Verliefd op Beatrix

AAN DE vraag of het staatshoofd in een constitutionele monarchie macht kan uitoefenen, gaat de principiëlere vraag vooraf of het staatshoofd in een constitutionele monarchie macht mag uitoefenen....

'De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers' heet het in het eerste lid van artikel 42 van de grondwet. Maar het uitzicht op feitelijke machtsdeling wordt in het tweede lid al meteen ongedaan gemaakt. 'De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.'

Met die vernuftige formulering haalde Thorbecke in 1848 de politieke angel uit het koningschap. Om de pil een beetje te vergulden - Willem III wilde aanvankelijk de troon onder deze omstandigheden niet eens aanvaarden - gunde hij de vorst nog een aantal machtsprerogatieven ('de Koning heeft het opperbestuur der buitenlandsche betrekkingen', 'de Koning verklaart oorlog', 'de Koning maakt en bekrachtigt vredes- en alle verdragen met vreemde mogendheden'), die evenwel in de loop der tijden stuk voor stuk uit de grondwettekst zijn verdwenen. Op papier is het staatshoofd van de constitutionele monarchie allengs een machteloze functionaris geworden: mede-ondertekenaar van wetten waarover hij niet meebeslist heeft.

Maar zo simpel is het in de werkelijkheid natuurlijk nooit geweest.

De onschendbare Willem III schold als het moest z'n verantwoordelijke ministers de huid vol. Zijn dochter Wilhelmina liep op traditionele 'konings'terreinen (de krijgsmacht en de buitenlandse betrekkingen) bij herhaling bewindslieden uit haar dagen voor de voeten. Kleindochter Juliana dreef haar zin door inzake de gratieverlening aan de Duitse oorlogsmisdadiger Lages en zou later het kabinet-Den Uyl nog eens met succes onder druk zetten bij de Lockheed-affaire. En achterkleindochter Beatrix werd vanwege vermeende eigenzinnigheid bij voorbaat zo gevreesd dat PvdA-fractievoorzitter Nederhorst het probleem alvast aansneed in een onhandige (en tot uitlekken gedoemde) brief aan prominente partijgenoten, en de jonge socialisten van Nieuw Links eenvoudig voorstelden de monarchie na Juliana op te heffen. L'histoire se repète: het Republikeins Genootschap wil met de monarchie ophouden als Beatrix is uitgediend.

De macht van de kroon heet het boekje waarin Harry van Wijnen zich, afgezien van een paar historische excursies naar de jaren waarin het Koninkrijk der Nederlanden tot stand kwam, voornamelijk bezighoudt met het constitutionele gedrag van onze regerende vorstin.

Heeft zij macht?

Formeel dus niet.

Heeft zij dan misschien bevoegdheden?

Zonder enige twijfel.

Maar, vervolgt Van Wijnen: 'Doordat de grondwet van het begin af nooit een nauwkeurige omschrijving van de bevoegdheden van het koningschap heeft gegeven, is de positie van de koning altijd enigszins raadselachtig en dientengevolge een bron van spraakverwarring geweest. Daardoor hebben zich tal van mythes over de koninklijke 'macht' gevormd.'

Bij ongeschreven wet komen de vorst(in) in regeringszaken drie rechten toe: het recht om geraadpleegd te worden, het recht om aan te moedigen, en het recht om te waarschuwen. Vandaar haar rol bij kabinetsformaties, vandaar haar wekelijkse gesprekken met de premier, en haar incidentele contacten met gewone ministers en Kamerleden. Allemaal beschermd door 'het geheim van Huis ten Bosch' - en alleen al om die reden voortdurend aanleiding tot geruchten, speculatie en argwaan: in hoeverre rekt de majesteit in zulke ontmoetingen haar bevoegdheden op tot meer of minder gewenste benvloeding of zelfs machtsuitoefening?

Van Wijnen, die zich als journalist heeft gespecialiseerd in het staatsrecht en die z'n deskundigheid op peil houdt via een goed onderhouden bronnennetwerk, loopt in z'n boekje vijf recente 'kwesties' na, die de vraag opriepen of Beatrix constitutioneel wel helemaal zuiver op de graat was: de vestiging van een Nederlandse ambassade in Amman; de overplaatsing van een Nederlandse ambassadeur in Zuid-Afrika die misschien persona non grata was; het 'doordrukken' van Willem Alexander als IOC-lid; de subsidieweigering aan het toneelstuk Emily; en de omstreden skivakantie in het Oostenrijk van Jörg Haider. Hij had daar wellicht nog een paar andere zaken aan kunnen toevoegen (zou de koningin in 1994 Paars aan de macht hebben geholpen?; zoekt ze invloed op de media waar de leugen zou regeren?), zonder dat er aan z'n conclusie veel veranderd zou zijn: 'dat de koning(in) weinig kan doen zonder de medewerking en instemming van ministers', en dat 'het constitutionele koningschap voor veel ministers - premiers niet uitgesloten - nog altijd een ongemakkelijk onderwerp' is.

Dat is natuurlijk niet erg opzienbarend. Uit de literatuur over vier vorsten die sinds Thorbecke de grenzen van hun grondwettelijke mogelijkheden opzochten, en over talrijke bewindslieden die hun constitutionele poot al dan niet stijf hielden, wisten we al hoeveel fricties denkbaar zijn tussen kroon en ministers. En als we het niet al wisten, hoeven we maar naar het gepijnigde gezicht van Wim Kok te kijken, iedere keer als hij zich tegenover parlement of pers moet 'verantwoorden' over een akkevietje dat vanwege het afgesproken Geheim het licht der openbaarheid eigenlijk niet kan verdragen.

Van Wijnens inventaris biedt, inclusief de bijgeleverde exegese, en ondanks de weinig verrassende uitkomsten, aardige lectuur, die alleen een beetje wordt ontsierd door z'n ongeneeslijke gewoonte zich deftiger en geleerder voor te doen dan hij toch al is. Hij noemt een onderwerp liever 'preponderant' dan gewichtig. Loftuitingen zijn bij hem 'eloges'. De koning maakt geen moeilijkheden, maar 'difficulteert', vertrouwelijke stukken zijn 'fiduciair', en Willem III was niet zozeer berucht om zijn buitenechtelijke verhoudingen als wel om zijn 'extramurale liefdesleven' alsof hij bij voorkeur in de openlucht copuleerde.

Op den duur dreigt die verbale dikdoenerij een beetje af te leiden van de tekst, maar aan het eind van z'n betoog komt Van Wijnen alsnog met een verrassende 'theorie', als hij de charmes van Beatrix ter sprake brengt, en vervolgt: 'Bij haar eerste kabinetsformatie gingen de politieke onderhandelaars die zij op het paleis ontving gezwind voor de charm factor door de knieën. Geen enkele politicus was er ongevoelig voor. Sommigen aten grif uit haar hand, anderen toonden zich van hun meest inschikkelijke kant, een enkeling, geboren met een talent voor spontane verliefdheid, raakte tot over zijn oren verliefd. Verliefd worden op een koningin! Dat was na graaf Leicester omstreeks 1560 niemand meer gelukt.'

Malle zinnen natuurlijk, die laatste twee. Alsof verliefd worden op een koningin een prestatie is die eens in de vijfhonderd jaar 'lukt', en daarom een uitroepteken verdient. Miljoenen mannen waren al verliefd op Diana voor ze koningin had kunnen worden - en als het om verliefdheid zou gaan die ook geconsumeerd is, zijn er na Leicester (die het bed mocht delen met Eliza beth I) nog wel een paar anderen geweest: losse dan wel vaste minnaars van Catharina de Grote, van Christina van Zweden, van Marie-Antoinette en van Marie-Louise. En Van Wijnen wil toch niet suggereren dat het die ene verliefde Haagse enkeling indertijd gelukt zou zijn de graaf Leicester van 1981 te worden?

Maar het idee stemt tot nadenken. Van Wijnen lanceerde het een paar jaar geleden al eens in 'besloten kring' (te weten een speciale uitgave van De Republiek der Letteren bij het afscheid van Rinus Ferdinandusse als hoofdredacteur van Vrij Nederland, toen hij ook al sprak van hem bekende mannen (onder wie een politicus) 'die op slag hun hoofd kwijtraakten toen ze onvoorbereid en bij verrassing met haar te doen kregen', vanwege de 'onverbiddelijke aantrekkingskracht' die schuilgaat 'achter die lange valse wimpers'.

Hij verzekerde er toen bij dat hij persoonlijk niet onder haar bekoring kon raken - maar dat was waarschijnlijk meer voor de vriendenkring. Mij lijkt het geen schande om enigszins, of desnoods onverbiddelijk te vallen voor de onmiskenbare charmes van een welgeschapen en aantrekkelijke vrouw als Beatrix, van wie ik misschien niet zou opkijken als ik haar elke dag bij Albert Heijn achter het winkelwagentje zag passeren, maar die, voorbijrijdend in een gouden koets of wuivend op een paleisbalkon nog iets anders vertegenwoordigt dan zichzelf. Misschien dan geen macht in de formele zin, maar altijd nog potentiële, symbolische of mythische macht, wat nog een stuk machtiger is. En juist veel politieke enkelingen zijn vatbaar voor de erotiek van de macht.

Het is jammer dat Van Wijnen na die halve verwijzing naar graaf Leicester z'n 'theorie' verder onuitgewerkt laat. 'Beatrix' charm factor', sluit hij het desbetreffende paragraafje af, 'gaf een dimensie aan het regeringsgezag die nog nooit geteld had. Nu deden zich voor het eerst kwaliteiten gelden die in het Nederlandse constitutionele leven zo nieuw waren dat er nog geen namen voor bestonden.'

Dat lijkt me sterk - zeker voor iemand die zo veel moeilijke woorden kent. Hebben Beatrix' wimpers - als Cleopatra's neus - dingen teweeggebracht die constitutioneel niet helemaal door de beugel konden?

Van Wijnens voorzichtige suggestie dat Willem Alexander het als man na een traditie van vier vrouwen wat moeilijker op de troon zou kunnen krijgen, lijkt me aan de voorbarige kant. God mag weten breekt nu een tijdperk aan van vrouwelijke premiers, en windt de charmante koning straks de ene dame na de andere om z'n vinger.

Het blijft balanceren in de constitutionele monarchie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden