Verdreven uit het jongensparadijs

De wigwam, de klaverjasclub en het slagveld: de jongensparadijzen, waar geen meisje wat te zoeken heeft, sluiten één voor één....

1.Elke zondagochtend ga ik met drie vrienden fietsen. Op onze glanzend gepoetste racemachientjes maken wij een rit van tachtig kilometer. Dit is het fietsende jongensparadijs.

Mannenparadijzen bestaan niet. Mannen maken jongensparadijzen, waar de wetten van jongens gelden. Wet 1: meisjes niet toegestaan.

Wij fietsen: er is tijd noch plaats. Er is geen verleden. De Tour is ver, maar de afstand tussen ons en een vroege zij het kansloze ontsnapping in de Vierdaagse van Duinkerken is nog niet onoverbrugbaar. Op het asfalt zoemen zacht de jongensdromen. Ik rijd op een Pinarello en draag een oud Peugeot-shirt.

Mannen die voor ons fietsen proberen wij in te halen, en wanneer ze samen fietsen met een vrouw, speren wij er op topsnelheid voorbij. Losers.

Laatst vroeg de vriendin van mijn zwager of ze een keer mee mocht. Ze had ook een racefiets gekocht.

Nou, oké.

Wij vertrokken rustig. Geleidelijk voerden we het tempo op, tot onze diesel zich op kop zette en de teller opliep naar rond de 37 kilometer. Wij keken geregeld even achterom om te zien of ze er nog aanhing. Dat was zo, en kennelijk zonder al te veel moeite. Dit verbaasde ons.

Op het dijkje richting Spijkerboor voltrok zich vervolgens dit: de vriendin van mijn zwager fietste uit laatste positie ogenschijnlijk moeiteloos naar voren, nam de kop en ging 40 rijden. Daarna ging zij 42 rijden.

Ik hoorde iemand zacht vloeken en zelf voelde ik me ook niet meer okselfris.

De snelheid liep verder op en er moest iemand lossen. Dat bleek ik te zijn.

Niemand wilde ho roepen.

Verdreven.

2. Wij woonden met vijf studenten in een studentenhuis aan de Jozef Israëlsstraat in Groningen. Er waren wel vrouwen, maar nooit langer dan één nacht. De vloer van de keuken was spekglad, op het fornuis lagen etensresten en aan de deur van de wc hing een briefje met onze namen, met daarachter een hokje waarin je een kruisje moest zetten wanneer je de boel had schoongemaakt. Waarschijnlijk ooit bedacht door een gaste voor één nacht. Er stond één kruisje, vermoedelijk van haar.

Wij kookten zelf: bonen met paprika, uien en prei plus een pond h-o-h-gehakt, rijst met paprika, uien en prei plus een pond h-o-h-gehakt of spaghetti met paprika, uien en prei plus een pond h-o-h-gehakt.

Als niemand zin had om te koken gingen we naar De Diamant aan de Brugstraat voor nasi.

Na het eten gingen we koffiedrinken en televisiekijken en daarna gingen we bier drinken en klaverjassen (of risken). De sessies konden gemakkelijk doorgaan tot een uur of zeven in de ochtend.

Het was de gelukzalige chaos van het jongensparadijs, niet gehinderd door verstandige opmerkingen.

A. moest toelatingsexamen doen voor de opleiding tot belastinginspecteur. Hij kwam tevreden terug, tot hij het papier met de examenantwoorden uit zijn oude schooltas viste. Verdomme, zei A., ik heb mijn kladpapier ingeleverd.

Dat vond de vriendin van A. niet leuk, want zij wilde graag trouwen. Maar dan moest A. wel een baan hebben en ophouden met klaverjassen.

Er kwamen trouwens opeens meer vrouwen langs – en langer. Sommigen van ons moesten na het eten weg, naar een vriendin. Je mocht niet meer zonder kloppen kamers oplopen, want er bestond goddomme ook nog zoiets als privacy. De keuken knapte op, het menu verbreedde en iemand begon te klagen over het feit dat er in het huis geen douche was.

Je hoorde over plannen om te gaan samenwonen.

Er werden vaker verstandige opmerkingen gemaakt, zoals: ‘Als jij morgen een tentamen hebt, zou je dan nu niet ophouden met risken?’

Daar zat wat in.

Verdreven.

3.Toen ik 6 jaar werd, kreeg ik een indianenpak met verentooi. Even later kreeg mijn broertje een cowboyhoed, een holster en een pistool waarin je zo’n rolletje klappertjes moest frommelen. Wij gingen cowboytje spelen. Omdat wij meestal naar Duitse westerns keken, dachten wij dat ze in het Wilde Westen Duits spraken. Mijn broer schoot mij neer en zei: ‘So, du Schweinhund. Tot.’

Bij ons achter was een bosje met een sloot. In mijn wigwam rookte ik de vredespijp die mijn tante had meegenomen uit Amerika, pijl en boog schietklaar.

Jongetjesparadijs. Meisjes mochten niet meedoen, zij moesten touwtjespringen.

Op een dag kwam M., het zusje van cowboy B., aanlopen met een Donald Duck. Wat moet je, vroeg mijn broer. Of moeten we je soms neerknallen of martelen aan de totempaal tot je er blauw van ziet?

Zij wapperde met de Donald Duck. Daarin stond een verhaal van Hiawatha, het kleine opperhoofd der Rondbuiken. Kinderachtig gedoe. Wij wisten allang dat indianen bij de Apaches zaten of bij de Sioux.

Toen wees ze ons een tekening aan van een vrouwelijk indiaantje. Het kreng heette Zilverslang. M. beweerde dat dit bewees dat zij ook mocht meedoen met cowboytje spelen en dat haar moeder dit standpunt deelde.

Haar broer B. voelde de bui al hangen. Ga jij dan maar in de wigwam eten koken, zei hij, bij wijze van compromis. Even later had een cowboy opeens ‘verkering’ met Zilverslang. Mijn broer schoot zijn pistool leeg en ging een dam bouwen in de sloot. De Deltawerken, zei hij.

Verdreven.

4. De Eerste Wereldoorlog was een jongensparadijs. Uit Engeland trokken de jongens ten strijde, blij dat er eindelijk weer eens iets spannends gebeurde. Als je Robert Graves leest, of Siegfried Sassoon, rijst een beeld op van diepe ellende. Maar ergens op de achtergrond, bijna verborgen door de afgeschoten koppen, de bajonetten door ingewanden en het prikkeldraad van niemandsland, schemert de hel maar ook het jongensparadijs.

Dat verklaart misschien de grote belangstelling van jongens voor Flanders Fields waar de de krankzinnigheid vorm kreeg. Je kunt ze zien ronddwalen, bij Ieper en Passendale. Het zijn altijd clubjes mannen, jongens.

Ze hebben kaarten bij zich, en boeken. Ze wijzen naar bijna onzichtbare merktekens in de velden. Soms vinden ze een stuk helm en zijn ze blij.

Wat zoeken ze? Waarom lopen ze dromend rond, gehypnotiseerd bijna?

Het heeft er vast en zeker mee te maken dat het jongens zijn, die iets willen voelen van wat andere jongens hebben gevoeld, hun voorgangers in de hel – en in het paradijs.

Als we terugrijden uit het zuiden, vraag ik mijn dochter altijd of ze zin heeft om er even rond te kijken. Ze heeft er geen belangstelling voor. Mijn vrouw leest de boeken van Pat Barker en Sebastian Faulks, maar ze is nog nooit in Ieper geweest. Ze heeft genoeg aan de verbeelding, de klei met granaatscherven interesseert haar niet.

Niet lekker met de jongens door de velden, met iemand erbij die zegt: ‘Hier stierven op één dag twaalfduizend jongemannen.’ De huivering van het jongensparadijs en de fijne gedachte dat vrouwen totaal geen kaas hebben gegeten van elkaar afslachten.

Maar onlangs kreeg ik van een vrouw de volgende mail: ‘Ik ga dit najaar met mijn vriendinnen C. en R. naar Vlaanderen. Met Graves in de koffer naar Ieper en naar de Last Post luisteren.’

Wat zullen we nou krijgen, dacht ik.

Verdreven.

5.Eigenlijk wordt het jongetje al uit het jongensparadijs verdreven, zodra hij beseft dat er meisjes zijn. En nu er overal meisjes zijn, wordt het laatste jongensparadijs een reservaat – tot ook dat wordt gesloten.

Ik ga nog wel eens vissen, maar ik ben voortdurend bang dat er een streng meisje van de Partij voor de Dieren aankomt, die mij een knie in de rug zet en vraag wat of we aan het doen zijn.

‘Vissen.’

‘Dieren martelen, zul je bedoelen.’

‘Jachtinstinct, niks aan te doen, ik ben een man.’

‘Een man? Jij? Een sneue vislul zul je bedoelen.’

Verdreven.

Uitwijken naar het paradijs van de jongenshumor.

‘Weet je wat het met jou is? Jij moet wat vaker keihard gedingest worden. Daar zou je van opknappen. Haha! Ho, beet.’

‘Gebeurt vaak genoeg, maar niet door impotente vislikkers en vuile seksisten als jij.’

Verdreven. Jongenshumorparadijs fermé.

Veel bier drinken in café De Jongen! Veel bier drinken? Café De Jongen bestaat niet meer.

Verdreven.

De voetbalkantine!

Verdreven.

In het boek Manliness pleit de Amerikaanse filosoof Harvey Mansfield voor terugkeer naar de mannelijkheid. ‘Manliness’ is ‘het zich zelfverzekerd begeven in een riskante situatie’. Riskante situaties? Waar dan, in godsnaam?

Seks zonder condoom met een Groningse relnicht? Bijbelshop beginnen in Darfur? Met een Wilders-masker op door Osdorp paraderen? Lid worden van de Soprano’s?

We zoeken het verloren paradijs, niet de hel. Nog even en ze nemen trouwens de maffia ook over.

‘Jullie laatste paradijs’, zegt een vriendin, ‘jullie laatste jongensreservaat, is het vliegeren.’

Zei ze vliegeren? Ja. ‘Zie jij wel eens meisjes vliegeren? Nee, altijd vaders en zonen.’

Vliegeren. We kijken naar de vlieger, hoog in de lucht. Zie ’m spelen in de wind, kijk ’m vrij zijn, levensgevaarlijke toeren uithalen en dansen met de andere vliegers.

Wij sturen hem een brief, onze vriend de vlieger!

‘En speelgoedtreintjes’, zegt de vriendin nog.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden