Uit de pas lopen is een kunst ACHT NEDERLANDSE SCHRIJVERS OVER FILOSOFIE

ER SCHIJNEN mensen te bestaan die niet denken en niet schrijven. Volgens Nelleke Noordervliet, die een bijdrage levert aan de essaybundel Denkende schrijvers, betreft het hier zelfs het gros van de Nederlandse bevolking: 'Door de afwezigheid van enige zinnige activiteit lijkt deze massa blind en doof door het universum te...

Een denkende schrijver kan vreemde bokkesprongen maken, zoveel maakt Noordervliet duidelijk. Met prozaïsche zevenmijlslaarzen stampt ze een reut stellingen uit de grond die schreeuwen om nuancering en kanttekeningen. Met verbaal vuurwerk spoor je het publiek aan tot eigenmachtig denken, zal Noordervliet hebben gemeend. In de kern is haar betoog overigens niet van een onthutsende originaliteit. Ze beschouwt het romanschrijven als een vorm van toegepaste filosofie, die je als zodanig derhalve niet meer kunt herkennen.

Ter verhoging van de attractiewaarde heeft Noordervliet haar lezing maar doorschoten met voetzoekers en gillende keukenmeiden. Eén van de aardige aspecten van Denkende schrijvers is dat de acht contribuanten, die er nergens blijk van geven elkaars stukken te kennen, toch op elkaar lijken te reageren. Dat is een pluspunt voor de bundeling van deze zes lezingen en twee interviews, die in 1996 werden gehouden voor (danwel afgenomen door) de Stichting Literaire Activiteiten en de Universiteit van Utrecht.

De acht Nederlandse auteurs laten zien dat je op verschillende manieren kunt aankijken tegen de verhouding tussen filosofie en literatuur. Noordervliet minacht de sportkanaal-adepten, terwijl Dirk van Weelden reeds als student filosofie inzag dat er vele soorten van denken bestaan. In de danswereld bijvoorbeeld tref je dansdenken aan, in de politiek bestaat politiek denken, en voetbaldenken vind je bij spelers en trainers. Een schrijver die bij het woord 'denken' direct en uitsluitend filosofie voor ogen heeft, doet zichzelf tekort.

Juist een filosoof als Van Weelden is daar altijd van doordrongen geweest, en zijn democratische opvatting is een behoorlijke opluchting voor de lezer die zich wat ongemakkelijk voelde bij de onverfijnde redeneringen van Noordervliet. En à propos: waren de oude geleerde Grieken niet met regelmaat in de sportschool aan te treffen, waar ze hun ogen met welgevallen lieten zappen langs de zwetende jongejongenslijven, zoals Geerten Meijsing in zijn bijdrage fijntjes aanstipt? De antieke Academie had zo haar eigen sportkanaal.

In een drieste filosofische bespiegeling poneert Noordervliet stoer dat geloven een flauwe ontsnappingsclausule is; religie als luchtkasteel voor de mens die het besef niet aankan dat hij zijn eigen lot nooit geheel onder controle zal hebben. Een staaltje verlicht denken op zijn simpelst, waarmee de schrijfster zelf wegloopt voor de lastige vragen waar menig kerkganger door middel van het geloof een antwoord op tracht te vinden.

Als je kind verongelukt kan dat godsonmogelijk een zin hebben, aldus Noordervliet, die ronduit demagogisch voortraast naar de gevolgtrekking dat 'lijden nergens goed voor is'. Hoe duchtig heeft ze nagedacht alvorens ze het spreekgestoelte beklom? Zou ze het gedicht van Elizabeth Bishop kennen over het leven als 'de kunst van het verliezen', en wat zou ze vinden van Socrates die het leven zag als 'een leerschool om te sterven'? Om maar eens een paar namen te noemen die haar niet onbekend zullen zijn.

Kunst houdt de verveling op afstand, zwiept Noordervliet er tegen het eind ook nog even uit. Laat Kees 't Hart het niet horen. In zijn bijdrage aan Denkende schrijvers krijgt de verveling de ereplaats die haar toekomt: als een presuppositie voor het doorbreken van inspiratie en kennis. De hoofdpersoon in 't Harts roman Land van genade (1989) ontdekt dat het de vervelingsmomenten zijn, de intervallen waarin op het oog 'niks' gebeurt, waar het in het leven om draait. Of zoals J.J. Voskuil het onlangs in de aflevering 'Lof der verveling' van het literaire tijdschrift Optima kloek beweerde: 'Men dient haar recht in haar smoel te zien.'

Al met al een tactisch slimme zet van samenstellers André Klukhuhn en Toef Jaeger om Noordervliet de aftrap te gunnen, óók omdat haar kardinale stelling door geen van haar schrijvende collega's wezenlijk wordt weersproken. Wel kiezen de meesten voor een meer literaire aanpak. Dirk van Weelden heeft zijn opmerkingen ingebed in een verhaaltje over een filosofische vriendin die hem meetroont naar een braakliggend terreintje in Amsterdam Oud-West. Door zo'n vorm maakt Van Weelden aanschouwelijk waar hij voor pleit - de schrijver als vrijbuiter die uit de werken der verheven denkers snaait wat hem bruikbaar dunkt, maar die voor hetzelfde geld zijn stof buiten op straat vindt.

De filosofie is heden ten dage geen majesteit meer voor wie alle wetenschappers en kunstenaars het hoofd buigen. Ze is een uitpuilende vergaarbak, waar je uit plukt wat in je kraam te pas komt. Daarmee bewijs je de filosofie trouwens nog een dienst ook, door haar namelijk voor even uit de kluisters van de wetenschappelijkheid te bevrijden.

De geest moet waaien, en dat doet ze het lekkerst in onbestemde tussengebieden. Sybren Polet weet dat als geen ander. Voor zijn idee dat creatief denken precies zo werkt als de natuur en de evolutie - namelijk vanuit de marge, om vervolgens het hoofdgebied te veroveren met verfrissende vormen en inhouden - plukt hij de bewijzen dan ook met hilarisch aandoende onbekommerdheid uit het leven en werk van zowel de oude Grieken, de sjamanen, Sören Kierkegaard, Charlie Chaplin als Albert Einstein.

Stukken leuker dan Noordervliet is Polet als hij toelicht dat 'onregelmaat de voorwaarde is voor vitaal functioneren'. Denk maar aan een peloton militairen dat over een brug marcheert, zegt hij. Lopen ze in de pas, dan springt de brug. Daarom krijgen de soldaten in zulke situaties altijd het commando 'Uit de pas'

Uit de pas lopen is een kunst, is dé kunst die schrijvers moeten beheersen, wil hun denkwerk niet uitmonden in een bloedeloze adstructie bij een filosofische les. A.F.Th. van der Heijden, gesjeesd student in de filosofie (waarvoor we de faculteit van Nijmegen waar hij geen esthetica kon volgen, en die van Amsterdam waar men hem niet zonder meer toeliet, dankbaar mogen zijn) heeft over deze en andere kwesties ongetwijfeld meer mee te delen dan nu is op te maken uit het weinig borende vraaggesprek dat Ed van Eeden met hem had.

Maar met dergelijke onvervulde wensen blijf je altijd zitten bij een gelegenheidsbundel als deze, die niettemin het nodige materiaal tot overpeinzen aanreikt. M. Februari zegt geïnteresseerd te zijn in de vraag in hoeverre literatuur en filosofie elkaar kunnen versterken en aanvullen. Een reden temeer voor een volgend lezingenproject, in Utrecht of elders, waarin filosofen zich op hun beurt kunnen uitspreken over hun voormalige literaire discipelen. En wat zou er gebeuren als onze schrijvende denkers zich bijvoorbeeld bogen over de vorm waarin zijzelf en hun voorgangers hun waarheden plegen aan te bieden, een literair aspect waar iedereen die schrijft permanent mee te maken heeft? In plaats van louter aankleding zou die presentatie wel eens directer dan tot dusver onder filosofen werd bevroed of toegegeven, verband kunnen houden met de inhoud en het effect van hun werk.

Arjan Peters

André Klukhuhn en Toef Jaeger (red.): Denkende schrijvers - over filosofie en literatuur.

Bijleveld; 188 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 6131 984 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden