Twijfels van een herfstvader

Tv-programmamaker Bram van Splunteren (58), gezegend met twee bijna volwassen kinderen, verwacht binnenkort nogmaals vader te worden. Dat ging niet zonder horten en stoten, plussen en minnen en wikken en wegen....

Weer vader worden op je 58ste? Waarom niet.

Geen tijd meer voor al die films die je nog wilde maken? Het is maar werk.

Geen rustige oude dag voor jou? Ach joh, de rustige oude dag is overrated.

Het zijn enkele van de mantra’s waarmee ik mijzelf op de been houd sinds ik in de greep ben van een heuse prenatale dip.

Wat is er gebeurd? Hoewel ik er eigenlijk geen zin in had, heb ik me vorig jaar door mijn lieve vriendin laten overhalen een kindje te maken. Ik dacht: het loopt wel los. Ik dacht: we zijn vier jaar niet zwanger geworden, waarom nu opeens wel. Ik dacht: het universum heeft vast grootsere plannen met mij dan luiers verschonen en achter een kinderwagen aanlopen.

In een behandelkamer van het Amsterdamse OLVG-ziekenhuis, blijkt – nu een flink aantal weken geleden – dat ik me heb vergist. Opeens is het daar. Twee centimeter lang. In korrelige zwart-witbeelden zweeft het over het beeldscherm. Een hoofd, armpjes, beentjes, alles zit erop en eraan. ‘Negen weken en twee dagen oud’, weet de fertiliteitsarts.

Ik kijk naar T. die met ontblote buik en de benen gespreid op de behandeltafel ligt. Ze heeft een gelukzalige glimlach om haar mond. Ik ben oprecht blij voor haar. En toch ook wel een beetje voor mijzelf. We hebben het samen toch maar mooi geflikt, deze slappe zak en zij, na anderhalf jaar van stug resultaatvrijen.

Bijna 38 is T. wanneer ze om zich heen plots allemaal van geluk stralende vriendinnen ziet met leuke blije baby’s. Dat wil zij ook! Maar ik niet. Ik heb al twee kinderen en ik ben blij dat ze eindelijk volwassen zijn.

‘Als ik dat arme kind straks naar school breng, denkt iedereen dat ik de opa ben’, protesteer ik. Wanneer er rond de eisprong gevreeën moet worden, pleeg ik lijdzaam verzet; heb ik werkstress of ben ik, ‘sorry schat’, totaal gesloopt.

T. zet de zaken op scherp en vraagt of ik wil dat we uit elkaar gaan? Zij wil nu eenmaal dat kind. ‘Chantage’, roept een vriend in het café. Ik weet het even niet meer. Totdat nota bene mijn eigen kinderen zeggen dat ik dit niet kan maken: ‘Je moest zonodig een veel jongere vriendin, dan had je kunnen bedenken wat daar de consequenties van waren, pap. Nu kun je niet weglopen en T. het kind ontzeggen waar ze recht op heeft.’

Huh? Waarom kiezen mijn kinderen niet mijn kant? Zij zitten toch niet te wachten op een halfbroer of halfzus? Maar ik ben ook geroerd: hun stellingname betekent wel dat ze T. eindelijk helemaal geaccepteerd hebben, na een aantal moeizame kennismakingsjaren met hun nieuwe stiefmoeder.

Ik ga overstag, maar na een jaar van seks met het pistool op de borst, is het nog steeds niet gelukt. Ik weet het nu zeker: het moet gewoon niet zo zijn. Voor mij geen tweede leg, geen herfstvaderschap.

Hoopvol begin ik tegen T. over alle leuke dingen die we nu kunnen blijven doen. Verre reizen maken naar exotische oorden, naar de bioscoop als we daar zin in hebben en uitslapen op zondagochtend. Maar T.’s moedergevoelens laten zich door mijn flemen niet van de wijs brengen. Ze roept: ‘Op naar de fertiliteitsafdeling van het OLVG.’

We worden opgenomen in een drie maanden durend traject waarin we een aantal genante tests moeten doen.

Eindelijk een goed excuus om naar YouPorn te kijken, dat dan weer wel, al moet het met een geprepareerd potje van het OLVG binnen handbereik. En op het ultieme moment goed mikken, want er mag niets gemorst worden, zo staat er in de bijsluiter. Dan hup op de fiets, als een gek naar het ziekenhuis – potje met warm zaad in de binnenzak – en zorgen dat je binnen een uur aan de balie van het fertiliteitslaboratorium staat.

Een baliemedewerker neemt het doorzichtige potje in ontvangst. Doorzichtig, inderdaad. Toch even de angst voor de minzame blik of bijdehante opmerking van de medewerker: ‘U had er niet zo’n zin in vanmorgen, meneer Van Splunteren?’

Aan mijn sperma lijkt het niet te liggen. Tot de eerste ‘samenlevingstest’.

Bij de samenlevingstest meld je je als koppel binnen 24 uur na het vrijen in het ziekenhuis. De arts neemt een monster uit de baarmoederwand en bekijkt dit onder een microscoop om te zien of de zaadjes wel vrijelijk kunnen zwemmen, zonder aangevallen te worden door gevaarlijke baarmoederzuren. Bij de eerste test ben ik wegens werkzaamheden niet aanwezig. Godzijdank. Zo blijft mij deze schande bespaard: de vrouwelijke arts ziet van alles, maar geen zaadjes van Bram, niet levend, maar ook niet dood. Ze vraagt T.: ‘Hebben wij wel seks gehad, mevrouw?’

De samenlevingstest moet over. Deze keer ga ik voor de uitslag wel mee, ook om mijn lief te ondersteunen. En dan opeens: yes! Door de lens van de microscoop zijn ze nu wel te zien, de zaadjes van Bram. Ze ogen gezond en spartelen en zwemmen er vrolijk op los. ‘Misschien een oude lul, maar wel eentje met superzaad’, wil ik zeggen, maar ik hou me in.

Bij een van de laatste tests lijkt het dat een van T’s eileiders verstopt is. Zeker is dat niet, want de test moet halverwege gestaakt worden omdat-ie te pijnlijk is voor T.

Na drie maanden zet de arts de zaken op een rijtje: T. is al 39, we hebben het anderhalf jaar geprobeerd zonder resultaat en mogelijk is een van de eileiders verstopt. De kansen dat we nog op de conventionele manier zwanger worden zijn klein, luidt de sombere conclusie.

Alleen reageerbuisbevruchting (ivf) zou nog uitkomst kunnen bieden. Het slagingspercentage van ivf: 20 procent. Maar T. kan niet meer. Wil niet meer. Voor haar geen intensief programma van nog eens zes maanden, met meer tests en nu ook hormooninjecties.

Teleurgesteld verlaten we het ziekenhuis. Al het gedoe heeft ons op de een of andere manier wel nader tot elkaar gebracht. We zijn een hecht team geworden, maar wel een dat zijn missie niet heeft volbracht. We beleven ons all is lost-moment. Elke Hollywoodfilm heeft er een, op ongeveer driekwart van de film. Er is geen uitweg meer en de held lijkt de strijd verloren te hebben. Maar T. wil niet opgeven, raapt zichzelf bij elkaar en zegt: ‘Dan maar weer op de ouderwetse manier.’ Ik sputter tegen – het is een soort reflex geworden. Maar ik weet ook dat ik het haar nu meer dan ooit gun. Ze wil het zo graag en heeft zo haar best gedaan. De schat.

Ik besluit er nog een keer vol voor te gaan, en T’s zorgvuldig uitgedokterde schema van drie keer vrijen rond de eisprong, met steeds een tussenpoos van een dag, braaf te volgen.

Binnen een maand is ze zwanger. Vanuit verloren positie teruggevochten, en gewonnen! Net als in de film.

We gaan nu een heel nieuwe fase van onze relatie in. Zij kijkt op de computer uren achtereen naar YouTube-filmpjes met schaterlachende baby’s – ik wist niet dat daar ook al competities voor waren – of ligt uitgeteld op de bank omdat ze bekaf of misselijk is. Meestal dat laatste. Wanneer ik een keer liefdevol mijn hand in haar nek leg en langzaam mijn lippen naar de hare breng duwt ze me ruw opzij: ‘Ga weg, ik moet kotsen!’

Ik op mijn beurt word regelmatig badend in het zweet wakker. In mijn koortsdromen zie ik T’s biologische klok veranderen in een snel tikkende tijdbom die straks met een geweldige knal een einde aan mijn leuke leventje gaat maken. Ik spreek met broers en vrienden die begripvol vragen waaraan ik in godsnaam begonnen ben. En op straat kijk ik naar mijn voorland: braaf achter kinderwagens aan sjokkende vaders.

Ik doe ontzettend m’n best om ze als een rolmodel te zien, die leuke vaders in hun nonchalante jasjes en trendy spijkerbroeken. Maar het lukt me niet. Ze hebben toch iets sukkeligs. Ze zijn erin geluisd, en het is hun eigen schuld.

Het zijn vast allemaal ontzettend zorgzame vaders met een fijne baan, een stoere hobby en een lekkere auto. Maar ze halen het niet bij mijn enige echte rolmodel, Charlie Kaufman. Charlie schreef in vijf jaar tijd vijf speelfilmscripts, en won een Oscar (voor Eternal Sunshine of the Spotless Mind) en twee Oscarnominaties (voor Being John Malkovich en Adaptation). Scripts die tegen alle bestaande scenarioconventies in gingen. In het voorwoord van de boekuitgave van het scenario van Being John Malkovich schrijft Charlie: ‘Ik heb privéproblemen. Misschien heb ik te veel gedronken de laatste tijd. Ik heb een tijdje in een auto geleefd die op de oprit van het huis van een vriend stond. Ik had een hotel kunnen nemen maar ik had behoefte aan iets vertrouwds. Anders was ik gek geworden. Mijn auto heeft iets vertrouwds, al vijf maanden liggen er dezelfde kartonnen verpakkingen van afhaaleten in. Hoe gaat het, McDonald’s? Goedemorgen, Starbucksbekers!”

Waarom de geniale maar eenzame en onzekere Charlie Kaufman mijn held is, en die vaders met hun kinderwagens die hun leven helemaal op orde lijken te hebben dat niet zijn? Ik zou het niet weten. Ik leef niet eens zoals Charlie. En Charlie heeft waarschijnlijk geen leuke vriendin zoals ik, met wie hij ’s avonds na het werk gezellig bij kaarslicht kan eten of met wie hij knus samen op de bank tv kan kijken.

Dat geeft hem daarentegen wel weer de gelegenheid om als een bezetene aan die scripts te werken. Ik vermoed dat ik daarop nog het meest jaloers ben. De rest – de gekte, de auto vol troep, het zwerversbestaan – is valse romantiek, dat weet ik ook wel. Met je vriendin achter een mooie kinderwagen lopen is vast leuker.

Op internet lees ik dat babystress bij mannen tot een soort prenatale depressie kan leiden. Volgens relatiedeskundige Fiona Brouwer vormen juist mannen die nog in de ‘zoon- of jongemanfase’ zitten een risicogroep. Mannen die niet volwassen willen worden dus, zoals ik. Die stiekem dromen van een woest rock-’n-roll-leven, maar niet het lef hebben daar ook werkelijk voor te gaan.

Een van mijn favoriete uitspraken komt van John Lennon: ‘Het leven is wat je overkomt terwijl je andere plannen aan het maken was.’ Maar gebruik ik Lennons adagium soms ook niet als een excuus om niet zelf de regie van mijn leven in handen te hoeven nemen, en veel zaken maar op hun beloop te laten?

Mijn prenatale-dipgedachten komen op een slecht moment, want er moeten belangrijke beslissingen genomen worden. Hoe gaan we bevallen, in het ziekenhuis of thuis? In het water of in bed? Melden we het kind aan voor een crèche of gaan we voor gastouderschap? En de moeilijkste beslissing: laat T. zich testen om te kijken of het kindje het syndroom van Down heeft? En zo ja, wat doen we dan?

Speciaal voor mij heeft T. al mijn mantra’s met geeltjes op onze computer geplakt. De beste vind ik: ‘Alles komt goed. Alles is al goed.’ Wanneer ik dat lees, denk ik: dat is mooi, op een dag ga ik mij dat ook eigen maken. En dan word ik heel gelukkig.

Lieve Charlie (of als je een meisje bent: Charlee),

Als je dit leest ben je hopelijk oud en wijs genoeg om te begrijpen dat al mijn angsten, twijfels en zurigheden van indertijd niet voor jou bestemd waren. Integendeel, ik zal er alles aan doen om voor jou de liefste papa van de hele wereld te zijn. Ook wil ik dat je weet dat ik schijt heb aan de mensen die denken dat ik je opa ben. Ik hoop dat jij dat ook hebt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden