Terug naar de Diamantbuurt

Opgroeien in Amsterdam betekende dat je de stad geleidelijk veroverde. Eerst was er alleen je buurtje: een paar straten tot de kleuterschool, de speeltuin, het plein voor het stadion....

H.J. Schoo

Gaandeweg verschoven je grenzen. Met Lijn 1 naar het zwembadvan de AMVJ. Lopend terug: Vondelpark, Emma- en Valeriusplein,de griezelige poort onder het lyceum, het Van Heutz - dan was jeweer 'thuis'. Of de wandeling in 'omapas' langs de eindelozeKostverlorenkade naar de Krommerd. Je ontdekte de stad te voeten per autoped, met broer of vriendjes. Het 'zandland',Zuidelijke Wandelweg en Boerenwetering, Jaagpad, de sinistereRingdijk waar 'stillen' in leren jassen rondslopen omkinderlokkers en vozende stelletjes te betrappen.

Pas tegen het eind van de lagere school ging je er ook op defiets op uit, waardoor je je steeds meer stad eigen maakte. HetBosplan, Schiphol zelfs, stukjes binnenstad, het verre Nieuw-Westmet de zomerse verlokking van het strandbad aan de Sloterplas,de Volksmuziekschool achter de geschonden Weesperstraat. Klinktidyllisch, niet? Echt jaren vijftig.

Schijn bedriegt. In de kleedkamer van de AMVJ waren jesnoepjes, centjes en blote billen niet veilig. Bij de Sloterplaswerden fietsen gestolen. Verre stadsdelen waren intrigerend alseen ver land, maar je moest wel op je qui vive zijn. Altijdzwierven er opgeschoten jongens rond die zich onverhoeds tegenje konden keren. Ze herkenden een 'indringer' als ze er eenzagen. Een passerende bouwvakker heeft me eens ontzet toen 'ze'me te grazen namen. Hij stapte van z'n fiets, zwaaide met eenbetonschaar, riep tegen m'n belagers 'Maak dat je wegkomt' entilde me op de bagagedrager. Even verderop zette hij me af: 'Naarhuis jij.'

En dan de 'kerstboomoorlogen' tussen kerst en oudjaar. Zelfsin het nette Zuid schooiden bendes dagenlang langs de straten.Vechtend, elkaars bomen inpikkend, alvast wat vuurtjes stokend.Meelopers als ik voerden een armzalige fakkel van krantenpapiermet zich mee, de bendeleiders en hun adjudanten heuse knuppels,boksbeugels, stiletto's en windbuksen.

In Oud-West, waar m'n oma woonde, ging het ruiger toe. Debewapening was zwaarder, het vechten venijniger. De krijgsbuitwerd opgeslagen op het platte dak van een huizenblok. Ondergejoel werden veroverde bomen vier verdiepingen omhoog gehesen.Liet de politie zich zien, dan riep de roedel jongens pesterig:'Juuuut!' Opgetreden werd er nauwelijks, net als met luilak.

Als ik daaraan terugdenk, schaam ik me dood. Rampokkend, alleswat los en vast zat vernielend, trok de lieve jeugd in allevroegte door de straten. Karren werden omver gegooid, fietsenvertrapt, mensen getergd. Met touw bonden we deurknoppen aanelkaar, zodat de bewoners hun huis niet uit konden. Angstigstonden ze achter de ramen te gebaren. Ha, beet: 'Luilak,beddenzak!' Zelfs de straat werd opengebroken en de klinkers opde tramrails gestapeld, zodat Lijn 24 niet kon vertrekken.

Zulke wandaden worden welwillend 'ventielzeden' genoemd.Periodiek geven we ons voor even over aan bandeloosheid. In feitebevestigen we daarmee 'symbolisch' de maatschappelijke orde. Inde kerstvakantie en met luilak was de beurt aan Amsterdamselieverdjes. De kranten berichtten soms over een uit de handgelopen luilakviering. Maar ik kan me niet heugen dat die'bendeoorlogen' indertijd de pers haalden - dat kwam later pas.Zonder veel morren, tolereerde de volwassen wereld de jeugdigebaldadigheid.

Wat zou het verschil toch zijn met het huidige wangedrag vanjonge Marokkaantjes? Ik zou zeggen: etniciteit en zero tolerance.Naoorlogs Amsterdam als geheel was sociaal-cultureel vrijheterogeen. Op buurtniveau en etnisch daarentegen homogeen. Zichmisdragende jongens waren 'onze' jongens, niet die van 'hun'. Ennatuurlijk: boys will be boys. De wanordelijkheden waren ook nietmeer dan een jaarlijks incident. Het werd niet gezien als eenmaatschappelijk conflict, laat staan als voorbode van een botsingvan culturen. Zelfs de generatiekloof moest nog wordenuitgevonden.

Zero tolerance is geen beleid, maar een mentaal feit. Eenballetje trappen, straatslijpen, klieren - het is altijdhinderlijk geweest. Tegenwoordig is het overlast. Onzetolerantiegrenzen zijn verschoven. Barstte de naoorlogse stad noguit z'n voegen van de babyboomertjes, in latere jaren raakte devergrijzende stad hun gedonderjaag en alomtegenwoordigheidontwend. Nu de stad weer vergroent en tegelijkertijd zwart(er)wordt, is de boot aan. Vooral in buurten als de Diamantbuurt,waar vergrijzend 'wit' tegen heug en meug samenhokt metkinderrijk 'zwart'.

Integratie is een mooi ideaal, gedwongen samenleven een lelijkprobleem. Zeker tegenwoordig zijn de verschillen in levensstijlen levensfase domweg te groot voor wrijvingsloze coëxistentie.Het ongemak dat mensen vroeger ervoeren als ze vertrouwd terreinverlieten en de territoriumdrift die hen beving als ze eenbuitenstaander ontwaarden, doen zich nu voor binnen één buurt.Voor zo'n buurt is segregatie eerder de oplossing dan hetprobleem.

Midden jaren zestig heb ik als vakantiekracht van de bakkerijvan de Algemene Arbeiders Coöperatie 'De Dageraad' in deTolstraat brood bezorgd in de Diamantbuurt. Op Reve's'Schilderskade', het Smaragdplein, in Saffierstraat,Diamantstraat, Topaasstraat. De flonkering was er al af. Tussende huizen hing de weemoed van het verlopen socialistische ideaal.Een Esperanto-ster achter het raam, Troelstra's portret in eenhalletje. Veel oude, broze mensen. Een wereld ging verloren - netals nu.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden