Struikelen over letters en woorden door een haperend hoofd

Dyslexie zit tussen de oren. Als je er vroeg bij bent, kun je er nog wel iets tegen doen...

Dyslectici, dat zijn toch die mensen wier hersenen zo jongleren met letters, dat ze struikelen als ze moeten lezen en schrijven? Jazeker. Maar moeite hebben met tekst is een symptoom van een probleem dat veel verder reikt dan schrijftaal alleen. Dat constateert de Italiaanse psycholinguïst Gaetano Fiorin. Hij promoveert op 5 maart in Utrecht op een onderzoek naar de ware aard van dyslexie. Zijn studie maakt deel uit van een groot project in het Utrechts Babylab voor Taalverwerving van het Instituut voor Linguïstiek. Daar loopt een onderzoek bij kinderen van 1,5 tot 8 jaar, naar problemen bij moedertaalverwerving en de consequenties ervan op lange termijn.

Dyslexie staat bekend als een probleem dat zich manifesteert bij geschreven taal. Fiorin experimenteert echter alleen met spraak, omdat hij wil bewijzen dat de hersenen van dyslectici taal in het algemeen niet goed kunnen verwerken en produceren. Daartoe heeft hij tweehonderd Italiaanse en Nederlandse kinderen van 8 en 9 testjes laten uitvoeren: dyslectische kinderen en als controlegroep kinderen zonder taalprobleem.

Fiorin legde zijn proefpersoontjes tekeningen voor. Zonder geschreven tekst, maar met mondelinge uitleg. Bijvoorbeeld een tekening van vier ezels. Op drie ervan zit een meisje. ‘Elk meisje zit op een ezeltje’, is de uitleg. De vraag is: klopt die zin bij de tekening, of niet? De controlegroep trapt er niet in. Dyslectische kinderen raken in de war van de combinatie tekening en vraag. Die zin is fout, zeggen ze, want er is een ezeltje zonder meisje.

Ander testje. Kunnen dyslectische kinderen uit de voeten met zinnen die je op twee manieren kunt begrijpen? ‘Iedere vriend van Jan heeft zijn fiets geverfd.’ Of : ‘De agent die Wim arresteerde, denkt dat mensen hem haten.’ Deze zinnen kunnen verschillende dingen betekenen. Zo kunnen alle vrienden hebben meegeverfd aan de fiets van Jan, maar ze kunnen ook elk hun eigen fiets hebben geverfd. Bij zin twee kunnen mensen de opgepakte Wim haten, maar ook de agent die hem heeft opgepakt. ‘Welke betekenis klopt, kun je alleen bepalen wanneer je de context kent waarin zo’n zin wordt gebruikt’, zegt Fiorin. Hij verwerkt ze daarom in een langer verhaaltje. Niet-dyslectische kinderen hebben geen moeite met deze taak. Dyslectische kinderen zien de relatie tussen zin en context niet, en gaan in de fout. Ze begrijpen dus niet alleen geschreven, maar ook gesproken taal anders dan niet-dyslectische kinderen.

Fiorins resultaten liggen in het verlengde van eerdere bevindingen van de Utrechtse psycholinguïst Elise de Bree in het Babylab. Zij onderzocht kinderen tot 4 jaar bij wie dyslexie in de familie zit. Die hebben moeite met het verwerven van korte klanken, met het samenstellen van woorden met korte klanken, en dus met het opbouwen van een woordenschat. Dat maakt het vanzelfsprekend leren van de moedertaal lastig.

‘Dyslexie is een symptoom van een probleem met een bredere mentale oorzaak. En dat merk je lang voordat het kind naar school gaat’, zegt Fiorin. Volgens hem wortelt de afwijking in wat hij noemt een beperking in het werkgeheugen. Er mankeert niets aan het langetermijngeheugen van de kinderen, maar ze verwerken nieuwe informatie niet goed. ‘Een stoornis in het werkgeheugen toon je aan met behulp van eenvoudige testjes.’ Je laat proefpersonen bijvoorbeeld nonsenswoorden herhalen: woorden die in klank en opbouw Nederlands hadden kunnen zijn, maar die niet bestaan: bleer, vakel, andaarlijk. Die woorden maak je steeds langer. Niet-dyslectici blijken ze te kunnen herhalen, dyslectici niet.

Een andere werkgeheugentest: niet-dyslectici kunnen langzaam groeiende reeksen cijfers onthouden, tot gemiddeld zo’n zeven tot negen achter elkaar. Mensen met een beperkt werkgeheugen blijven steken bij hooguit vijf cijfers. In ditzelfde onvermogen tot kennisverwerking ligt de mentale oorzaak van dyslexie, zegt Fiorin. Dyslexie valt pas op bij het werken met schrift, maar de oorzaak ligt in de verwerking door de hersenen van taal in het algemeen.

De psycholinguïsten van het Utrechtse Babylab hameren daarom op een zo vroeg mogelijke diagnose van dyslexie. Fiorin: ‘Andere gebieden in de hersenen kunnen de taken van het haperende taalvermogen mogelijk overnemen, als die van heel jongs af aan worden getraind.’ Maar dan moet je het probleem al hebben vastgesteld voordat het kind toe is aan leren lezen en schrijven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden