Suriname's welvaren

Terwijl de situatie in het moederland almaar hopelozer wordt, gaat het steeds meer Surinamers in Nederland aardig voor de wind....

Er is deze zondag een select gezelschap bijeen in de deftige Pulchri Studio in Den Haag. Aan de bar voert een aantal medisch specialisten en advocaten een geanimeerd gesprek en aan de ronde stamtafel converseren een ingenieur, een wethouder, een juriste, een consultant en een arts op minzame toon. Een oud-ambassadeur loopt handen te schudden en bij de ingang begroet de ene academicus de andere.

Tot zover een normaal beeld voor Pulchri, sinds jaar en dag als kunstenaarssociëteit een bolwerk van het Haagse establishment. Maar terwijl de bezoekers binnendruppelen, stelt de salsa-band zijn instrumenten op, ontsnapt uit de keuken de geur van uitheems voedsel en stromen de deelnemers aan het mahjong-spel uit het naburige zaaltje de studio binnen. Bijna alle aanwezigen hebben een getinte huidskleur en zijn leden van de Surinaamse sociëteit De Waterkant. 'Dat verwachten Nederlanders nooit', zegt de juriste aan tafel. En ze onderstreept: 'Voor ons jaarlijkse gala moest ik een galajurk kopen. Dat vertelde ik op mijn werk. Toen vroeg een collega: "Goh, doen jullie daar ook al aan"?' Haar tafelgenoten lachen instemmend.

'Ga maar eens naar De Waterkant', had de Surinaamse radiomaker in Hilversum gezegd. Het gesprek ging over de onzichtbaarheid van de Surinaamse middenklasse in Nederland en over de vanzelfsprekende associatie van Surinamers met problemen in de Bijlmer, problemen in Paramaribo en de eeuwige Desi Bouterse. Terwijl het met de grote meerderheid van de Surinamers in Nederland gewoon redelijk tot goed gaat. Alleen, zei de radiomaker, dat valt blijkbaar niet op. Vandaar zijn advies om De Waterkant eens te bezoeken. 'Daar zie je de Surinaamse bovenlaag. Ze hebben er zelfs een ballotage-systeem.'

'In De Waterkant komen mensen bijeen die een zekere positie in de samenleving hebben', geeft de psycholoog Dowlatram Ramlal, adviseur en een van de oprichters van de sociëteit grif toe. Maar, zegt hij: 'De Waterkant is er wel voor Surinamers van alle etnische groepen. Er zijn zelfs enkele Antillianen lid en een paar Nederlanders die affiniteit hebben met Suriname en Surinamers. De mensen komen hier voor de gezelligheid, maar ook om zaken te bespreken en om te netwerken. En om iets te leren. We organiseren één keer in de maand een lezing of een culturele avond. In de praktijk merken mensen heel snel of ze zich thuis voelen in De Waterkant.'

Terwijl de prijswinnaars van het mahjongen worden omgeroepen, eet Albert Adama (60) rijst met pom aan een van de tafeltjes nabij de keuken. De ingenieur energietechniek Adama, 'adviseur' en oud-moderator van De Waterkant kan bogen op een imposante, internationale carrière, maar naar Suriname keerde hij nooit langdurig terug. Droogjes stelt hij vast: 'Ik vermoed ook dat het er niet meer van zal komen. Als je ambities hebt, moet je niet in Suriname zijn.' Zeker, hij heeft het wel geprobeerd. 'Steeds als ik weer in Nederland terugkwam, ben ik even naar Suriname gegaan. Om te kijken wat er mogelijk was. Maar tot mijn schrik waren al mijn oude vriendjes ambtenaar geworden. Slechts een enkeling was nog op zijn vakgebied bezig. Dat heeft me afgeschrikt.'

Wel schreef hij, op verzoek van het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie en de vakcentrale C47, een 'integrale energiestudie' voor Suriname. Adama, eerder geamuseerd dan verbitterd: 'Iedereen vond het fantastisch. Echt geweldig. Ik weet nog dat er mensen zijn geweest die er bepaalde onderdeeltjes uit hebben proberen te pikken omdat ze de mogelijkheid zagen om daar veel geld mee te verdienen. Ik weet ook dat het advies vervolgens ergens bij de overheid in een la is beland.'

Al verzekeren bestuursleden van De Waterkant dat er ook 'gewone, niet-gestudeerde Surinamers' lid zijn van de sociëteit, in een adem laten ze merken trots te zijn op 'het bijzondere karakter' van de vereniging. 'Ons elite-imago klopt niet, maar we hebben ook nooit moeite gedaan om dat misverstand uit de weg te ruimen', vat voorzitter Duncan Jap Tjong die houding samen. Er is nog een belangrijk selectiecriterium voor nieuwe leden van De Waterkant. De sociëteit mag dan nadrukkelijk a-politiek zijn, het enige kandidaatlid dat in het twaalfjarige bestaan van De Waterkant geweigerd werd, was direct gelieerd aan Desi Bouterse.

Die weigering is niet zo vreemd, gezien de ontstaans geschiedenis van de sociëteit. Want De Waterkant was er misschien wel nooit geweest als de decembermoorden in Paramaribo in 1982 niet hadden plaatsgevonden. Veel prominente Surinamers vluchtten na het bloedbad in Fort Zeelandia, waarbij vijftien tegenstanders van het Bouterse-regime om het leven kwamen, naar Nederland. Velen hadden familie, vrienden of collega's onder de vermoorden. Of, zoals een lid zegt: 'Veel van de oorspronkelijke Water kanters zijn getraumatiseerd door de December moorden.'

De advocaat Boycy Teunis, volgens velen de grote inspirator van de sociëteit, behoort tot de tweede Surinaamse braindrain, die in 1982, na de December moorden, op gang kwam naar Nederland. Op die bewuste dag, 8 december, keerde hij nietsvermoedend in Suriname terug van een reis naar Europa. De volgende dag, 's middags, vluchtte hij halsoverkop, via Frans Guyana, het land weer uit.

In Nederland begon hij opnieuw met een advocatenpraktijk. 'Ik dacht aanvankelijk: het is maar tijdelijk. Maar op een gegeven moment moet je de knoop doorhakken. Het heeft geen zin om in twee werelden te leven. De vraag is bijvoorbeeld: koop ik wel of niet een huis. Je stelt de beslissing

steeds uit, je bent voortdurend met jezelf in beraad. Die twijfel hindert je in je functioneren. Zoetjesaan merk je dat

je het toch hier moet maken. Dat proces hebben veel Surinamers de afgelopen jaren doorgemaakt. En hoe meer slechte berichten er uit Suriname komen, hoe gemakke lijker die beslissing wordt.'

Eenmaal in Nederland bestond er bij Boycy Teunis en andere nieuwkomers de behoefte aan een gelegenheid om elkaar te treffen. In eerste instantie kwam een kleine groep 'Hagenaars' bijeen in café De Oude Mol, maar toen dat café in 1986 haar deuren sloot, moesten de vaste bezoekers op zoek naar een nieuwe plek, liefst een plek met uitstraling. De Haagse 'commerciële club' durfde het niet aan omdat het om Surinamers ging, maar via connecties kon de groep uiteindelijk terecht in Pulchri. Het idee voor een sociëteit was snel geboren omdat er onder de nieuwkomers ook leden waren van de elitaire sociëteit Het Park, een begrip in Paramaribo. Het Park was tot enkele jaren terug prominent gesitueerd aan de Waterkant, de boulevard aan de Suriname-rivier waar welgestelde Surinamers in betere tijden 's zondags flaneerden. 'In het begin had De Waterkant het imago van Het Park in Suriname. De sociëteit was er ook op geënt', beaamt Boycy Teunis, die in Paramaribo lange tijd voorzitter was van de ballotagecommissie van Het Park. 'Maar dat idee is, met de komst van nieuwe leden, snel vervaagd. De Waterkant is toch veel meer een Nederlandse variant; opener, minder elitair en breder van opzet.'

De Waterkant heeft nu rond de tweehonderd leden. De laatste jaren is er toenemende belangstelling onder jonge Surinamers die De Waterkant meestal als introducé bezoeken op de maandelijkse borrel met muziek. Opvallend vaak werken ze bij banken of in de informatica-sector. 'De jongeren zijn geïnteresseerd in De Waterkant als plek om elkaar te ontmoeten. Aan Suriname hebben ze weinig boodschap, wel aan hun positie hier in Nederland', meent voorzitter Duncan Jap Tjong. 'En aan de Surinaamse sfeer.' Grace Peerkhan ('begin dertig, zeg maar'), het jongste bestuurslid van de sociëteit: 'In De Waterkant kom ik om onder Surinamers te zijn. Maar ik ben gewoon Nederlandse en ik heb dezelfde ambities als autochtone Nederlanders van mijn leeftijd. Zo beoordeel ik een baan op het feit of die voor mij interessant is. Suriname komt dan niet zo snel in beeld. Voor de grote meerderheid van mijn leeftijdsgenoten geldt hetzelfde. Zij zien hun toekomst in Nederland.'

'De opkomst van de Surinaamse middenklasse, dat is een soort low profile-operatie', zegt Duncan Jap Tjong (54), een week later, op een Amsterdams terras. 'Het gaat nu snel, maar ik denk dat je er niets van zult merken. Kijk maar naar Gullit, Rijkaard, Davids en Seedorf. Die worden gezien als Nederlanders. Dat gebeurt nu overal. Het is eigenlijk een goed teken dat je weinig hoort over de Surinamers hier.' 'Het gaat zo snel,' aldus Jap Tjong, 'omdat er geen keus meer is. Tien, vijftien jaar geleden liepen veel mensen nog met het idee in het achterhoofd: "Eens ga ik terug". Dat is een gepasseerd station. Dus kunnen ze zich volledig toeleggen op hun carrière hier. Bij jongeren die hier zijn opgegroeid zie je dat nog sterker. Die zijn beïnvloed door de Nederlandse omgeving. Die gaan voor Suriname echt niet meer de offers brengen waartoe wij bereid waren.'

Zijn grillige carrièreverloop is exemplarisch voor dat van zijn generatie, zegt hij. Geboren op de Nederlandse Antillen uit Surinaamse ouders - zijn vader werkte bij Shell op Curaçao - ging hij op zijn achtste mee terug naar Suriname, groeide er op, studeerde in Puerto Rico, Trinidad en op Curaçao, vertrok naar Nederland, keerde drie jaar later terug naar Curaçao en werkte sindsdien afwisselend in Nederland en op Curaçao, als bedrijfskundige met informatica als specialisatie. Vorig jaar kwam hij "voor het laatst" terug van Curaçao. Al die tijd had hij het liefst in Suriname gewoond en gewerkt. 'Maar je weet van tevoren dat je dan terechtkomt in uitzichtsloze politieke verwikkelingen waarmee je niets te maken wilt hebben. Wat ook meespeelt: je bent niet echt welkom. Je wordt gezien als een bedreiging en door weg te gaan zouden we het land verraden hebben. Door die houding zijn veel mensen hier gefrustreerd geraakt.'

Zelf heeft hij nu eindelijk definitief gekozen voor Nederland. Met pijn in zijn hart, dat wel. 'Tien jaar terug dacht ik nog: desnoods verdien ik de helft, als ik maar op mijn vakgebied iets zinnigs kan doen in Suriname. Nu redeneer ik alleen nog maar: wat levert het me financieel op. En het is echt veel gemakkelijker om hier te werken. Voordat ik hier vorig jaar in dienst kwam bij Synergie Getronics werd ik al project-manager gemaakt voor een groot internationaal project. Gewoon op basis van kwaliteit, daar kwam geen politiek aan te pas. Dat was in Suriname, maar ook op Curaçao onmogelijk geweest. Op de Antillen was het zo: als je niet behoort tot een bepaald netwerk dan zul je nooit de baan krijgen waarvoor je in aanmerking komt op basis van je kwaliteiten.'

Hij zucht: 'Maar ja, op Curaçao had ik wel elke dag na vijf uur vakantie. Ik woonde op vijfhonderd meter van het strand. Ik kon iedere dag gaan varen en duiken als ik wilde. Dat is toch another way of life. Het is pijnlijk dat je in de landen waar je eigenlijk het liefst wilt wonen niet arbeidsproductief kunt zijn.'

Dan, een toevallige ontmoeting op het terras. Kenneth Beeker, één van de twee oprichters van café De Oude Mol komt voorbij. Hij en Jap Tjong begroeten elkaar hartelijk. Hij lijkt een Hollander, Baker; Nederlandse gelaatstrekken, blauwe ogen, licht haar. Pas in tweede instantie valt op dat hij grijs kroeshaar heeft. 'Je moest eens weten hoeveel blanke Surinamers er zijn', zegt hij. 'Sommigen herken je alleen als Surinamer door hun accent.'

Hij ergert zich mateloos aan twee dingen, steekt hij vervolgens van wal. Ten eerste lijkt het wel of in Suriname alles draait om - hij zal de naam niet eens noemen - die ene man. Ten tweede zie je in de media altijd de verkeerde woordvoerders. 'Mijn tenen staan krom als ik die mensen zie die alle stigma's bevestigen. De reguliere Surinamer zul je niet horen. Die heeft geen behoefte zich te profileren, dat zijn ook geen probleemgevallen.' Ook Kenneth Beeker kwam meteen na de Decembermoorden naar Nederland, om 'het zekere voor het onzekere' te nemen. Hij was 'adviseur' van het ministerie van Cultuur, had een constructiebedrijf en was daarnaast correspondent voor De Telegraaf. 'Ik ben me er nu pas van bewust hoe goed we het hadden in Suriname, voor 1980. We leefden er eigenlijk in een paradijs.'

Hij heeft net dit weekend de situatie in Suriname aan zijn Nederlandse schoonfamilie proberen uit te leggen. 'Ik zei: Suriname is net een fout kookboek waarin steevast de ingrediënten niet kloppen. Ik bedoel: er is geen homogene bevolking. De Nederlanders zijn na de afschaffing van de slavernij gaan experimenteren: na de Creolen werden nu ook Chinezen en mensen uit Indonesië en India gehaald. En dan had je nog de joodse kolonisten, de Libanezen, Groningse boeren zelfs en de oorspronkelijke bevolking, de Indianen. Al die groepen vielen onder de Nederlandse verdeel- en heerspolitiek. Het land is nooit een eenheid geworden. Dan kun je verwachten dat het verkeerd gaat als je opeens weggaat.' 'Maar toch', peinst Beeker hardop, 'ergens is er ook een gemeenschappelijke noemer in Suriname. Een onzichtbare tolerantie tussen al die verschillende groepen. Hoe slecht het ook gaat, tot een etnische confrontatie zal het niet komen. Je zou zeggen: dan moet er ook iets op te bouwen zijn.'

Het is een warme zomeravond en op hun veranda aan het water stellen Otmar Buyne (69) en zijn partner Debbie tevreden vast dat het ook in Capelle aan de IJssel net Suriname kan lijken. En dat ze erg veel geluk hebben met hun onbelemmerde uitzicht op een klein stukje natuur midden in het randstelijke bouw- en industriegeweld. De psychiater Buyne was er ooit van overtuigd dat er inderdaad iets op te bouwen viel in Suriname, na de onafhankelijkheid. Nu moet hij, als overtuigd nationalist, met pijn in zijn hart toegeven dat hij toen te optimistisch was 'Ik had verwacht dat Suriname de mogelijkheden optimaal zou benutten. Dat is niet gebeurd.'

Hij maakte de dramatische episode, begin jaren tachtig, van dichtbij mee, als chef van de militair-geneeskundige dienst. Op de avond van de 'revolutie' in 1980 moest hij organiseren dat de lijken werden opgehaald. 'Ik heb nog driftige telefoontjes gevoerd met de coupplegers.' Na de coup eiste de militaire raad min of meer dat hij minister van volksgezondheid zou worden. Hij zei nee. 'Later in de maand ging ik mijn ex-vrouw opzoeken in Nederland. In het vliegtuig dacht ik opeens: weet je wat, ik ga niet terug.' Buyne is vaak, als introducé, in De Waterkant. Hij was ook de eerste allochtone gouverneur van Lions Nederland. En zijn dochter, vertelt hij, is de eerste vrouwelijke, zwarte

'raadsheer' bij een Nederlands gerechtshof. Op licht verontwaardigde toon: 'Het grootste exportprodukt van Suriname is intellect. We geven eigenlijk ontwikkelingshulp aan Nederland. Kijk maar naar mijn vakgebied; er zijn zo'n 25 Surinaamse psychotherapeuten in Nederland. In Suriname zijn er misschien vijf.'

De kwaliteiten van Surinamers worden in Nederland nog steeds onderschat, meent Buyne. 'Dat ligt deels aan Surinamers zelf. Die redeneren: als ik mijn werk goed doe, dan valt het vanzelf wel op. Aan de andere kant: van iedere Surinamer wordt 150 procent inzet verwacht. En dan nog is het vaak moeilijk. Een neef van mij is een hooggeplaatste militair. Maar hij wordt voortdurend elders gedetacheerd omdat soldaten weigeren voor hem te salueren. Een andere neef van mij was procuratiehouder bij een bank. Als er Amerikanen kwamen werd hij gevraagd om niet aanwezig te zijn. Daar zouden ze van kunnen schrikken.'

Twee Chinees-Surinaamse mannen, dr. H. Chin A Fo en dr. Alim Chin toveren lichtelijk nerveus plaatjes op een scherm via een overhead-projector. Ze vertellen aan zo'n vijftig Waterkanters over het grootse project dat ze al jaren van de grond proberen te krijgen: een kankerinstituut in Paramaribo. Alim Chin, radiotherapeut-oncoloog in het Academisch Ziekenhuis van Leiden, schetst een treurig beeld van de situatie van de Surinaamse kankerpatiënt. Behandeling in Suriname is al jaren niet meer mogelijk, via een speciale regeling kunnen ze eenmalig naar Nederland komen, maar, zet Chin uiteen: ze komen vaak te laat, nacontrole vindt vaak niet plaats, ze moeten al hun bezit verkopen voor de overtocht en eenmaal hier is de huisvesting niet of slecht geregeld en slaat de heimwee toe. 'Sommigen gaan al voordat de behandeling is afgelopen weer terug. Die voelen zich hier totaal verloren.'

Hij stelt een retorische vraag: 'En wat gebeurt er met die vele patiënten die niet hierheen komen? Gaan ze eenvoudigweg dood?'

Een eerdere poging, in 1992, om een kankerinstituut op te zetten in Suriname, mislukte. De initiatiefnemers wilden een neutraal kankercentrum, niet gelieerd aan politieke, religieuze of etnische stroming. Dat bleek niet mogelijk in Suriname. 'Helaas waren wij naïeve dokters', concludeert Chin A Fo. De zaal gniffelt.

Nu proberen Chin en Chin A Fo het opnieuw. Formeel is het nu een Surinaams initiatief omdat ze een stichting hebben opgezet in hun moederland. Chin A Fo, onderkoeld: 'Het is nu geen neo-kolonialisme.' Wel is er nu een ander probleem; de financiering moet van particulieren komen - van de Nederlandse overheid valt niets meer te verwachten - maar van de benodigde tien miljoen gulden is er nog niets toegezegd.

Ook de belangstellenden in Pulchri zijn sceptisch. Of er geen belangrijker prioriteiten zijn, vraagt de zaal zich af. En: is het wel uitvoerbaar? Chin sputtert tegen: 'De artsen en de apparatuur hebben we. De belangrijkste investering is de bouw van een bunker in verband met de straling.' Iemand suggereert: 'Gebruik de bunker van Wijdenbosch.' Hilariteit in de zaal.

Gisela Mohanlal (42), een van de sceptici betreffende het plan van Chin en Chin A Fo, wil aan de keukentafel van haar Haagse woning, best nog eens uitleggen wat haar bezwaren waren tegen het project. Mohanlal, in het dagelijks leven wetgevingsjuriste jeugdbeleid op het ministerie van VWS, spreekt over juridische bezwaren, over twijfels over de uitvoering, over meetpunten, over output, over concepten, kortom, ze geeft les in 'wit denken'. 'Wij hebben hier geleerd om in concepten te denken, om georganiseerd te werken. Je denkt vanuit een doel, een visie en tools. In Suriname heerst toch een mentaliteit van: laat maar waaien, plenty of time. Als ze een dag niet komen is dat normaal. Kom je tien uur te laat? Niemand die er wat van zegt. Alles wat Surinamers hier willen, strandt in Suriname op het gebrek aan bereidheid om samen de handen uit de mouwen te steken. Dat leidt tot frustraties. Dat soort dingen weerhouden de Surinamers hier om terug te gaan. En dan heb ik het niet eens over de beloning.'

Boycy Teunis had er al eens een prikkelende lezing over gehouden in De Waterkant: Wil de echte Surinamer opstaan? Hij had het over de volksziel gehad, en over etniciteit. En zich afgevraagd of je wel een echte Surinamer bent als je in Nederland woont. Dat was een emotionele discussie geworden, kon hij na afloop tevreden vaststellen.

'De Surinaamse identiteit ontstaat vaak pas in Neder land', zegt Joy Viallé (48), terwijl ze thee schenkt in haar sfeervolle appartement in Leiden. 'Althans, dat is mijn ervaring. Hier ben je in de minderheid. Je krijgt hier vragen over je identiteit, je wordt gedwongen om er over na te denken. Voor mij was dat heel goed. Ik had het ook nodig om op te kunnen gaan in mijn omgeving en om in het reine te komen met Suriname. Ik ben op mijn zeventiende naar Nederland gekomen omdat mijn vader ziek was. De laatste jaren in Suriname had ik als heel pijnlijk ervaren. Eenmaal hier wilde ik niets meer van Suriname weten. Vier jaar geleden ben ik heel bewust teruggegaan. Een reis om vrede te sluiten met het land. Dat is heel goed geweest. Al werd ik heel afstandelijk, bijna afwijzend bejegend. Aan mijn uiterlijk zien ze niet meteen dat ik Surinaamse ben, dus dachten ze: daar heb je weer zo'n Hollandse toeriste. Een soort omgekeerde discriminatie.'

Het is verwarrend: heb je net, in Nederland, je Surinaam-se identiteit herontdekt, word je in Suriname uitgemaakt voor Bakra, Hollander. Voor Joy Viallé maakt het niet zoveel meer uit. 'Ik ben mezelf rijk gaan voelen, juist omdat ik geboren ben tussen verschillende culturen.' Ze is 'projecten-coordinator' bij het hoofdkantoor van GAK Nederland en weet: 'Surinamers zijn over het algemeen hele goede, trouwe, onopvallende werkers. Dat heeft z'n voor- en z'n nadelen. Een nadeel is dat niemand ze opmerkt. We zijn van alle allochtonen ook het meest geïntegreerd, door onze gemeenschappelijke geschiedenis met Nederland en, uiteraard, onze taalvoorsprong. We vallen, afgezien van ons accent, vaak niet eens op als Surinamer. Voor de Nederlander is de creool het prototype Surinamer, maar we zijn in werkelijkheid heel divers. We hebben niet één gezicht.'

'De trend is dat het steeds beter gaat met Surinamers in Nederland,' zegt Hugo Fernandes Mendes (48), lid-adviseur van De Waterkant en de hoogste ambtenaar minderhedenbeleid van het ministerie van Binnenlandse Zaken. 'De werkloosheid is in een paar jaar tijd gedaald van rond de 25 procent naar iets meer dan 16 procent.' Vervolgens zijn de cijfers wel weer relatief, benadrukt Fernandes Mendes. De afstand met Nederlanders blijft bijvoorbeeld ongeveer gelijk en, zegt hij: 'Als je naar de gemeenschappelijke geschiedenis van Nederland en Suriname kijkt, zou je ook kunnen verwachten dat het misschien wat beter ging.' Duidelijk is wel dat het gebrek aan perspectief in Suriname, de economische ontwikkeling van de Surinamers in Nederland bespoedigt. Fernandes Mendes: 'Als Surinamers hier vroeger een elektrische apparaat kochten, vroegen ze standaard: "Is het ook 110 volt?" Dat is nu niet meer zo. Surinamers woonden ook altijd in huurhuizen. Ook dat verandert nu. De mensen zien nu in dat het wedden op twee paarden niet realistisch is. Zeker nu duidelijk is dat één van de twee paarden nogal springerig is.'

Bijna een uur te laat - een aantal mensen zit vast in een parkeergarage - vaart de Alcmaria af voor de jaarlijkse boottocht van De Waterkant. Bijna alle Surinaamse verenigingen in Nederland organiseren in de zomer een dergelijke boottocht, maar die van De Waterkant is ongekend populair. Misschien komt het door de naam van de sociëteit, misschien door het betrouwbare imago van de vereniging, maar honderden Surinamers lukt het niet om een van de rond de driehonderd kaartjes te bemachtigen. Het was in Suriname traditie om bij tijd en wijlen een boot af te huren en feest te vieren op de Suriname-rivier. In Nederland is het Amsterdamse IJ het alternatieve vertrekpunt. De tocht voert het partyschip via het Amsterdam-Rijnkanaal en de Veght tot aan de molen in Vreeland. De bewoners aldaar zien met een mengeling van ergenis en geamuseerdheid hoe de draai ende kolos met meer dan driehonderd feestende Suri namers aan boord, hun duurbetaalde Hollandse idylle verstoort.

Op het schip wordt gedanst, op de caraïbische klanken van de Glenn Weisz-band, gegeten en gedronken. En veel gelachen. 'Surinamers zijn snel tevreden', zegt een deelnemer, in de rij voor masoesa rijst en moksie metie, met enige zelfspot. 'Zolang we nog kunnen dansen, eten en drinken maken we ons geen zorgen.'

Na een regenbui vertoont een flets zonnetje zich voor het laatst, deze dag, en vormt zich prachtige Hollandse lucht boven het IJ. Op de dansvloer schuifelen oudere echtparen, ouders en kinderen, hindoestaanse en creoolse twintigers, intens genietend richting Amsterdam. Surinaams geluk in Nederland. Rond negenen meert de Alcmaria weer af, naast De Prins van Oranje. De band speelt nog door en de feestgangers zwaaien met zakdoekjes: 'Wai anisa, zwaaien maar, zwaaien maar'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden