Toen God nog heel gewoon was

DE GEDACHTE om God en geloven als thema te verheffen voor boekpromotie zou in de Middeleeuwen als absurd worden ervaren of zelfs als blasfemisch....

Ongelovigen ontkenden zeker niet Zijn bestaan, maar wel dat van Zijn Zoon die Hij naar de aarde zou hebben gestuurd om ons te verlossen. Op grond daarvan werden joden en moslims verderfelijke heidenen genoemd, zonder dat iemand eraan twijfelde dat zij wel degelijk een God kenden. Daarom sprak God als schepper en straffer volstrekt vanzelf in de Middeleeuwen, zo ongeveer als het weer nu of het milieu.

Een atheïst ligt in die tijd op het niveau van iemand die beweert dat de zon niet bestaat en water een verzinsel is. Een enkele keer meent men zo'n monster te kunnen aanwijzen. Dat moet dan wel een topcreatie van de duivel zijn - niet de duivel zelf natuurlijk, want die geloofde wel degelijk in God en de Drieëenheid. Deze houding is nog ver in de twintigste eeuw terug te vinden bij christenen, die elkaar weliswaar naar hartelust verketteren maar pas echt bang worden bij de confrontatie met iemand die 'niets' is, niet eens 'humanist'.

Zulk omvattend geloof betekende allerminst dat men niet voortdurend met elkaar in strijd verkeerde over moeilijk te volgen en ook vol te houden voorschriften, vage beloften, afkoopmogelijkheden, al dan niet gerechtvaardigde heilsverwachtingen en kansen op genade. Wat is de bedoeling? Hoe kunnen we veilig aankomen in het hiernamaals? Op welke manier moeten we de duivel weerstaan?

Zulke vragen hebben ook aanleiding gegeven tot de meest fijnzinnige literatuur, die troost wilde vinden en schenken voor alle aardse ellende waartoe de gebrekkig geworden mens zichzelf had veroordeeld. En die verklonkenheid tussen literatuur en religieus gevoel heeft onverminderd tot in onze tijd voortgeduurd. Nog Achterberg en Reve worden zeer onbegrijpelijk wanneer hun lezers de basiskennis die aan dergelijke gevoelens ten grondslag ligt, moeten missen.

Nu het probleem. Dat is pijlsnel naar een nauwelijks te overschatten omvang gegroeid. De snelle ontkerstening van de westerse wereld - en Nederland in het bijzonder? - verdrijft deze fundamentele cultuuruitingen even snel uit de gezichtskring van nieuwe generaties. Want helaas wenst dit vrijgevochten land zich vooralsnog niet te realiseren dat niet (meer) geloven zeker niet hoeft te betekenen dat men tegelijk afscheid neemt van het hele culturele verleden.

We hebben toch scholen en universiteiten? Daar horen jongeren adequaat uitgerust te worden om literatuur, beeldende kunst en muziek te kunnen doorgronden en navoelen. Wat tot voor kort vanzelf sprak (Jezus is niet de broer van Christus), moet nu worden aangebracht. Wie zijn verleden negeert of bestempelt als een rariteitenkabinet vol zogenaamde gelovigen, kan de toekomst verder ook wel vergeten.

Door deze vrij plotselinge informatiekloof is bijvoorbeeld al het nieuwe en enthousiaste rond de Middelnederlandse letterkunde voorbestemd om een snelle dood te sterven. Want het is duidelijk dat de aandacht voor onze vroegste literatuur warme belangstelling ondervindt. Veel meer is echter niet te verwachten, nu zelfs de simpelste kennismaking met dit nationale erfgoed wordt verhinderd door te verzwijgen uit welke bouwmaterialen zulke teksten zijn geboetseerd. De scholier mag er nu zelf wat mee knutselen in het 'studiehuis', terwijl juist hier zoveel instructie en hulp van daartoe bevoegde docenten nodig zijn.

Cultuur op school lijkt altijd te verleiden tot behaaglijke gemakzucht, niet van het onderwijzend personeel, maar van de lesplannenmakers en eindtermenbedenkers. Dat het hierbij gaat om de kennisneming van fundamentele aanmaakplaatsen voor collectieve en individuele mentaliteiten die ons doen en denken bepalen bij de inrichting van de samenleving, is een overweging die geen enkele richtlijn vermag te halen. Waarom wordt het wiskunde-onderwijs dan eigenlijk niet overgelaten aan de zelfwerkzaamheid van de leerling? Is een beetje creatief stoeien met cijfers soms niet voldoende en het overschrijven van een uittrekselboek wel?

Maerlants wereld van Frits van Oostrom is het vlaggenschip van die uitbundige medioneerlandistiek. Het succes daarvan houdt tevens een erkenning in van al het detaillistische stuntwerk, dat zulke ingrijpende studies mogelijk maakt. Tegelijkertijd geeft zo'n werk nieuwe richtingen aan voor verder onderzoek; het nodigt uit tot nadere toetsingen, preciseringen, debat en tegenspraak.

Blijken van dit alles zijn te vinden in een speciaal themanummer van Oueeste, tijdschrift over middeleeuwse letterkunde. Het is gewijd aan Jacob van Maerlant, maar nu op het niveau van even onvermoeibare als inventieve speurtochten om aan de hand van het kleinste spoor toch vooruitgang te boeken bij het zoeken naar antwoorden op al die vragen die Maerlants leven en werk nu veel meer dan ooit oproepen.

Een aardig voorbeeld van zulke noeste arbeid geeft de bijdrage van de Brusselse medioneerlandicus Jozef Janssens. Door zorgvuldige vergelijking van Maerlants werk met de door Maerlant gebruikte bronnen is hem onder meer gebleken dat Maerlant een eigen invulling geeft aan het aantal manschappen waaruit een Romeins legioen zou bestaan, namelijk 6.666. De bronnen die Maerlant zelf noemt, geven geen getal. Janssens betoogt nu dat Maerlant dit getal niet zomaar uit allerlei symbolische overwegingen verzonnen heeft, maar dat hij het moet hebben ontleend aan de beroemde kroniek van Geoffrey van Monmouth over de Britse koningen, geschreven omstreeks 1136.

Dit betekent dat Maerlant deze belangrijke bron over onder meer koning Arthur en zijn Tafelronde veel eerder kende dan men tot nu toe aannam. Ook dat lijkt een futiele conclusie. Maar plaatst men deze in de context van Maerlants vurige strijd om leken te voorzien van de meest actuele inzichten omtrent historische waarheid, dan blijkt dat hij deze strijd veel eerder begonnen moet zijn dan uit zijn bewaarde werken volgt.

Ook los van zulke eminente studies maakt de vakbeoefening grote stappen voorwaarts, die te zijner tijd eveneens in aantrekkelijke vormen (een nieuwe literatuurgeschiedenis van de Middeleeuwen?) een breder publiek zullen bereiken. Van zo'n vooruitgang is ongetwijfeld sprake bij de veelbelovende start van het voornemen eerder verzamelingen van Middelnederlandse teksten uit te geven en te bestuderen dan afzonderlijke teksten.

Dat klinkt vreemd, maar ook op dit punt verschilt de Middelnederlandse letterkunde aanzienlijk van die uit de tijd daarna. Teksten zijn nog veel minder geïndividualiseerd en doen zich doorgaans aan ons voor in verzamelhandschriften. Eerst de drukkunst heeft bevorderd dat een literaire tekst aangeboden werd als een afzonderlijke eenheid met een eigen titel. En die ontwikkeling aan het eind van de Middeleeuwen heeft alles te maken met de nieuwe mogelijkheden om literaire teksten in een oplage te produceren voor een vrije markt.

De romantiek heeft daar nog een schepje bovenop gedaan, zodat wij nu bevangen zijn door een visie op literatuur die elke tekst bestempelt als een autonome eenheid: het literaire kunstwerk. En zulke afzonderlijke teksten hebben we ook in dat middeleeuwse verleden opgezocht. Maar daar blijken ze voornamelijk in het gezelschap van (vele) andere voor te komen, vaak zonder titel .

De Beatrijs heet niet de Beatrijs, want dat staat er niet boven in het enig bewaarde handschrift. De naam van deze uit liefde afvallig geworden non die op grond van haar vaste geloof in Maria toch gesauveerd wordt, komt zelfs niet voor in de proloog, maar valt pas - één keer - aan het eind van de rijmtekst.

Deze ongelukkige uitgangspositie wordt nu grootscheeps geredresseerd door niet alleen deze problematiek te erkennen, maar tegelijkertijd daadwerkelijk een begin te maken met de integrale publicatie van zulke verzamelhandschriften als werkinstrument. Twee delen zijn al verschenen in een daartoe opgezette serie bij uitgever Verloren; menig ander deel is reeds zo goed als voltooid. De congresbundel hierover belicht alle principiële en praktische punten bij de verdere uitvoering van dit plan, waarvan de Nijmeegse neerlandicus Gerard Sonnemans de voortrekker is.

In al die Middelnederlandse teksten is God aanwezig, ook in de naar onze smaak meest wereldse. Gaat men daaraan ongewild voorbij, dan blijft er weinig meer over dan wezensvreemd gebabbel over loze opwindingen. Slechts restauratie van elementaire kennis rond God en geloven kan het culturele verleden redden. En daarvoor hoeft men pertinent niet zelf gelovig te zijn.

Maerlant-nummer van Queeste.

Verloren; 140 pagina's; ¿ 35,-.

Gerard Sonnemans (redactie): Middeleeuwse verzamelhandschriften uit de Nederlanden.

Verloren; 160 pagina's; ¿ 35,-.

ISBN 90 6550 285 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden