Toch niet te dik van binnen?

Een op de vijf tot tien mensen heeft een normaal postuur, maar lijdt toch aan obesitas. Alleen zit het vet niet van buiten, maar van binnen....

Kijk, zegt Jimmy Bell, daar zit het gevaarlijke vet rond organen als de lever en het begin van de dikke darm. Op de mri-scans is het vet geel ingekleurd. In werkelijkheid is het wit. Voor de goede orde: het zijn beelden van een magere man met een verantwoorde body mass index (BMI), in de buurt van 20. Ogenschijnlijk lijkt er niets aan de hand. Toch, zegt Bell, heeft deze man een verhoogde kans op chronische aandoeningen als diabetes type 2, en in het verlengde daarvan op hart- en vaatziekten. En dat komt door dat dat diep gelegen, onzichtbare orgaanvet van zeker enkele liters.

Jimmy Bell van het Hammer-smith Hospital in Londen, geassocieerd met het universitaire Imperial College daar, was woensdag in Nederland. Hij hield een lezing in Burgers’ Zoo in Arnhem voor een zaal met voedingsexperts. Die vierden daar het 40-jarig bestaan van de afdeling Humane Voeding van Wageningen Universiteit. Deze vakgroep is uitgegroeid tot een belangrijke onderzoeks- en onderwijspijler van de van origine agrarische universiteit, meebewegend op de gezondheidsgolf van de afgelopen jaren.

Bell is de man van de mri-scans. Daar ligt zijn passie, daar is hij bekend mee geworden. Hij legde meer dan achthonderd Britten in zijn mri-scanner, van dik tot erg dik. Van slank tot superslank in de persoon van een fotomodel dat werd ingehuurd bij een modellenbureau. Hij kwam tot de ontdekking dat dun niets zegt en dik ook niet. Het leven steekt ingewikkelder in elkaar.

Biochemicus Bell, hoogleraar moleculaire beeldvorming, verrijkte het voedingskundige vocabulaire met menstypes als tofi (thin outside, fat inside) en foti (fat outside, thin inside). Oftewel: slanke mensen met een ongezond risicoprofiel en dikkerds waar niets mis mee is omdat ze bijna geen vet rond organen hebben verzameld.

Zoals die extreem dikke Japanse suomiworstelaars. Zij hebben een BMI van ver boven de 50, hun vet lubbert aan alle kanten. Toch lopen ze geen verhoogde kans op hart- en vaatziekten, zolang ze maar extreem hard blijven trainen en het vet weghouden van de organen, zegt Bell.

Rariteiten
Het is geen rariteitenkabinet, die tofi’s en foti’s; 10 tot 20 procent van de mensen behoort tot de categorie tofi: het zijn – enigszins overdreven gesteld – lopende tijdbommen die zich van geen kwaad bewust zijn, vanwege die onzichtbare liters orgaanvet, dat voornamelijk genetisch bepaald is. Ook het aandeel foti’s, aan de andere kant van het spectrum, loopt in de procenten. Zij hebben mazzel.

Het meten van lichaamsgewicht en lengte om te komen tot de oeroude BMI-maat verraadt de aanwezigheid van dat gevaarlijk vet niet. Orgaanvet, dat allerlei ontstekingsstoffen produceert, is alleen te zien op een mri-scan. Twintig jaar geleden, zegt Bell, gebruikten Wageningse onderzoekers al zo’n mri-scanner om orgaanvet in beeld te brengen. Toen een tijdrovende en exotische techniek.

Bell heeft berekend hoeveel orgaanvet wél verantwoord is. Uit de groep van achthonderd mensen van wie hij een mri-scan maakte, selecteerde hij de gezonde types. De niet-rokers, de bewegers, de mensen die zich gezond voeden, de mensen met een gezonde bloeddruk, enzovoort. ‘Tot mijn schrik bleven er maar dertig over’, zegt Bell. ‘Zij hebben gemiddeld niet meer dan een halve liter orgaanvet, blijkt uit hun mri-opnames. Zijn dat er meer dan drie, dan ben je fout bezig.’

Mri-opnames zijn omslachtig en duur. De wetenschap is daarom naarstig op zoek naar zogeheten biomarkers, signaalstoffen die worden geproduceerd door orgaanvet. Is er een hoge concentratie in het bloed, dan zou dat kunnen wijzen op veel orgaanvet, is het idee. ‘Meer dan tweehonderd verschillende stoffen, zoals hormonen en cytokines, worden bekeken. Een bruikbare marker, die specifiek waakt over het orgaanvet, is nog niet gevonden’, zegt internist Frank Visseren van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU). ‘Vet is geen slappe massa, het is geen opslagdepot voor een overmaat aan vet, vet dat je maar beter kwijt kunt zijn’, zegt hij. ‘Lichaamsvet is een werkend orgaan dat dag en nacht actief is. Vetcellen rond de organen produceren hormonen en ontstekingsstoffen, zowel remmend als stimulerend. Ze spelen een belangrijke rol in de stofwisseling, in positieve en negatieve zin.’

Niet goed functionerende vetcellen produceren meer hormonen of ontstekingsbevorderende stoffen. Verzadigd vet speelt een belangrijke rol bij de ontregeling daarvan. Het gaat dan om hormonen die de insulinehuishouding sturen, zij maken sluipenderwijs lichaamscellen minder gevoelig voor insuline, waardoor de alvleesklier op zijn beurt overactief wordt in een poging de insulinevraag bij te houden. Uiteindelijk laat die het afweten, waardoor de patiënt gaat lijden aan een chronische aandoening als diabetes type 2.

Ontstekingsstoffen komen in de bloedbaan terecht, ze hechten zich aan de vaatwand, ze zetten het immuunsysteem onnodig aan tot actie. Ze dringen organen en de vaatwand binnen, en zorgen daar voor ontstekingen. Zijn er te veel vetcellen, dan raken vaatwanden en organen chronisch ontstoken. In de vaten kan dit leiden tot aderverkalking. Op den duur ontstaan kalkplaques en vaatvernauwingen. Is de vaatwand ontstoken, dan zullen die makkelijker loslaten, wat tot een hart- of herseninfarct kan leiden.

Ook de lever krijgt het zwaar te verduren als er vervetting optreedt, zegt voeding- en leverexpert Michael Müller van Wageningen Universiteit, refererend aan muizenonderzoek. ‘Muizen die op een verzadigd vetdieet van palmolie worden gezet, krijgen snel obesitas. Er hoopt zich vooral rond de lever vet op. De balans tussen ontstekingsremmende en ontstekingsbevorderende stoffen raakt daar verstoord. Er vormt zich meer bindweefsel, waardoor de capaciteit van de lever achteruitgaat. Uiteindelijk begeeft die het.’

Müller wijst erop dat de menselijke evolutie voor een natuurlijke balans in het lichaam heeft gezorgd. ‘De productie van signaalstoffen en van hormonen is in de loop van duizenden jaren afgestemd op een beperkt calorisch dieet. Overeten en ongezond eten verstoren die balans in de richting van chronisch ontstoken lichaamsweefsel.’

De cijfers over de gevolgen van westerse vervetting liegen er niet om. Uit een eind vorig jaar gepubliceerd Europees onderzoek blijkt dat mensen met een kleine tailleomvang – en met hetzelfde gewicht en dezelfde leeftijd – een kleiner sterfterisico hebben dan dikke mensen. Bij dit onderzoek zijn sterftecijfers vergeleken met BMI- en tailledata. 360 duizend Europeanen tussen 50 en 60 jaar hebben eraan meegedaan, onder wie veertigduizend Nederlanders. Ze zijn gemiddeld tien jaar in de gaten gehouden, waarbij allerlei gezondheidsparameters zijn gemeten.

Schadelijke stoffen
‘Taille blijkt een onafhankelijke maat te zijn voor sterfterisico’, zegt Petra Peeters van het UMCU, de Nederlandse coördinator van de Europese studie. ‘Het gaat dan om sterfte aan kanker, hart- en vaatziekten en longaandoeningen. Dit Europese beeld is vergelijkbaar met het Nederlandse. Het wijst op het basale gezondheidsbelang van buikvet. Daarin zitten schadelijke stoffen die zich verspreiden over het lichaam, waardoor lichaamsprocessen verstoord raken.’

Is er al op vroege leeftijd onbalans ontstaan in vetverdeling, dan werpt dat zijn schaduw ver vooruit en wordt een onomkeerbare situatie gecreëerd, meent Bell, die nog eens wijst op het ernstige risico van te dikke kinderen. In Nederland neemt het aantal zwaarwichtige kinderen onrustbarend toe. Enigszins afhankelijk van de leeftijd heeft 10 tot 20 procent van de kinderen overgewicht, blijkt uit cijfers van het RIVM.

Vrouwen hebben op jonge leeftijd relatief veel vet op de heupen, in feite onschuldig en weinig actief vet. Na de menopauze verschuift de vetverdeling. De wat gunstigere vrouwelijke peervorm verandert in een appelvorm. Vrouwen maken dan een inhaalslag, zegt UMCU-internist Visseren. Zij komen daarmee in de richting van de meer typisch mannelijke lichaamsvorm: een ongezonde dikke buik dus. Ongeveer de helft van de mannen en vrouwen in Nederland heeft in meer of mindere mate overgewicht, met een grote kans op buik- en orgaanvet; 10 tot 20 procent zelfs ernstig.

Over de remedie is internist Visseren duidelijk. ‘Buikoefeningen zijn goed voor de spieren, maar vet verdwijnt er niet mee. Bewegen is goed, maar met een uurtje sportschool in de week krijg je geen kilo’s vet weg. Diëten, ik geloof er niet in. Het is het oude adagium: elk pondje gaat door het mondje. Minder calorieën, er is geen andere weg. Dat kost tijd en discipline: een boterham per dag resulteert na een jaar in een gewichtsverlies van vier kilo.’

Hoe is een foute vetverdeling te veranderen, weg van het orgaanvet? ‘Bewegen, veel bewegen. En vooral het juiste voedsel, dat werkt preventief’, meent Michael Müller van Wageningen Universiteit. ‘Weg van de snelle, geraffineerde suikers, geen witte meelproducten als wit brood en frisdranken meer. Veel ongeraffineerde koolhydraten, daar gaat het om, zodat niet alleen het eerste stuk van de darm wordt benut, maar de hele darm. Vezels uit bruin brood of groentes dus. Daarin zitten langzame koolhydraten die het lichaam in alle rust verwerkt zonder ongezonde pieken. Ook omega 3 -vetzuren uit vis bijvoorbeeld werken ontstekingsremmend, blijkt uit ons onderzoek.’

Dat het werkt, blijkt uit muizenproeven, zegt de Brit Bell. Maar alleen nog maar in muizen. Zijn groep heeft hetzelfde uitgeprobeerd in mensen. Ook zij kregen eenzelfde ongeraffineerd dieet, maar de vetverdeling over het lichaam veranderde er niet door. Bell: ‘Vermoedelijk ligt dat aan de matige discipline van mensen. Ze houden zich niet aan het voorgeschreven dieet, zoals muizen die geen keus hebben.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden