column Thomas van Luyn

Thomas van Luyn heeft een huis vol brandblussers waar hij graag eens mee zou spuiten, maar ja

Er zijn twee soorten mensen: zij die wel eens een brandblusser van de muur hebben gerukt en ermee hebben gespoten, gewoon, voor de lol, zonder dat daar noodzaak toe was, en zij die daar altijd te bescheten voor zijn geweest. Ik behoor helaas tot de tweede groep. Daarom zal ik nooit een alfamannetje zijn. Hoe vaak ik mij ook opdruk en hoe wijdbeens ik ook gitaar speel, ik zal altijd een een tobber blijven die zich hoedt voor ‘De Gevolgen’.

 Al mijn hele leven loop ik langs grote brandbussen en -slangen, uitgevoerd in uitnodigend, sexy rood. Er is nauwelijks beveiliging, alleen maar minuscule drempels die geen vandaal zouden tegenhouden, tenzij hij blind was en smetvrees had. Volgens mij werken die systemen eerder lustopwekkend en aanmoedigend. Er zijn verleidelijke pinnetjes, uitnodigende raampjes en prikkelende deurtjes  de lingerie der brandveiligheid. Eenvoudig los te trekken, als men maar zou durven. Maar in al die jaren dat ik mij door het leven ploeter, heb ik het nog nooit aangedurfd er eentje van de muur te rukken en de boel eens lekker onder te spuiten (ik bedoel echt niet de hele tijd seksuele beeldspraak te gebruiken, maar ik zie dat de tekst er inmiddels stijf van staat. Stijf, zeg ik u).

Nou heb ik heel veel brandblussers tot mijn beschikking. Mijn huis is van hout, met een dun laagje baksteen aan de buitenkant en wat stucwerk van binnen. Als de vlam erin zou slaan, zou het snel gebeurd zijn. Daarom heb ik in een volwassen bui overal brandblussers geplaatst. Daarbij heb ik elk scenario in mijn hoofd afgespeeld: waar de brandhaard ook is ten opzichte van mijn locatie in het huis, ik kan onderweg naar het inferno altijd een brandblusser mee grissen. Hoewel, grissen: die dingen wegen een ton, maar ik ga ervan uit dat de adrenaline ze licht zal maken als een veertje. Overigens bleek mijn fantasie, eenmaal in rampenplan-modus, dezelfde scenario’s toe te kunnen passen op insluipers, met groot succes mag ik zeggen. Waar de seriemoordenaar zich ook bevindt, ik kan hem overal tegemoet treden met een grote rode stormram waarmee ik zijn gezicht direct kapot kan beuken, zoals John McClane zo bevredigend doet met een schurk in Die Hard (in werkelijkheid zal ik mij waarschijnlijk afvragen of zoiets verstandig of legaal is, maar dat is nu juist het probleem waarover ik schrijf).

Genoeg paranoia.

Ik wil alleen maar zeggen: ik heb een ruimte die mijn eigendom is, met daarin brandblussers waarmee ik mag doen wat ik wil. Niets weerhoudt mij ervan eens even flink al mijn blus-erotische fantasieën uit te leven. Er zal geen conciërge komen aanstormen, ik zal niet eindigen op het kantoortje van de rector, geen camera zal mijn wandaad vastleggen. En toch… kijk, die dingen zijn natuurlijk behoorlijk duur. Met name de schuimblussers, die gaan over de honderd euro heen. Nou heb ik ook goedkope poederblussers, maar die zijn kleiner en lijken me minder bevredigend. Bovendien laten die overal een plakkerig laagje poeder achter dat er nooit meer afgaat, vertelde de man van de Gamma mij, waardoor je de hele inboedel kunt weggooien en je huis professioneel moet laten reinigen.

Dat bedoel ik dus: Gevolgen. John McClane dacht er niet aan. Nou, dat zal een rommel zijn geweest bij hem thuis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.