VAN TWEE KANTEN

Lang was Ingmar (46) voor Moniek (38) de prins op het witte paard. Toen zij succesvol werd en de rollen omdraaiden, kwam dat hun relatie niet ten goede....

tekst Corine Koole . fotografie Krista van der Niet

'Ingmar begon als een angstig jongetje aan me te trekken'

Zij

'Ingmar was mijn held in 1980. Ik was 11, hij was 19. Hij leidde de jeugdclub waarvan ik lid was. Binnen een paar weken was ik verkocht. Leefde van weekend naar weekend. Ik stoeide met hem, hij plaagde mij, daagde me uit, riep dingen als: hé, die broek en die trui passen goed bij elkaar, als ik een tuinbroek aan had. Heel flauw en zo ontzettend grappig tegelijk. We waren geen geliefden, en dat hoefde ook niet. Ik leerde van hem, keek op tegen zijn zelfstandigheid, bewonderde iedere vezel van zijn lichaam, zonder hem ooit aan te raken.

Na jaren ontmoetten we elkaar opnieuw. Mijn bijlesleraar woonde bij hem in huis. Ik herinner me nog de verrassing in zijn ogen toen hij de deur opende. Hij keek me aan, scande me van boven naar beneden en weer terug. In zijn ogen zag ik mijn lichaam weerspiegeld. De borsten die ik, zonder erbij stil te staan, had gekregen. Ik heb mezelf nooit mooi gevonden. Ik had dan wel lang blond haar en heldere blauwe ogen, maar ik kleedde me als een jongen. Ook die dag van de eerste bijles droeg ik een blauwe, zelfgebreide trui die bij de mouwen iets te lang was. En toen hij me na een paar weken vroeg een eind te gaan fietsen, dacht ik niet: nu gaat het gebeuren. Ik dacht aan hem zoals ik gewend was aan hem te denken: aan Ingmar de superzelfstandige, geestige, slimme man die zo veel verder in zijn leven was dan ik. 'Stopte Ingmar bij jou ook zijn tong in je mond?', vroeg ik mijn vriendin toen hij ons naar huis bracht. Nee, zei ze. Oh, dacht ik, dat kan dan spannend worden morgen op de fiets.

We werden een stel. Ik nog steeds pas 16 en hij 24. Het was voorjaar 1985. Ik was een tomboy op zoek naar zelfstandigheid, niet naar zoetgevooisde vleierijen. Weerwerk wilde ik en dat kreeg ik van Ingmar. Ik hield van hem omdat hij kritisch was. Ik hield van hem omdat ik van hem kon leren. Hij was autonoom. Helemaal zichzelf. Hij was mijn held en bleef dat lang, maar ik werd ouder en zelfstandiger.

Toen ging het fout. Ik werd niet alleen ouder en zelfstandiger, maar ook succesvoller. Een killer voor een relatie als die van ons. Zeven jaar geleden, toen onze dochter werd geboren, was hij het die minder ging werken, niet ik. De rollen draaiden om. Ik werd vrijer, op mijn werk kreeg ik voor het eerst aandacht van andere mannen. Ik, het jongensmeisje uit het hippienest. Dat ik stoer was, vonden ze ineens leuk. Ik had een lekkere kont, een buik als een broodje. Ook leuk. En ik kocht voor de grap twee rokjes en korte T-shirts. Om te zien wat er gebeurde.

Het lag voor de hand dat ik op dat moment verliefd zou worden op een ander. Iemand van wie ik opnieuw kon leren, nu Ingmars rol raakte uitgespeeld. Maar dat gebeurde niet. Diep in mijn hart, houd ik misschien niet eens van mannen. Diep in mijn hart voel ik me het allerprettigst tussen lesbische, stoere vrouwen van het dameselftal. Ik heb een hekel aan clichématige heterospelletjes. Dus, nee, verliefd werd ik niet. Er gebeurde iets anders. We raakten in een kille stroomversnelling. In plaats van op mijn vrijheidsdrang te reageren met hernieuwde dominantie, arrogantie of vreemdgaan voor mijn part, begon Ingmar als een angstig jongetje aan me te trekken. De sterke, krachtige Ingmar werd onzeker en paranoïde van jaloezie. Hij begon te vragen: 'Wat vind je mooier, het grijze T-shirt of het witte?' En wilde eerst mijn goedkeuring voor hij zich aankleedde. Hij overlaadde me bijna ziekelijk met complimenten. Waren we met vakantie, riep hij dat de hele camping verliefd op me was. Ging ik met de buurman van 67 hardlopen, wilde Ingmar ook ineens mee. 'Loop niet zo uitdagend', zei hij.

Ik begreep er niets van, begon me nog meer terug te trekken en ging nog meer verantwoordelijkheden op me nemen. Deed alles alleen, van de kinderen tot het huishouden. En hij raakte steeds verder in paniek. Toen hij zich op een nacht iets wilde aandoen, heb ik hem zwaar ziek naar het crisiscentrum gebracht, waar hij medicijnen kreeg. En hem werd dringend geadviseerd niet alleen thuis te blijven.

Een jaar lang was hij als mijn derde kind. Totaal verwijderd van elkaar, en toch verbonden door het verleden, door de eenheid die we sinds mijn elfde vormen. Verbonden door onze woordenloze communicatie. Ik heb nooit gedacht: nu is het voorbij. Ik dacht: dan doe ik het wel alleen en neem ik hem erbij. Hij heeft hard gevochten, en sinds drie maanden is hij weer terug. Met zijn eigen sport en zijn eigen bezigheden. Ik ken hem zo goed. Als hij een brander pakt, weet ik dat we aan de kast gaan werken, en pak ik als vanzelf een beitel. Dat symbiotische is uniek, en niet alleen maar eng.'

***

'Mijn hoofd was verdwaald, maar onze lijven kenden de weg'

Hij

'Als ze weg is geweest en 's avonds weer naast me ligt, spoelt een golf van rust over me heen. We liggen allebei op onze zij, tegen elkaar aan. Het is of ik mijn eigen lijf beter voel. Het lijkt of mijn kracht meer dan verdubbelt. Een overweldigende tinteling door mijn lichaam. Ik wil woorden geven aan mijn geluk, ik wil haar zeggen: 'Wat is het fijn met je, wat zitten we hier lekker, ik hou van je.' Ik zou willen zeggen dat ik haar mooi vind, zo waanzinnig aantrekkelijk. Maar ik weet inmiddels: hoe meer ik mijn best doe, hoe harder ik haar van me af duw. Met mijn wens aan haar ideaalbeeld te willen voldoen, stapte ik in een gemene valkuil. Ik vind haar nog altijd, na meer dan twintig jaar, de mooiste en leukste vrouw die ik ken, maar doe er beter aan dat niet altijd hardop te zeggen. Ik had wat strategischer moeten zijn.

We leerden elkaar kennen toen zij 11 was en ik 19. Vijf jaar later kregen we verkering. Toen zij ouder werd, zelfstandiger en succesvol als psycholoog, had ik haar de vrijheid moeten geven. Ik had mijn eigen leven moeten oppakken, maar ik wilde alleen bij haar zijn, had geen behoefte aan een eigen leven naast haar. Wat kon ik doen? Ik volgde mijn hart. Ik belde haar tien keer op een dag en als ze in gesprek was, was ik ervan overtuigd dat ze belde met een minnaar. Ik begon haar e-mail te checken, om me te kalmeren, en vond briefjes van collega's die ik verkeerd interpreteerde. Ik voelde me bezwaard, maar hield mezelf voor dat het nodig was om de rust te herstellen. Bang dat ik haar kwijt zou raken, deed ik precies alles waarmee ik haar kwijtraakte.

Zolang Moniek jong was, tegen me opkeek, was het niet moeilijk de zelfverzekerde oudere man te zijn die wist hoe het leven in elkaar zat. Ik was jarenlang haar ridder op het witte paard. Maar toen de kinderen kwamen, de verantwoordelijkheden groter werden en zij mij steeds minder nodig had, raakte ik in de ban van jaloezie en verbittering en bleek dat mijn zogenaamde zelfvertrouwen niets dan een verlangen naar aandacht was. Ik werd bang. Wilde niet meer naar feesten, werd wantrouwend, teruggetrokken. Het enige wat me bezighield, was: hoe hou ik haar bij me?

Op een avond lag ik in bed. Ik begon te zweten, kreeg een paniekaanval. Zij had nooit enige aanleiding gegeven. Alles zat in mijn hoofd. Ze was stevig gespierd, rond, maar flirtte niet. Ze was mijn jongensmeisje dat ik al haar hele leven kende; ze was nog een kind toen we stoeiend over het gras rolden. En ze had nooit een andere man gehad. Ik werd gekker en gekker. Geen idee dat ik het alleen maar erger maakte met mijn bezitsdrang. Ik dacht: als ik van een flat spring, is de hypotheek vrij en ben ik geen last meer voor Moniek, en wilde dat plan werkelijk uitvoeren. Mijn vader en broer hebben een psychotisch verleden, maar ik voelde niks aankomen, want ik was immers altijd de sterkste geweest van de familie; ik had nergens last van. Moniek zei: 'Wij hebben geen probleem, jij hebt een probleem. Doe er iets aan.' Ze bracht me naar het crisiscentrum. De artsen daar waren mijn collega's. Ik schaamde me. Zo vreselijk. Mijn huwelijk, mijn leven, mijn werk, alles waarin ik geloofde bleek gebouwd op drijfzand. Alleen de seks was als altijd: lekker en heftig. Daar klampten we ons aan vast. Mijn hoofd was verdwaald, maar onze lijven kenden de weg. Ik kreeg medicijnen, begon te experimenteren met meditatie en schreef mezelf brieven om de boel op een rij te krijgen. Anderhalf jaar heeft de crisis geduurd, nu gaat het langzaam beter.

Voor het eerst in lange tijd ben ik onafhankelijker. Ik roep uit opstandigheid juist wel iets over die fantastische buik, ook al weet ik van tevoren precies hoe ze geprikkeld zal reageren: 'Zeg, eh, kan ik me even rustig omkleden...' Ik weet, het klinkt idioot krampachtig voor een voormalige prins op een wit paard, maar ik wring me niet langer in bochten om het haar naar de zin te maken. En stel geen absurde eisen. Half zeven eten was voor mij altijd heilig. Als ze later thuiskwam, was ik totaal ontgoocheld, verdacht haar van van alles en nog wat. Nu zeg ik: geen probleem, tot straks. Het zijn kleine, maar geen onbelangrijke stappen voorwaarts. Ik vind haar nog steeds de knapste, maar in mijn fantasie ontmoet ik voor het eerst vrouwen met wie ik sjans en op wie ik verliefd word. Zelfs de gedachte dat we over een paar jaar elk onze eigen weg op zouden gaan, is behalve beangstigend ook inspirerend. We hebben elkaar teruggevonden, dat is heel mooi, maar geen garantie voor de toekomst. Fuck de toekomst. De betovering is verbroken. De verslaving is bedwongen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden