'Toch ook veel goeds gedaan!'

De Fraters van Tilburg spelen een hoofdrol in de misbruikaffaire. Wim Verschuren gaf en Broer Huitema geeft leiding aan de congregatie....

‘We zijn erg aangeslagen’, zegt Broer Huitema (60), algemeen overste van de Fraters van Tilburg. ‘De verhalen die je hoort en leest zijn weerzinwekkend. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Onze congregatie is erop gericht kinderen in een achterstandssituatie een goede opvoeding te geven. Nu blijkt opeens dat medebroeders juist van die kwetsbare en weerloze kinderen misbruik hebben gemaakt.’

Wim Verschuren (76), algemeen overste van 1978 tot 1990: ‘Je wordt er down van. Het is alsof al het goede wordt weggevaagd. We zijn lekenbroeders die midden in de samenleving willen staan. We worden in ons hart geraakt. Dat is heel pijnlijk.’

In alle verhalen over seksueel misbruik door priesters en religieuzen die in Nederland zijn losgekomen, spelen de Fraters van Tilburg een dubieuze hoofdrol. Zij zijn tot dusver het meest genoemd door slachtoffers die vooral in de jaren vijftig en zestig zouden zijn misbruikt door de lekenbroeders. Bij NRC Handelsblad en Wereldomroep zijn meldingen binnengekomen over minstens 44 fraters. Ook bij de Volkskrant en andere media hebben zich slachtoffers van de congregatie gemeld.

De fraters bestierden vijftig jaar geleden veel katholieke lagere scholen, vooral in Zuid-Nederland, maar ook in andere provincies. Zo telde thuisstad Tilburg destijds liefst 29 fraterscholen. Daarnaast was de congregatie ook verbonden aan internaten voor kwetsbare kinderen, waaronder het blindeninstituut Sint Henricus in Grave, het internaat voor zwakbegaafde kinderen De La Salle in Boxtel en Huize Nazareth in Tilburg, waar ook moeilijk opvoedbare kinderen door de Kinderbescherming werden geplaatst. Uitgerekend over deze drie instituten zijn veel meldingen van kindermisbruik binnengekomen.

Wim Verschuren heeft van 1955 tot 1959 op het blindeninstituut in Grave gewerkt, als docent en surveillant. Daarna was hij nog tien jaar voorzitter van het instituut.

Heeft u toen niets gemerkt van het misbruik?

Verschuren: ‘Ik kan volmondig nee zeggen. Maar misschien heb ik er geen oog voor gehad. Tussen 1955 en 1960 waren er grote veranderingen in het beleid van het instituut en kwam de subsidiëring van groepsleiders traag op gang. De groepen werden steeds groter. Eén frater stond voor een groep van vijftig kinderen. Dat was pedagogisch niet verantwoord, dat zag ik toen al. Pas later kwamen er maatschappelijk werkers bij.

‘Je had een groep slechtzienden en een groep blinden. Veertig tot vijftig kinderen en maar één surveillant. Ik was 23 toen ik er kwam, het was keihard werken. Ik stond voor de klas, maar had ook slaapwacht en surveillance in het weekeinde. Alles stond op springen. Ik heb geen seksueel misbruik gezien, maar wel dat er hardhandig met kinderen werd omgegaan.

‘Je zag dat de mensen het niet aan konden. Er was ook nog geen opleiding voor groepsleider. In die hectische tijd hebben we mensen benoemd van wie we achteraf zeggen dat die niet benoemd hadden mogen worden. Het was vanwege gebrek aan personeel. Afgezien van natuurtalenten die er zeker ook tussen zaten, zijn er fraters als surveillant aangesteld die niet bekwaam waren. Dan kun je aberraties krijgen. Die mensen waren dag en nacht met die kinderen.

‘Achteraf denk ik dat gebrek aan vorming, opleiding en de omstandigheden hebben bijgedragen aan het seksueel misbruik. De surveillanten hadden zelfs geen onderwijsopleiding. Ze hadden geleerd voor kok, bakker of drukker en werden zomaar groepsleider. Over hen horen we de meeste klachten.

‘Het oude blindeninstituut was een onvoorstelbaar slecht gebouw. Volwassen blinden gingen werken of naar huis. Maar de kinderen zaten er constant. We woonden in het instituut. Je had een cel met een strozak. Dat was alles. Eigenlijk woonde ik in de klas waar ik les gaf.’

Huitema: ‘Wat er is gebeurd, is verschrikkelijk. Maar je kunt niet alles op de daders afschuiven. Het was ook de verantwoordelijkheid van het bestuur. De condities waren verre van optimaal. De financiële middelen waren beperkt. Fraters stonden alleen voor grote groepen. Er was geen begeleiding en nauwelijks controle.’

Eind 1960 telde de congregatie in Nederland 763 fraters, van wie er bijna 500 actief waren in het onderwijs. Stel dat de meldingen tegen bijna vijftig fraters allemaal op waarheid berusten, dan zou dat betekenen dat 10 procent zich heeft schuldig gemaakt aan misbruik. Schrikt u daar niet van?

Huitema: ‘Ik wil oppassen met percentages. Het gaat over een periode van 25-30 jaar. Maar ik schrik wel van het grote aantal. Ik ken overigens de meeste namen niet en ik weet niet in welke mate misbruik is gepleegd en hoe vaak. Slechts van een aantal weet ik nu wel de namen. Op een enkele na zijn ze allemaal overleden.

‘Ik zit nog vol vragen, waarom het op die schaal op de instituten is gebeurd. Er zijn ook meldingen van mishandeling.’

‘Ik heb de laatste weken met veel medebroeders gesproken: heb je er iets van gemerkt. Het algemeen beeld is: het is niet geweten. Zeker niet op die schaal. Soms werden fraters uit hun werk gehaald en overgeplaatst. Men vermoedde dan dat er iets gebeurd was. Maar er werd niet over gesproken. Iedereen is enorm geschrokken: dat hebben we nooit zo opgemerkt.’

Voor de buitenwereld is dat moeilijk te geloven. De publieke opinie zegt: het gebeurde op zo’n grote schaal, ze moeten het geweten hebben.

Huitema: ‘Je leest hier en daar in pers dat het algemeen bekend was. Ik geloof niet dat het zo is. Als de kinderen het wisten, dan betekent dat nog niet dat de confraters het dus ook wisten. Er wordt een verkeerd beeld geschetst alsof de leiding en de fraters het wisten. Het is heel goed mogelijk dat de kinderen meer wisten dan de confraters. Ja, de fysieke straffen – het slaan – dat wisten de mensen vaak wel. Maar het seksueel misbruik, dat gebeurde in het verborgene.’

Verschuren: ‘Ook het misbruik op de scholen, waar meer controle was dan op de internaten, dat hebben we als leiding niet geweten. Op die paar gevallen na dan.’

Huitema: ‘Die instituten waren in die tijd gesloten systemen en juist binnen zo’n gesloten systeem konden dergelijke uitwassen ontstaan en zo lang gehandhaafd blijven.’

Hoeveel gevallen van seksueel misbruik zijn wel geweten en aangepakt door de leiding van de congregatie?

Verschuren: ‘Ik had van 1968 tot 1976 veel te maken met onderwijs, in het blindeninstituut in Oss, met mavo’s en pedagogische academies. In die tijd heb ik er twee keer expliciet mee te maken gehad. Nee, dat heeft niet tot een officiële aanklacht geleid. In die tijd probeerde je dat te regelen. Verkrachting was niet aan de orde. De fraters werden uit school gehaald en kregen een andere taak, zodat ze niet meer met kinderen werkten. Achteraf kun je natuurlijk zeggen dat er toentertijd te gemakkelijk over werd gedacht. Als algemeen overste heb ik ook twee keer seksueel misbruik in het buitenland meegemaakt.’

Huitema: ‘Tot dit jaar heb ik met vier gevallen van seksueel misbruik te maken gehad. In alle vier de zaken waren de fraters overleden – een confrontatie kon niet meer plaatsvinden. De afgelopen weken heb ik met zes slachtoffers gesproken.’

Verschuren: ‘We hadden een mooie uitlaat bij de congregatie: uitgeverij Zwijsen. Daar konden mensen die iets misdaan hadden, in de drukkerij gaan werken. In Indonesië is ook eens een frater uit het onderwijs gehaald en bij de drukkerij gaan werken.’

Vreest u niet een lawine aan schadeclaims?

Huitema: ‘Daar heb ik nog geen aanwijzingen voor, ook niet uit de gesprekken die ik onlangs met slachtoffers heb gehad.’

Hoe is de sfeer binnen de congregatie met al die negatieve publiciteit?

Huitema: ‘Medebroeders voelen zich aangeslagen, verward en beschaamd. Het is hun overkomen en men voelt zich overvallen. Ik word er zelf ook wat mismoedig van, als er telkens maar weer over seksueel misbruik wordt gepubliceerd. Telkens als je de krant opslaat: wanneer is het volgende verhaal?’

Verschuren: ‘Als gemeenschap voel je je beschaamd. We hebben het vertrouwen beschaamd. Ik leef in een communiteit in Vught met vijf fraters van 38 tot 84 jaar. De jongste werkt buitenshuis in een school. Een collega op school maakte laatst een grapje tegen hem over de misbruikaffaire. ‘Ik kan hierover geen grapjes verdragen’, zei hij.

‘Ook binnen de congregatie geeft het vreemde gevoelens. Ik heb jarenlang samengeleefd met een frater die nu opeens wordt beschuldigd van misbruik. Dan ga je toch twijfelen: dat had ik nooit verwacht, is het wel de goede naam? En waarom heb ik dat niet gemerkt? Je probeert toch aanknopingspunten te vinden. Omdat je met hem hebt samengeleefd, raakt het ook je eigen leven.

‘Soms heb je het gevoel dat mensen je erop aankijken en dat alle goede dingen van barmhartigheid die de congregatie heeft gedaan, zijn vergeten.’

Huitema: ‘Die hartenkreet hoor ik van meer medebroeders: ‘We hebben toch ook veel goeds gedaan!’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden