeder. Van een heleboel mensen.’Beeld Renate Beense

Greetje: ‘Toen in 2015 veel vluchtelingen naar Nederland kwamen, ben ik me als vrijwilliger gaan inzetten. Ik ontmoette veel Eritreeërs. Zij zijn heel bescheiden, laten altijd een ander voorgaan. Deze groep kon extra steun gebruiken. 

‘De jongens slapen hier nu sinds oktober vorig jaar omdat ze ineens op straat stonden. Ze kwamen al vaker over de vloer en slapen nu in een slaapkamer en de huiskamer. Ze mogen blijven zolang het nodig is en ze weer een asielaanvraag kunnen doen. De buren heb ik van tevoren niet ingelicht. Meer mensen in de buurt ontvangen met regelmaat gasten – via Airbnb. Daar wordt niet moeilijk over gedaan.’

Merhawi: ‘Wij zijn heel blij bij Greetje. Greetje is mijn moeder. Van een heleboel mensen.’ 

Desbele: ‘Greetje is goed en leuk. Greetje is voor helpen. Wij noemen haar mama Greetje.’

Measho: ‘Het is fijn hier, ik kan goed slapen. Het is rustig. Via Greetje kennen wij andere Nederlanders. Ik ga hardlopen, boksen en naar Nederlandse les in het buurthuis.’

Greetje: ‘Laatst kwam een buurvrouw met een paar volle zakken boodschappen. Of ze nog meer kon doen? Ik zei dat de jongens winterschoenen nodig hadden. Ze stuurde wat tikkies rond en al snel hadden we 750 euro. Meer dan genoeg voor zes paar schoenen. Wat we over hebben, geven we weg, zodat hun vrienden ook iets kunnen kopen.

‘De jongens koken bijna altijd. Ik heb vaak late diensten en als ik rond tien uur ’s avonds thuis kom, staat het eten klaar. Heerlijk! Verder gaat alles vanzelf, ik ben niet zo van de regels. Er wordt schoongemaakt, opgeruimd en als het nodig is zelfs een vloertje gelegd. In de la ligt een portemonnee, daar doen we boodschappen van. Om geld maak ik me niet druk: elke maand komt mijn loon binnen. Kleren kocht ik al amper en vakantie is voor mij een idioot fenomeen geworden. In de Middellandse Zee zal ik nooit meer zwemmen, dat is nu een massagraf.

‘Deze jongens hebben die oversteek overleefd, maar op de vlucht voor de gruwelijke dictatuur in hun land hebben ze vreselijke dingen meegemaakt. Nu zijn ze hier, piepjong nog. Ze missen hun moeders enorm. Dat raakt mij. Ze hebben veiligheid en warmte nodig. Daarnaast vind ik het belangrijk dat ze overdag iets te doen hebben. Ze mogen niet studeren en werken, maar van niks doen word je ongelukkig. Ik vraag waar hun interesses liggen en probeer via via te regelen dat ze aan zwemmen, fotograferen, tekenen, volleyballen en atletiek kunnen doen. Ook gaan ze dagelijks naar taalles.

‘Mensen zeggen altijd tegen me: wat goed dat je dit doet. Maar een ander helpen doe je ergens ook voor jezelf. Daar ben ik eerlijk in. Het is gezellig om deze jongens in huis te hebben. Hun vrienden waaien aan, we hebben hier regelmatig feestjes. Maar wat het me echt brengt is de zachtheid en liefheid van deze mensen. Dat voelt zo fijn. Ik wentel me erin.’

Tanja te Beek (47, docent Nederlands) heeft een huisgenoot: Samial (17) uit Eritrea.

‘Ik kan eigenlijk niks negatiefs noemen over het samenwonen.’Beeld Renate Beense

Tanja: ‘‘Vind je dat niet eng, een vreemde man in huis?’ Die vraag krijg ik altijd. Ik heb vaker vluchtelingen opgevangen en er is nog nooit iets raars gebeurd. Er valt hier ook niets te halen, ik heb niet eens een tv. Daarbij: het laatste wat je wil als je geen verblijfspapieren hebt, is met de politie in aanraking komen.

‘In oktober dreigde een grote groep Eritrese jongeren dakloos te worden. Ze gingen al maanden van adres naar adres. Tegen de organisatie die zich met hen bezighoudt zei ik: als de nood aan de man is, heb ik een kamer over. De volgende dag kreeg ik een appje: ‘De nood is aan de man! Er is een jongen van 17, hij rookt niet, is rustig en wil Nederlands leren. Hij raakt gestrest van steeds niet weten waar hij ’s nachts zal slapen.’

Tegen Samial: ‘Toen jij hier kwam, wist ik niet of je aardig was of raar. Het was een gokje. Jij wist het ook niet van mij.’

Samial: ‘Jij bent goed. Alles is hier goed. Rustig. Ik ga naar Nederlandse les, terug naar huis, dan naar fitness. Daarna praten. Als ik goed Nederlands spreek, kan ik met iedereen spreken.’

Tanja: ‘Eerst woonde ik alleen, maar als ik nu thuiskom hoor ik vanaf de bank ‘Tannn-jaaa’. Dat vind ik leuk. Samial praat de hele tijd. Ik kan niet alles volgen, maar we gaan net zo lang door tot we elkaar begrijpen. Zijn taal – Tigrinya – zit nog niet in Google Translate, dus we beelden uit, tekenen of zoeken foto’s op om duidelijk te maken wat we bedoelen. Ondanks zijn beperkte woordenschat, kan hij veel zeggen. Is hij iets vergeten, dan zegt hij: mijn hersenen zijn op reis. Hij is creatief met taal, dat vind ik geweldig.

‘Samial is hier inmiddels twee maanden en hij blijft nog een maand of negen, tot hij naar Ter Apel kan om asiel aan te vragen. Het voelt een beetje alsof ik een zoon heb, al gaan we onze eigen gang. We koken apart: hij vindt mijn eten niet lekker. Maar ik eet soms wel met hem mee. Ik geef hem 40 euro leefgeld per week. Ook zijn sportschoolabonnement betaal ik, en kleding. Laatst had hij schoenen nodig, maar kwam terug met een broek.

Tegen Samial: ‘Je vroeg toen aan mij of ik boos was. Waarom dacht je dat?’

Samial: ‘Omdat jij hier mijn moeder bent.’

Tanja: ‘Samial is een atypische puber. Hij gaat niet uit en heeft geen vrienden, zegt hij. Hij heeft hier misschien twee keer bezoek gehad. Ik verdenk hem ervan dat hij is geïnstrueerd over het schoonmaken: hij houdt alles zó netjes. Regels heb ik eigenlijk niet. Alhoewel: er mag niet in huis gerookt worden. Verder vind ik alles best.

‘De reden dat Samial op zijn 14de Eritrea verliet snijd ik nooit aan. Enerzijds omdat ik het globaal wel weet: de dictatuur. Eritrea wordt niet voor niets het Noord-Korea van Afrika genoemd. Anderzijds omdat ik weet hoe direct Nederlanders zijn en hoe bot dat kan overkomen. Ik ken veel Eritreeërs en het valt me op dat vrienden onderling veel minder van elkaar weten dan Nederlanders. Ze zijn altijd beducht op verraders, de lange arm van de Eritrese overheid, waardoor thuisblijvers en zelfs hun eigen asielprocedure in gevaar kunnen komen. Ik heb wel zijn moeder en zus aan de lijn gehad en gezegd dat het goed gaat met Samial.

‘Ik kan eigenlijk niks negatiefs noemen over het samenwonen. Het enige dat ik ervoor moet laten, is in mijn blootje van de badkamer naar de slaapkamer lopen. Die ene meter, dat overleef ik wel.’ 

Tom Waalewijn (30, predikant) en zijn vrouw Aline (27, coördinator bij Stichting Present Hardenberg) woonden twee maanden samen met Asmarom (34), Salam (27) en Hannibal (destijds een baby) uit Eritrea. Salam was zwanger van dochter Harmilla.

Beeld Renate Beense

Tom: ‘Een jaar geleden sliepen Asmarom en Salam op het Centraal Station in Amsterdam. Ze hadden een zieke baby bij zich. Ze werden verwezen naar het Wereldhuis, waarmee ik via-via contact heb. Of ik onderdak wist? Een week later trokken ze bij ons in.

‘Na de eerste dag dacht ik: Wat nu? Leg je meteen de huisregels uit, of laat je het op zijn beloop? Het eerste, weet ik achteraf. Dat is minder vernederend dan wanneer je afspraken gaat maken als je je al ergens aan hebt gestoord. Ook weet ik nu dat je een bepaalde verblijfsperiode moet afspreken. Anders wordt het moment waarop je zegt dat het genoeg is iets pijnlijks dat je voor je uitschuift.’

Asmarom: ‘Toen we hier aankwamen hadden we rust. We waren twee jaar op de vlucht geweest. We kregen eten. Ik voelde de vrijheid die ik in Europa zocht.’

Tom: ‘Het was fijn om te helpen, maar ook frusterend dat ik niet kon peilen wat ze nodig hadden. Als bijvoorbeeld de babymelk op was, merkten we dat aan een hongerige baby op zaterdagavond om half 11. En hier zijn geen nachtwinkels hè, dus je moet dan stad en land af voor een nachtapotheek. Had dat eerder gezegd, riep ik dan uit.’

Asmarom: ‘In mijn cultuur is het zo dat als je dorst hebt, je net zo lang wacht tot iemand je thee aanbiedt. En dan zeg je: nee, nee dankje, ik heb geen dorst. Pas na lang aandringen neem je de thee aan.’

Tom (lacht): ‘Maar bij mij krijg je dus geen thee als je nee zegt!’ 

Aline: ‘Het was balanceren tussen gastvrij willen zijn en je eigen grenzen bewaken. Je wil bijvoorbeeld niet moeilijk doen over een paar oliespetters op het aanrecht, maar aan de andere kant heb ik behoefte aan een schone keuken.’

Tom: ‘Je moet je voorstellen dat er ineens een baby in huis was. Zelfs een lieve, rustige baby als Hannibal maakt veel geluid. Aline en ik werken vanuit huis, waar Salam en Asmarom overdag ook waren omdat ze niet mochten werken of studeren.’

Asmarom: ‘Ik vond het vreselijk dat ik niks te doen had. Ik werd geholpen, maar kon zelf niet helpen. Gelukkig kon ik klusjes doen voor de buren. Ik maakte een hek voor hun schapenwei. En ik hielp iemand in zijn magazijn. Ik wil alles doen. Schoonmaken, vrijwilligerswerk, het maakt mij niet uit. Ik wil voor mijn gezin zorgen.’

Tom: ‘Ik heb onderschat hoe funest het is voor mensen is om stil te staan. Het gevoel niet nuttig te zijn maakt ze geestelijk kapot. Ik merkte het aan Salam en Asmarom. Het zorgde ook voor spanningen tussen hen.’

Aline: ‘Na een maand of twee voelde ik dat we een max hadden bereikt.’

Asmarom: ‘Voor ons was alles goed bij Tom en Aline.’

Aline: ‘En als het anders was, zouden ze dat nooit zeggen.’

Asmarom: ‘Het leukste vond ik samen koken en samen eten. We hebben veel gepraat.’

Aline: ‘Daar hebben wij ook de mooiste herinneringen aan. We zijn heel close geworden en eten regelmatig bij ze in het AZC waar ze wachten tot ze horen of ze mogen blijven of terug naar Italië worden gestuurd.’

Tom: ‘De volgende keer dat ik vluchtelingen opvang ga ik het anders doen. Ik wil met een aantal mensen een woning regelen zodat mensen privacy hebben. Cruciaal daarbij is een dagbesteding. Ik ben bezig een netwerk op te zetten om dat te organiseren.’

Onderduiken

Toen op 1 april 2019 de Amsterdamse winteropvang sloot, stonden onder andere vijftig minderjarige en jongvolwassen Eritrese vluchtelingen op straat. Zij doopten zichzelf – compleet met Facebookpagina – de Dublin Brothers, naar het verdrag van Dublin dat bepaalt dat ze asiel moeten aanvragen in het eerste land waar ze Europa binnenkwamen. Meestal is dat Italië. Dat land kent echter lange wachttijden, geen of gebrekkige asielopvang en veel vluchtelingen rapporteren misbruik en uitbuiting. De Dublin Brothers willen er niet terugkeren. 

Als het ze lukt anderhalf jaar onder te duiken en Nederland de ‘Dubliner’ niet binnen die periode overdraagt aan het aankomstland, kunnen zij alsnog in Nederland asiel aanvragen. In het geval van Eritreeërs vaak met succes, vanwege grootschalige, systematische en zeer ernstige schendingen van de mensenrechten door de Eritrese staat. Gedurende die anderhalf jaar kunnen ze echter niet terecht in officiële opvanglocaties. Sommige gemeenten maken een uitzondering, maar er is op veel plaatsen onvoldoende capaciteit.

Een landelijk netwerk van kerken, organisaties en vrijwilligers probeert onder de noemers Netwerk Code Rood en Amsterdakkers! opvang te regelen bij particulieren, bedrijven en kerken. Via Facebook zamelen ze geld in voor levensonderhoud, openbaar vervoer, fietsen, telefoons, kleding et cetera. Het is als particulier niet verboden iemand zonder verblijfspapieren thuis op te vangen, maar officieel moet dit worden gemeld bij de plaatselijke korpschef.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden