Tolerantie en ongemak

Zo helder als tolerantie als beginsel is, zo duister is het in de praktijk. Waar liggen de grenzen? We weten het niet, en moeilijke vragen laten we maar aan de direct betrokkenen over....

DE BEWONERS van een ruim aangelegd villapark in het midden des lands werden deze zomer collectief voor een moreel dilemma geplaatst. Door een dakloze nota bene. Zo iemand die in duistere tijden zwerver of - nog erger - landloper werd genoemd. In juni installeerde hij zich in het park dat als gemeenschappelijke voortuin dient. Hij had wat plastic tassen bij zich en een matrasje waarop hij het zich onder een kolossale naaldboom gemakkelijk maakte.

Hij nam af en toe een alcoholische versnapering tot zich, produceerde wel eens een boer, en sprak passanten aan, maar niemand nam aanstoot aan hem. Integendeel. Zijn aanwezigheid gaf het park wel iets cosmopolitisch. Iets Amsterdams. Een enkele omwonende dichtte hem zelfs wijsheid toe. En voor een ander fungeerde hij als contrapunt van zijn eigen jachtige leven.

Maar de algehele verdraagzaamheid werd op de proef gesteld toen de man zijn territorium ging uitbreiden met de kennelijke bedoeling er te blijven. Hij sleepte meubels naar zijn verblijfplaats, ontving er gasten, braadde worstjes, en zette het terrein dat hij als het zijne beschouwde af met paaltjes en planken. Hij deed er zijn behoeften, zodat de gebruikers van het naburige speeltuintje op gezette tijden tegen een geopende bilspleet aankeken. Zij vonden het wel spannend, maar van hun ouders maakte zich een zeker onbehagen meester. Hun betere ik gaf hun in dat zij geen exclusieve aanspraak op de openbare ruimte konden maken. Maar hetzelfde gold natuurlijk voor de parkbewoner.

Over het verloop van de demarcatielijn tussen hun belangen en die van de dakloze werden zij het niet eens. Men leek zich al te schamen voor de vaststelling dat de aanwezigheid - hoe nadrukkelijk ook - van een minder bedeelde voor de overwegend progressieve bewoners van een welvarende wijk een bron van overlast was gaan vormen. En de suggestie dat de politie maar eens op het geval moest worden geattendeerd, durfde niemand voor zijn rekening te nemen. De beleden tolerantie bleek geen betrouwbaar richtsnoer voor het eigen handelen.

Uiteindelijk bood het sacrale belang van het kind uitkomst. Nadat een peuter thuis opgewekt verslag had gedaan van de aanblik die de dakloze bij het poepen had geboden, zette zijn vader de persoonlijke twijfels opzij, en vroeg hij de politie - zich omstandig verontschuldigend voor zoveel hardvochtigheid - de man te verwijderen. Hetgeen uiteindelijk, bij de nadering van het najaar, geschiedde.

Tolerantie: zo dichtbij, en toch zo ver weg. Zo helder als beginsel, zo duister in de praktijk. Het probleem met tolerantie is dat er geen gouden standaard voor is. Elke cultuur en elk tijdsgewricht geeft er zijn eigen betekenis aan. Zoals de socioloog Michael Walzer betoogde in zijn opstel On Toleration, gaat van verdraagzaamheid soms - zoals in Frankrijk - een zekere assimilatiedwang uit, terwijl ze elders - zoals in de Verenigde Staten - identiek is met multiculturalisme (waarbij geen van de samenstellende delen van de samenleving dominant is). Soms houdt tolerantie in dat de ene maatschappelijke groep door de andere wordt gedoogd, soms vormt het de opmaat van de bereidheid samen te werken. Soms is tolerantie een moedige daad, soms een uiting van onverschilligheid.

Tolerantie is in elk geval niet iets persoonlijks, verklaarde John Locke. Tolerantie is een management tool voor de maatschappelijke elite. Een manier om, in de woorden van de politicoloog prof. mr. H. van Gunsteren, de maatschappelijke verschillen te organiseren. Het is geen individuele deugd of een gewetensfunctie, maar maakt deel uit van het instrumentarium waarmee de samenleving haar eigen chaos beteugelt. En dat impliceert een opportunistische, weinig beginselvaste omgang met het gewijde begrip tolerantie.

De bewoners van de Lage Landen hebben nooit uit innerlijke overtuiging tolerantie als grondslag van hun samenleving gekozen. Zij zijn tot die keuze gedwongen door de omstandigheid dat geen van de gewesten of belangengroepen de absolute suprematie verwierf. Voorzover men zich überhaupt van die constellatie bewust was, was vrijwel niemand er blij mee. Ze ontnam de Republiek haar slagkracht, en werd - zoals de gebroeders De Witt hebben ondervonden - na elke verloren oorlog ter discussie gesteld.

Pas in een recent verleden zijn historici, sociologen en aanverwante deskundigen zich in de checks and balances van de Republiek gaan verdiepen, en werd de tolerantie als dragend beginsel herontdekt en uitvergroot. Tolerantie en nationale grootheid werden als uitwisselbare begrippen beschouwd. En als aanzet van de verzuiling - de ultieme vorm van vreedzame coëxistentie.

Inmiddels is de verzuiling ten prooi gevallen aan de jaren zestig, en is nationale grootheid tot besmet jargon verklaard. Maar de tolerantie is gebleven - explicieter dan ooit, en als een soort substituut voor God, Nederland en Oranje. We ontlenen er onze gezamenlijke identiteit aan.

Een van de kenmerken van de collectieve eredienst voor tolerantie is een nogal moralistische en onbarmhartige omgang met de nationale geschiedenis (die wordt gereduceerd tot een soort zoektocht naar tolerantie). Op de mythe van de verdraagzame Republiek is met vereende krachten ingehakt. Onze rol in de slavenhandel wordt graag in herinnering geroepen. Evenals het cultuurstelsel in Nederlands Indië, het treurige lot van de Chinese immigranten aan het begin van deze eeuw, de weigerachtigheid joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland op te nemen, en - last but not least - de animo van Nederlanders om aan de zijde van Hitler aan het Oostfront te vechten.

De zogenoemde grijstinten waarmee de geschiedenis van de Duitse bezetting wordt beschreven, dienen meer ter relativering van onze dapperheid dan ter relativering van onze slechtheid. Dat het heldenvolk van koningin Wilhelmina nooit heeft bestaan, is genoegzaam bekend. Maar schakeringen in collaboratie krijgt men nog altijd moeilijk over het voetlicht. Fascisme, racisme en nationaal-socialisme worden achteloos met elkaar vereenzelvigd - zoals het NSB-lid van 1935 als potentiële Oostfrontstrijder geldt.

Onze tolerantie strekt zich niet uit tot het eigen verleden en degenen die erin figureren. Die worden met terugwerkende kracht als homo-, vreemdelingen- en vrouwenhaters neergezet. Volgens de Franse filosoof Alain Finkielkraut worden de representanten van het verleden op die manier dood verklaard. En met doden valt niet te praten. Net zomin als met de levenden die ervan worden beticht zich op het gedachtegoed van de doden te beroepen. Wie opponeert tegen het homohuwelijk diskwalificeert zich als gesprekspartner van de toleranten. Wie pleit voor eerherstel van het vermaledijde verschijnsel 'sociale controle' wordt beticht van heimwee naar de kleffe, paternalistische jaren vijftig. En wie kan dát nou willen? Met de xenofobe inwoners van Kollum en omstreken hoef je niet in discussie te gaan, want zij komen uit het dodenrijk van Hitler en zijn kornuiten.

Maar net als de gewetensbezwaarde villabewoners die in hun maag zitten met een zwerver, ontkomt het weldenkende deel der natie er niet aan de grenzen van zijn tolerantie te markeren. Behoren graffiti nu tot de charmes van de grote stad, of mag je ze als plaag aanmerken? Is de junk in mijn portiek inderdaad een slachtoffer, of is mijn ergernis over zijn aanwezigheid legitiem? Is het onze ereplicht ontheemden op te nemen, of is de limiet in zicht? Waren die Gay Games nou eigenlijk leuk, of waren ze een te nadrukkelijke manifestatie van gay pride?

We weten het niet. Ook niet nadat we het geweten hebben laten spreken. Want dat geweten zwijgt, of zegt iets dat we niet willen horen. We durven er in elk geval niet op af te gaan. Vandaar dat de heikele vragen over de grenzen van de tolerantie bij voorkeur worden overgelaten aan de direct betrokkenen. Kanttekeningen bij het hedonistische karakter van de Gay Games worden getolereerd, zolang ze niet afkomstig zijn van een verklaarde hetero als Gerry van der List. En het pleidooi voor een inburgeringsplicht voor buitenlanders wordt pas geloofwaardig geacht als het wordt uitgesproken door iemand als David Pinto.

Tolerantie biedt niet het houvast dat men ervan verwacht. Voor je het weet, verkeert ze in haar tegendeel, of dekt ze onverschilligheid af. Maar gelukkig zijn er nog situaties waarin we ons luidruchtig en zonder een zweem van twijfel op onze tolerantie kunnen beroepen. Wanneer er een half miljoen Ik Ben Woedend-kaarten naar de Duitse bondskanselarij verstuurd moeten worden. Of wanneer we de familie Gümüs mogen knuffelen, of van onze verontwaardiging mogen blijk geven over domme Kolumers. Daar kan men zich zo weldadig tolerant bij voelen. En het verplicht tot niets.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden