Reportage

Uit Paramaribo vertrokken, maar nooit weggegaan

Hoe langer je ergens wegblijft, des te lastiger de terugkeer. De vader van Volkskrant-redacteur Ianthe Sahadat bezocht pas na een halve eeuw weer zijn geboorteland.

Rob voor de oude winkel van zijn familie in de Zwartehovenbrugstraat, waar nu een Chinese supermarkt zitBeeld An-Sofie Kesteleyn

Mijn vader wijst naar een magere Hindoestaan met een glimbloes en een dun snorretje. Lijkt neef Haroon wel. Een oudere zwarte man in beige pak zou 'een Lether' kunnen zijn. We zijn amper in de lucht of het begint al: overal herkenning en familie.

Ergens ter hoogte van de Azoren kijkt mijn vader naar een tekenfilm met veel explosies. Een kromme duim gaat omhoog. 'Machtige film.' Even kijkt hij me aan. Zijn ogen glanzen. 'Ja, meisje, het is zover. Ik ga naar huis.' Hij schudt zijn hoofd een paar keer, slikt en kijkt snel verder.

Mijn vader bedient de entertainmentset verrassend bedreven voor iemand die een mobiele telefoon niet snapt ('al die kleine toetsjes') en die ergens midden jaren tachtig zowel voor het eerst als het laatst in een vliegtuig zat. Naar Engeland. Nu, 77 jaar oud, zit hij in stoel 28C van vlucht KL713 naar Paramaribo. Samen met mijn moeder, zijn enige kind (ik) en kleinkind (mijn dochter Kaya van 1) reist hij af naar zijn geboorteland, waar hij ruim een halve eeuw niet is geweest.

Al sinds mijn kindertijd reageerde mijn vader geïrriteerd en afwerend op voorstellen eens naar Suriname te gaan. Mijn moeder wilde dolgraag, ik nog liever. Ik ben opgegroeid en leef nog altijd in een tamelijk witte omgeving. Als ik een Surinamer tref, moet ik me inhouden om niet onmiddellijk te roepen 'Hallo, ik ben er ook een, wij zijn familie.'

Maar mijn vader wilde niet. Hij wilde kamperen. In Frankrijk. Of thuisblijven, in Rijswijk. In Suriname had hij 'niks te zoeken'.

Ik begreep hem maar half en gaf niet op. Zijn vertrek destijds in 1953, als jochie van 14 nog maar, was gecompliceerd en niet vrijwillig. Er speelden zaken in het gezin. Hij ging in zijn eentje naar Holland, waar hij eenzaam en ongelukkig was. Ik begrijp, hoe langer je wegblijft hoe lastiger een terugkeer wordt, maar hij kan toch niet sterven zonder ooit weer voet op Surinaamse bodem te hebben gezet? Na vele jaren zeuren, vragen, argumenteren en enige milde dwang ('Ik ga gewoon boeken'), is het dan toch gelukt. Voor Kaya, zegt hij, want voor Kaya doet hij alles.

Beeld An-Sofie Kesteleyn

Toen

De zon begon te zakken, we moesten als de wiedeweerga naar huis. Anders werd ma boos. En dan zwaaide er wat. Mijn billen waren nog beurs van gisteren. We hadden stiekem in de rivier gezwommen, maar ma had de modder op ons geroken.

Mijn broer Ramon wilde langs de kankantri lopen om te kijken of we bakroe's en asema's konden zien. Boomtopgeesten komen tevoorschijn als de avond valt. Ze trekken de huid van je lichaam, over je hoofd, zei Ramon, dus ik durfde niet. Bangerik, zei Ramon, maar het interesseerde me niet, ik wilde mijn huid niet kwijt.

Onderweg zagen we hoe de lantaarnman de gaslantaarns aanstak voor de nacht. Toen we thuiskwamen was mijn moeder helemaal niet boos, maar juist vrolijk. Ze had pom gemaakt en het hele huis rook ernaar.

Nu

Op Zanderij, officieel Johan Adolf Pengel International Airport, verlaat je het vliegtuig via een voorgereden trap. Vanuit de gekoelde Boeing 747 wandel je zo de tropenhitte in, waar een klamme 35 graden ogenblikkelijk als een warme deken om je heen slaat.

Het is iets na vijven, de zon staat al laag. Avondlicht schijnt op mijn vader en ik zie aan alles - zijn gestalte, zijn motoriek, zijn mimiek en vooral zijn blik - dat hij thuiskomt.

Hij schudt zijn hoofd, mompelt in zichzelf. In het vliegtuig breekt hij al een keer, als ik hem naar zijn verwachtingen vraag. Nee, hij verwacht niets. Iedereen is al dood of weg. Al pratend slaat zijn stemming om. Ja, hij verwacht een terugkeer naar zijn jeugd, rust te vinden, bevrijding. En - het grote woord valt - vergiffenis. Van wie? Van iedereen, zegt hij cryptisch. Ogen in de verte: 'Ik heb ze teleurgesteld, ik was goed op school, maar ik heb het niet waargemaakt. Ik kon niet terug. Ik had geen diploma's, dat wilde ik mijn ouders niet aandoen.'

We wandelen over het hete asfalt van de luchthaven, ik draag een rugtas en mijn dochter. Mijn vader - zoals altijd hoog opgetrokken broek met bretels - heeft zijn rugtas in een hand en een linnen tasje in de ander. Gele hesjes en oranje pylonen wijzen de weg, mijn vader negeert ze en stapt uit de looproute. Midden op de baan stopt hij, zet zijn tassen neer, kijkt naar de lucht en zakt door zijn oude knieën. Hij raakt de grond aan en daarna zijn hart. Ik zie tranen.

Van links af: Moeder Meta, Ianthe en dochter Kaya, en vader Rob Sahadat bij aankomst in SurinameBeeld An-Sofie Kesteleyn

Toen

Big Jones verkocht bloedworst en gebakjes. Wij mochten geen worst, want we waren moslim. Ik wilde een hapje van een vriendje nemen, maar Big Jones zei: 'Als je het doet, ga ik het je opa zeggen'.

We stonden in een kring om zijn karretje. Big Jones maakte muziek. Hij was al oud, ik denk wel 30. Hij kon mooi zingen en spelen op zijn banjo. Ik keek naar zijn gezicht, hij was groot, sterk en gitzwart. Zijn huid glom. We dansten en klapten mee op Ala pikin nengre, over een Creoolse jongen die naar de stad gaat en de markt. Hij zong over het mooie Paramaribo. Ik vind Paramaribo ook mooi. De mooiste stad van de wereld. Ook al ken ik geen andere steden.

Nu

Chauffeur Glenn (witte pet, witte broek, wit shirt) rijdt ons in een minibusje van de luchthaven naar de stad. Er staat een file. Vanwege de spits? 'Jawel. Eigenlijk, nee. File is er altijd', zegt Glenn.

We passeren jongens met meisjes in strakke jurkjes op brommers, terwijl de schemering overgaat in de nacht. Het ruikt naar diesel en gebraden kip. Overal klinkt muziek, overal is eten. We passeren een hindoetempel in een indianendorp en een moskee naast een Chinees restaurant. Mijn vader staart uit het raam met Kaya op schoot, zijn ogen staan melancholiek. Je ziet dat er van alles achter gebeurt, maar hij zegt niks. Tot hij begint te praten, vroeger en nu door elkaar heen, onafgebroken, tegen wie het maar wil horen, of niet. De associatieve woordenstroom zal de rest van ons verblijf niet meer stoppen.

Slachtkip gratis plukken, koffie djompo, supermarket Onverwagt, Hilly's chickenfarm, Willie's warme worst, Freddie's fruit, Roopram roti.

Dat is wat ik zie, mijn vader ziet de jaren veertig. Zijn ogen glanzen permanent.

Straks neem je de rotonde op de Kwattaweg, dirigeert hij Glenn. Alsof hij dagelijks het ritje over het Pad van Wanica richting Paramaribo maakt en niet hij maar de chauffeur een verdoolde ziel is.

De rit van de luchthaven naar ParamariboBeeld An-Sofie Kesteleyn

Toen

Waldo lag op de grond in de Kleine-Saramaccastraat, naast zijn fiets. Ik had een stok in mijn handen. Ik had hem willen slaan. Omdat hij me pestte, elke dag. Hij duwde en zong stomme liedjes als hij me zag. Maar Waldo was zomaar van zijn fiets gevallen toen ik achter hem aan rende. Hij maakte rare schokkende bewegingen en zijn ogen waren weggedraaid. Later hoorde ik dat hij een ziekte had, de vallende ziekte.

Ik had niets gedaan, maar door die stok in mijn handen dacht iedereen dat ik hem had geslagen. Ze hebben het zeker aan mijn moeder verteld en daarom wilde ze me nu wegsturen; ze vond me vast een slechte zoon.

Nu

We wandelen langs de oever van de Surinamerivier als we merken dat mijn vader ontbreekt. Hij staat met twee mannen met zangvogels in kooitjes te praten. Ik hoor Sranan. En flarden levensgeschiedenis.

Ook onze taxichauffeur kreeg onderweg ongevraagd een lesje Paramaribo in de jaren vijftig. Over boeroewoningen, de tegelmeester en popcornbloemen.

Als mijn vader over zijn jeugd praat, leeft hij op. De gelukkige jaren veertig en vroege jaren vijftig in Paramaribo waren zijn paradijs. Zijn herinneringen zijn verhalen geworden in nostalgische sepiatinten, die hij eindeloos blijft herhalen. Zelfs ik ken ze uit mijn hoofd. Spelen onder de mangoboom, zwemmen in de rivier, kwikwi vangen, verhaaltjes vertellen aan zijn broertjes en zusje.

Mijn vader is wel uit Suriname vertrokken, maar hij is er nooit weggegaan. Thuis in Rijswijk trekt hij zich terug op zijn kamertje, luisterend naar de Surinaamse radio, de familiegenealogie napluizend. Of hij gaat naar de openbare bibliotheek in Delft, leest elk boek over het land, leest de kranten online. Minstens een keer per week bestudeert hij Paramaribo op Google Earth, om dan dingen te zeggen als: 'het huis van de familie Coronel aan de Kleine-Saramaccastraat is weg, ze hebben de garage laten staan.'

Toen

Mijn moeder heeft gezegd dat ik naar Holland moet. Om naar school te gaan. Ik begreep haar niet. Waarom moest ik weg? In Holland kon ik sneeuw zien, en roodbonte koeien in de polder. Maar ik wilde geen sneeuw en roodbonte koeien, ik wilde naar de zwemwedstrijd in Guyana, ik wilde verkering met Martha Buitenweg en mijn wiskundehuiswerk was nog niet af.

Nu

Via via zijn we uitgenodigd voor een lunch bij een familie die we niet kennen - heel Surinaams. Bij aankomst staan drie vreemden op een veranda naar ons te zwaaien. Buiten is het 37 graden, binnen is het airco-koel. Het huis ruikt naar roti en masala. De cola en de Fernandes staan klaar.

Speciaal voor mijn vader heeft de gastheer nog twee oude mannen uitgenodigd. Waldo Ramdihal (80) en Walter Dwarkasing (77) kennen mijn vader niet, maar groeiden op in dezelfde buurt.

Wat is uw naam ook alweer, vraagt Waldo. 'Sahadat, Fathma', zegt mijn vader. Aangezien mensen de voornaam van mijn opa vaak beter kennen.

'Fathma was de grootste schoenenwinkel van de stad', zegt Walter. Mijn vader straalt. Waldo: 'Er waren bijna geen schoenen in die tijd, we liepen op blote voeten. Ik heb daar mijn eerste schoenen gekregen, loafers in twee kleuren.'

Al gauw gaan namen, plekken en gebeurtenissen over en weer.

'Maar Rob, mag ik vragen, waarom ben je niet teruggekomen', vraagt Walter plots.

'Er was een drempel, een onbewuste weerstand', zegt mijn vader.

Walter houdt vol. 'Ik begrijp het niet.'

'Ik kwam voort uit een soort aristocratie, ik zou zorgen voor wat de familie had, en nu is alles weg.' Ik heb hem dit nog nooit horen zeggen.

Waldo, op geruststellende toon: 'Van iedereen is alles weg.'

Mijn vader zwijgt. Zijn ogen staan koppig.

Walter: 'Fernandes (van de mierzoete drankjes, in Suriname 'soft' genoemd, red.) is een van de weinigen die het heeft gemaakt. Alle familiebedrijven gingen ten onder.'

De winkel van mijn opa, B. Fathma Import en Export, was begonnen door mijn Indiase overgrootvader die een half leven op suikerplantage Mariënburg werkte als contractarbeider. Ze kwamen van niets, zegt mijn vader altijd. Met het verkopen van zelfgemaakte broeken, pangi's, verdiende hij zijn eerste geld.

'Ik had ervoor moeten zorgen', zegt mijn vader. Het familie-imperium, bedoelt hij. Hij heeft het laten sterven. Althans zo voelt hij dat.

Eten bij de familie Raghoebarsing. Buurtgenoten onder wie: Aldo Ramdihal (links) en Walter Dwakasingh in gesprek met Rob SahadatBeeld An-Sofie Kesteleyn

Toen

Ik hoorde ze ruzie maken, alweer. Als pa nog een keer tegen ma zou schreeuwen, deed ik hem wat aan.

Ik wilde net gaan zwemmen, toen m'n moeder riep. Ze noemde me Robert, dat was zelden een goed teken. 'Robert jongen, je gaat je wedstrijd moeten afzeggen, de boot vertrekt over drie weken. Ik heb een adres voor je in Amsterdam. Je gaat daar naar school gaan, je bent een slimme jongen.'

Ik verstijfde en voelde tranen in mijn ogen branden. Zonder ma aan te kijken, rende ik de deur uit. Ik rende en rende, langs het ziekenhuis naar de Zwartehovenbrugstraat, naar de winkel, naar mijn oma Wazir. 'Nini, ze willen me wegsturen, u moet me helpen.' Oma keek me aan, troostte me. Ze fluisterde in mijn oor. 'Je gaat luisteren naar je moeder en je vader, jongen. Je moet naar Holland gaan.'

Nu

We staan in een file richting het stadscentrum. Op de radio doen mensen elkaar de groeten. 'Odi odi van tante Ethel aan Dolores Braafheid. Zij is jarig, daarom.' We gaan de oude huizen van mijn vader bezoeken. Hij is opgewekt en haalt herinneringen op. Over zijn jaren in de Zwartehovenbrugstraat, hartje Paramaribo, waar hij tot zijn 12de woonde. Hij noemt namen van oude vriendjes. Hij vertelt over zijn eerste liefde. Martha Buitenweg. Achter wie hij altijd aanliep en die niets anders deed dan op zijn hoofd slaan.

Hoe dichter we de plek van het oude huis naderen, hoe stiller hij wordt. Ik vraag de taxichauffeur te stoppen. Mijn vader, met stemverheffing: 'Wat wil je lopen? Er is hier niks. Ik ga nergens lopen. Kom we gaan.'

Na enig aandringen stapt hij toch uit. We staan tegenover het grote hoekpand waar vroeger de winkel zat, nummer 179. 'Reach for greatness' staat in rode letters op de gele wand tussen reclames voor Parbo-bier en Cockspur-rum. De woorden detoneren pijnlijk met de vervallen staat van het gebouw, waar nu Zhao Ming Supermarket huist, een van de vele sfeerloze Chinese supermarkten met rijen vol houdbare producten en plasticwaren.

Mijn vader stampt woest weg, in zichzelf pratend. 'Wat een puinhoop, kijk nou wat ze ermee hebben gedaan.' Er lopen straathonden tussen zwerfvuil en containers. 'Ik herken hier niks, wat wil je nou?'

Hij vlucht de hoek om, gaat steeds harder praten en het is moeilijk hem bij te houden. 'Hier was een sloot. Nu is er niets. Daar was een zandweg, daar het abattoir.' Hij wijst met wilde armgebaren rond.

Met moeite krijgen we hem terug richting de winkel. Nog voor we er zijn, stopt hij en slaat zijn handen voor zijn ogen. Ineens begint hij hevig te snikken.

'Het sloopt mijn geest. Gisteren was leuk. Dit niet. Dit is het niet meer. Als je maar niet denkt dat ik daar binnen ga. Ik sta verdomme te trillen.'

Ik sla een arm om hem heen. Hij verstopt zijn gezicht in mijn hals, huilt en prevelt in een taal die ik niet ken, Waziri, een taal van zijn oma, vertelt hij later. De woorden kwamen ineens bij hem terug. In het Nederlands zegt hij: 'Opa, oma, ma, pa, ik ben terug, jullie hoeven geen last meer te dragen, Ianthe neemt het over, zij geeft het weer door aan Kaya.'

Als we wegrijden in de taxi, hoor ik hem grommen: rot-Chinees.

Ianthe fotografeert haar ouders in de tuin van Robs vroegere ouderlijk huisBeeld An-Sofie Kesteleyn

Toen

Voor ik de boot op moest, was er nog één ding dat me te doen stond. Ik had een lege margarinebus uit het magazijn van de winkel genomen. Daar stopte ik mijn mooiste tekeningen in, plukjes haar van de konijnen, mijn stenen en het adres van Martha Buitenweg natuurlijk. Op zes stappen van de schuur en tien van de mangoboom ging het blik de grond in. Met een schep van de tuinman had ik wel een meter diep gegraven. Niemand zou mijn schat ooit kunnen vinden. Ze noemde me niet voor niets kapitein Rob, van de schatgravers.

Nu

Het familiehuis aan de Commewijnestraat in de groene buitenwijk Zorg en Hoop staat pal tegenover zwembad de Oase, destijds en nog altijd een besloten club. Hier verhuisde de familie begin jaren vijftig naartoe, met opgebouwd fortuin uit de winkel en andere handel van mijn opa.

Bij de poort van het zwembad zit een forse zwarte dame in bewakerstenue. 'Ik was hier lid', zegt mijn vader. 'In 1953, ik ben een van de oprichters.' De dame fronst en zucht diep. 'U kunt naar de office gaan en praten.' Met een hoofdknik naar ons. 'Zij wachten hier.'

Even later leidt mijn vader ons stralend rond. Hij spreekt een man aan. 'Ik was hier vroeger kampioen meneer, Fathma, Rob. Ik zou naar Guyana gaan. In 1953.' De man haalt zijn schouders op en loopt door.

Het familiehuis tegenover het zwembad ligt er verlaten bij. Het is onbewoond. Van de forse bewaakster hoort mijn vader wie de eigenaar is. Mijn vader is inmiddels dikke vrienden met haar, na een typisch Surinaamse ijsbreker. 'Ah, u bent een Cairo, ik kende je tante.'

In het Sranan zegt ze mijn vader dat er zojuist een licht is gaan schijnen boven het huis. Mijn vader vindt dat volkomen logisch. Hoewel hij me even later toefluistert dat Surinamers, de anderen, nogal bijgelovig zijn. 'Ja, pap.'

Zwembad de Oase waar Rob als kind wedstrijden zwomBeeld An-Sofie Kesteleyn
Zwembad de Oase waar Rob als kind wedstrijden zwomBeeld An-Sofie Kesteleyn

Toen

Het ging niet goed met me in Holland. Ik had school niet afgemaakt en geen werk. Mijn vrienden hingen in het café, ze dronken, gokten en hosselden. Ik had dienst geweigerd, omdat ik een pacifist ben, dus moest ik vier jaar varen. Ach, het was beter dan niets.

Omdat mijn vader op sterven lag, kreeg ik verlof. Het was 1960 en ik zat aan zijn bed. Jaren was ik gigaboos op hem en ma, omdat ze me wegstuurden. Maar het was weg. Ik schaamde me, omdat ik niks had bereikt.

Mijn vader stak twee handen uit en zei dat ik mocht kiezen. De ene hand was leeg. 'Dit is mijn nalatenschap', zei mijn vader. In de andere hand hield hij een envelop. 'Hier zit 1.000 gulden in, ga maar naar huis.' Hij bedoelde Holland, omdat hij wist dat ik geen plek meer had in Suriname. Kies maar jongen, zei hij. Ik heb gekozen.

Nu

De begraafplaats aan de Keizerstraat is volledig overwoekerd, maar de chauffeur kent nog wel iemand die iemand kent die de poort kan openen. We mogen het terrein op maar er wonen Braziliaanse bijen. 'Die vallen je aan, met zijn allen, dan ben je dood', legt de man met de sleutel kalmpjes uit. 'Maar ze komen niet op het pad.' Dat lijkt iedereen logisch te vinden. Dus lopen mijn vader en ik naar de plek waar ongeveer het graf moet zijn geweest. Nummer 306. Onmiddellijk begint hij in zichzelf te praten, 'Pa, ik ben er, pa je hoeft je geen zorgen meer te maken, ik heb een Hollandse vrouw, er zijn nieuwe generaties, ik heb het wel gemaakt, pa het spijt me, pa ik had niet moeten weggaan.' Een gebed in het Urdu volgt.

We staan amper stil of hij draait zich alweer met een ruk om. 'Kom we gaan, ik wil hier weg.' En hij staat alweer buiten. De Braziliaanse bijen hebben ons met rust gelaten.

Niet veel later rammelen we aan de deur van een ijzerwarenwinkel. Een Chinese man van midden 30 kijkt ons vragend aan. Mijn vader, man van veel woorden, is op cruciale momenten soms uiterst zwijgzaam. 'Ik kom voor Johan, ik ben Rob.'

'Mijn vader slaapt nog', zegt de man.

Mijn vader: 'Maak hem wakker, we komen binnen.'

Na een minuut of tien verschijnt een kleine Chinese man in korte spijkerbroek op slippers. 'Ik heb jicht', kondigt hij aan, terwijl hij in zijn ogen wrijft. Mijn vader springt naar voren. Brada, Pinto, Kopro, roept mijn vader, Ali Baba, Kapitein Rob, roept Johan Cheung, een oude vriend van mijn vader die hij al vijftig jaar niet meer gezien heeft. Ze omhelzen elkaar en schaterlachen.

Ze gaan onmiddellijk over op Sranan. Gezondheidskwalen worden lachend tegen elkaar opgeboden: een geheugenstoornis, mijn hart, jicht, een darminfarct, een stoma.

Johan vindt dat er gegeten moet worden. Maar mijn vader staat alweer met een voet buiten. Meer dan een halve eeuw bijgepraat in minder dan een half uur; typisch mijn vader.

De bliksemreünie heeft hem vleugels gegeven. Hij wil een straat verderop zoeken naar zijn oude neef van 91.

De taxi kruipt voort. Mijn vader tuurt rond, het adres zoekend in zijn geheugen. Uit het raam van nummer 19, een klein huisje met golfplaten, hangt een oud Hindoestaans mannetje. Hij glimlacht.

Dat is hem, roepen mijn moeder en ik gelijktijdig. Mijn vader ziet het nog niet. Hij stapt uit en loopt naar de man toe. Maar dan klinkt het: 'Joooohn, oooooooh Johnny.'

De man lacht een stralende tandeloze lach. 'Jaaa, jaaaa', zegt hij. John is doof en duidelijk dement, maar hij reageert zo blij op mijn vader, dat ik herkenning vermoed. Ze hebben dezelfde bruine slanke oude vingers. Als kinderen die hun moeder niet willen loslaten, houden ze elkaars handen vast.

De deur gaat open. We moeten binnenkomen. John draagt slippers, een te grote rode zwembroek en een wijde polo. Grijze toefen haar pieken uit zijn oren.

Het huis bestaat uit een enkele kamer, de ramen zijn glasloos. Het interieur: een ledikant met vaalblauwe klamboe, een tv en een vastgeketende radio waar keiharde house uit klinkt.

Mijn vader vraagt naar een foto van Boeboe, zijn tante. John knikt, maar komt met een souvenirboekje van Rio de Janeiro aanlopen. Stralend wijst hij op het Christusbeeld. Mooi, zegt mijn vader.

'Wat lijkt-ie op mijn oma', zegt mijn vader. Dichter bij zijn oma Wazir zal hij niet komen, deze reis.

En ik, ik zie mijn vader. Dezelfde lach, dezelfde handen, datzelfde breekbare en tegelijkertijd onverwoestbare, datzelfde vertederende.

John staat op om naar de hoek van de straat te wijzen. Allemaal weg, schreeuwt hij, en voor het eerst zie je iets van boosheid of verdriet in de zachte ogen. 'Alles was van ons.' Ze herhalen het een paar keer tegen elkaar. 'Hij was een echte showbink hoor, een wakaman (een player, red.)', zegt mijn vader. 'Heeft 22 kinderen.' John kijkt glazig. Mijn vader aait zijn hoofd.

Het graf van vader Fathma Sahadat, die in 1960 overleed, is overwoekerdBeeld An-Sofie Kesteleyn
Rob ontmoet zijn 91-jarige neef John Sahadat die dementeertBeeld An-Sofie Kesteleyn
Ianthe omhelst haar vader bij het graf van diens vaderBeeld An-Sofie Kesteleyn

Toen

Ze noemden me naïef. Mijn broers en zussen. Wist ik dan echt niet waarom er vroeger zoveel ruzie was? Wist ik dan niets van de buitenkinderen en buitenvrouwen? Mijn vader was een wakaman. Ma wilde hem straffen. Ik was zijn lievelingszoon. Dus koos ze mij om naar Holland te gaan, waar de mensen aan mijn gezicht voelden of het bruin eraf kon en ik me uiteindelijk thuis voelde zonder ooit echt een van hen te worden.

Nu

We eten opgewarmde kip met kousenband. Mijn vader kijkt The Sound of Music op de grote flatscreen-tv. In korte broek, met zwarte hoog opgetrokken sokken om zijn magere kuiten in sandalen.

De tranen in zijn ogen zijn van de film, zegt hij, maar 'ook wel' van alle emoties, ontmoetingen en bezochte plekken van de afgelopen dagen. De airco loeit en de tropenschemering gaat buiten razendsnel over in de avond.

'Ik ben je dankbaar meisje, mijn hart is verlicht. Ik heb de zware koffer kunnen neerzetten', zegt hij zonder zijn blik van de tv te halen. Ik zie zijn achterhoofd knikken.

'Je hoeft nog maar twee daagjes', zegt hij tegen zijn kleindochter, die op de grond voor de tv tevreden een krant in stukjes versnippert. 'Of zullen we blijven?' Lachend: 'Mij niet gezien.'

Op de achtergrond verlaat de familie Von Trapp zingend het theater om te vluchten voor de nazi's. 'So long, farewell, auf wiedersehen, goodbye. I'm glad to go, I cannot tell a lie.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden