interview

Sportpresentator Dione de Graaff: ‘In het begin dacht ik: waarom wil ik iets doen dat ik zo eng vind?’

Dione de Graaff. 
Fotografie: Erik Smits, locatie: R-Grip gym, Amsterdam, visagie: Ursula Pel. Beeld Erik Smits
Dione de Graaff. Fotografie: Erik Smits, locatie: R-Grip gym, Amsterdam, visagie: Ursula Pel.Beeld Erik Smits

Gebrek aan controle, daar kan sportpresentator Dione de Graaff niet tegen. Aan de vooravond van de grote sportzomer praat ze openhartig over haar angsten. ‘Als gevoelens te heftig worden, schakel ik uit. Alsof ik buiten mezelf treed.’

Het is Dione de Graaff één keer overkomen. De grote angst van iedere presentator. ‘Een totale black-out.’ Live op televisie. Dat ze iemand aan het interviewen was en dacht: ik hoop in godsnaam dat je nog even doorpraat want dan kan ik intussen bedenken wie je ook alweer bent. Dan kan ik nog even zoeken naar je naam.’

Wie was dat?

‘Atleet Ellen van Langen. Het is jaren geleden en als je op dat moment niet meer wist wie Ellen van Langen was, moest je je echt zorgen gaan maken. Ze praatte door en ik kwam bij mijn positieven. Ik vraag me af of ze het heeft gemerkt. Absurd, dat iemand die zó bekend is, even helemaal bij je weg kan zijn. En als je dat een keer hebt gehad, word je bang dat het nog eens kan gebeuren.’

Je beste vriend en collega bij Studio Sport, Jeroen Stekelenburg, zei dat je je bijna maniakaal voorbereidt op uitzendingen.

‘Ik wil zó graag goed beslagen ten ijs komen. Zowel mijn vriend Nando als Jeroen zeggen tegen me: ‘Je weet toch wel dat jij de vragen moet stellen? Dat je niet het antwoord hoeft te weten.’ Maar ik wil alles onder controle houden.’

Voor belangrijke sportevenementen schijn je slapeloze nachten te hebben.

‘Ik ben sowieso een zeer slechte slaper. Heeft soms met werk te maken; soms met malen over van alles en nog wat. Mijn hoofd staat nooit stil.

‘In het begin van mijn carrière dacht ik weleens: waarom wil ik dit? Waarom wil ik iets doen dat ik zo eng vind? Toch eigenaardig. Ik blaak ook niet van zelfvertrouwen, hè. Bij mij zit er altijd in: als dat maar goed gaat. Maar ik ben het blijven doen en het bleef goed gaan en dan worden die zenuwen minder. Tot ze toch ineens weer komen opzetten: o jee, de eerste keer Olympische Spelen. Het gekke is wel: ik zie het intussen als iets moois, dat ik nerveus kan zijn voor wat ik moet gaan doen.’

Maakt dat je ook beter?

Meteen: ‘Ja. Ik heb die nervositeit zelfs zó nodig om scherp te zijn, dat als ik te ontspannen ben, ik ga zoeken naar iets waaruit ik die spanning kan halen.’

Waaruit haal je die?

‘Het is misschien niet goed, maar ik haal ’m uit: wie weet gaat het wel fout straks. Zoals bij Ellen van Langen.’

Het levendige gezicht van Studio Sport is kort daarvoor komen aanwandelen op het terras, met haar vriend, (sport)schrijver Nando Boers. Ze wonen vlak naast dit café in Amsterdam Oud-West, hun ‘huiskamer’, zoals ze opgewekt vertellen. ‘Wij houden van de kroeg’, vertelt presentator Dione de Graaff later, als Nando is vertrokken. ‘Wij voelen ons lekker in een bruin café.’

Het gesprek is een paar weken voor de grote sportzomer – waarbij het virus dicteert wat wel en niet mogelijk is. Het dagelijkse programma over de Tour de France, De Avondetappe, zal Dione de Graaff vanaf 26 juni, net als vorig jaar, presenteren vanuit Nederland. Om daarna hopelijk door te reizen naar Tokio, voor de Olympische Spelen.

Waarom hou jij zo van je werk?

De opgewekte lach, die ze in de loop der jaren steeds meer liet zien op televisie: ‘Wat maakt presenteren zo leuk? Ik doe het nu al 27 jaar. Ik denk: aan het einde zitten van een keten. Mijn collega’s kunnen nog zo hun best doen, maar als ik er een puinhoop van maak, is hun werk weg. Ik moet de losse einden aan elkaar knopen en alles wat we in een uitzending hebben gestoken zo goed mogelijk overbrengen op de kijker. Ik kan de steken die collega’s hebben laten vallen weer ophalen in de uitzending, maar ik kan het ook verpesten. Dat voelt altijd als... het woord uitdaging haat ik.’

null Beeld Erik Smits
Beeld Erik Smits

Het is ook eng. Een grote verantwoordelijkheid.

‘Vind ik lekker om te hebben, die verantwoordelijkheid. En ja, eng. Ik sta daar zonder zijwieltjes. Het is altijd live wat we doen. Maar op de een of andere manier ga ik veel enge dingen in mijn leven toch aan.’

Al van kinds af aan speelde ze journalistje, in het ouderlijk huis in Leusden. Ging ze haar moeder interviewen: ‘Die moest dan iemand anders spelen, bibliothecaresse of wat ik maar bedacht.’ Ze gebruikte de ouderwetse cassetterecorders van haar vader en journalistieke voorbeeld Jan de Graaff, overleden in 2014. De gedreven perfectionist was eindredacteur en oorlogsverslaggever bij Achter het nieuws van de Vara. Zijn werkkamer lag naast haar slaapkamer. ‘Misschien komt dat nachtelijke bij mij daar vandaan. Hij was altijd tot ’s ochtends 4 uur aan het werk. Dan hoorde ik dat getik op die typemachine en de stemmen van de interviews die hij steeds terugluisterde. Als ik daaraan denk, geeft me dat nog steeds een geborgen gevoel.’

Je was al jong presentator, bij Popsjop.

‘Ik was 16 toen ik auditie deed, als gastpresentator. Het was een soort Toppop, maar dan bij de NCRV. Ik weet nog hoe onzeker ik was en ik sta daar alsof ik nergens last van heb. Ik ga dit varkentje wel even wassen. Heel irritant. Presentator Jaap de Groot vraagt: ‘Naar wie kijk jij op?’ En dan zeg ik, een beetje uit de hoogte...’ Ze zet een pedant stemmetje op: ‘Nou... nou... opkijken... Dat kan ik eigenlijk niet zeggen. Nee, ik vind niet zoveel mensen heel goed.’ Vreselijk, vreselijk om die beelden terug te zien. Ik viel bijna flauw, maar er zat toch een drang in, om mezelf te overwinnen. Ik durf het niet, maar ik doe het toch.’

Een paar jaar geleden reisde je met Nando naar de VS. Je keek hartje New York omhoog naar de wolkenkrabbers en zei: ‘Ik heb het gedaan, het is me gelukt, dat had ik nooit gedacht!’ Toen werd Nando pas duidelijk hoezeer je had opgezien tegen de vliegreis.

‘Hij weet wel dat ik er niet dol op ben, door een erg akelige ervaring. Vroeger vond ik vliegen altijd het allerleukste van de vakantie. Totdat ik, eind jaren negentig, met een groep vrienden tijdens een reis naar Mexico terechtkwam in een uitloper van de orkaan Mitch. Het was niet duidelijk of we konden wegkomen, we moesten hamsteren, de stad werd dichtgetimmerd. Uiteindelijk werden we geëvacueerd. En toen maakte het vliegtuig een behoorlijke bump. Er vielen mensen, ze raakten gewond, er ontstond paniek aan boord. Ik raakte bevangen door een innerlijke paniekaanval. Ik dacht alleen maar: ik-moet-eruit-ik-moet-eruit. Weer-een minuut-voorbij-weer-een-minuut-voorbij.

‘Ik ben daarna telkens weer in het vliegtuig gestapt, maar altijd voor mijn werk. Dan dacht ik: het zal me toch niet gebeuren dat ik ergens niet heenga omdat ik niet durf te vliegen. En dan gaat het vaak goed en denk je dat je eroverheen bent en gaat het weer een keer mis. De angst voor de angst. Ik roep het ook zelf op: shit, daar komt dat gevoel weer. O nee. Ja. Wel. Toch.’

null Beeld Erik Smits
Beeld Erik Smits

Je bent niet bang voor het vliegen zelf, maar voor de paniekaanval.

‘En dat je er niet uit kunt, als je eenmaal in zo’n stalen buis zit. Inmiddels gaat het wel veel beter.’

Is er weleens een groot sportevenement geweest waar je bijna niet heen bent gegaan door die angst?

‘Vóór de Olympische Winterspelen in Pyeongchang in 2018 ging ik door een nare, hectische tijd. Langzaam kroop dat paniekerige in alle hoeken en gaten, het kreeg weer een bodem. Toen vroeg ik me wel af of ik ooit in Pyeongchang zou komen. Nando zei: ‘Ik vlieg desnoods met je mee.’ Jeroen, die er al was, zei: ‘Kom. Ik ken je langer dan vandaag. Als je het niet doet, word je thuis gekker dan als je hiernaartoe vliegt.’ Uiteindelijk was dat wel een houvast. Dat je weet: als ik het niet probeer, kan ik daar niet mee omgaan. Dan kan ik het beter maar proberen. Toen ben ik iets later alsnog gegaan.

‘Wat erbij komt: sporters leven vier jaar toe naar die Olympische Spelen, maar dat doen wij als sportverslaggevers ook. Dus ik weiger me neer te leggen bij die angsten. Maar goed: dat kan ik nu heel mans zeggen, omdat het dus blijkbaar niet meer zo erg is dat ik mijn leven erdoor laat leiden.’

Dat heb je dus een tijdje wel gehad?

‘Eind jaren negentig, naar aanleiding van die schokkende vlucht, wist ik niet wat me overkwam. Ik werd er heel bang en onzeker van. Ik had één keer een moment gehad dat ik mijn eigen hoofd totaal niet meer onder controle had en sinds die tijd besefte ik: er zijn dus momenten dat ik het niet onder controle heb.’

Hoe werkte dat door?

‘Uiteindelijk ben ik er in 2000 ook uitgegaan met een burn-out. Of wat het ook was. Dat is nooit zo hardop benoemd. Ik kreeg last van aanvallen die met paniek te maken hadden, dacht ik, maar het heeft een andere naam: derealisatie. Als gevoelens te heftig worden, als er te veel prikkels zijn, schakel ik uit. Onbewust. Alsof ik buiten mezelf treed. Ik functioneer gewoon, niemand merkt iets aan me, alleen: ik voel het niet meer. Ik weet dat ik in mijn huis zit, maar het geborgene dat ik normaal ervaar is weg. Als ik in Hilversum ben en ik zit achter mijn eigen bureau, weet ik dat dat mijn bureau is, maar het vertrouwde is weg.’

Je eigen omgeving voelt vreemd voor je. Een onwerkelijk gevoel.

‘Dat is een goeie omschrijving: het voelt onwerkelijk. Soms duurt het dagen, heel soms een paar weken, maar dat is echt jaren geleden. De meeste mensen om me heen weten dit helemaal niet, juist omdat ik gewoon kan doorwerken. Dat is ook een fijne wetenschap. Het kost alleen wel veel energie. Ik heb dat onwerkelijke gevoel weleens gehad tijdens het schaatsseizoen. Dat is dus vier dagen uren achter elkaar live vanuit Thialf. Ik lag er even helemaal af, toen ik thuiskwam.’

Korte stilte. ‘Vroeger was ik zo kwaad op mezelf als ik dat onwerkelijke gevoel kreeg: ik heb dat en verder heeft niemand dat! Waarom, waarom? Daar is soms geen antwoord op. Dus moet ik die vraag maar niet meer stellen, ben ik me gaan realiseren. Ik denk dat dat komt door het ouder worden. Daarom kan ik er nu ook gemakkelijk over vertellen aan jou. Vroeger werd ik er heel emotioneel van.’

Die vraag: waarom, waarom moet je jezelf ook hebben gesteld toen je vriend Chris verongelukte.

‘Nee. Nee. Dat was afschuwelijk, maar die dingen gebeuren.’

Het is nu twintig jaar geleden dat haar toenmalige vriend Chris Götte, drummer van de band Bløf, met zijn nieuwe motor op een auto klapte. Hij was op slag dood; 38 jaar oud. Zijn moeder belde Dione: Chris is er niet meer.

Je zat op dat moment in de trein.

‘Ja, dat moment was wel... Nando zei laatst: ‘Hier mag je het woord trauma wel voor gebruiken.’ Het is een woord dat zo snel en vaak ten onrechte wordt gebruikt, hè. Maar ik heb dat traumatische wel heel erg. Dat ene telefoontje; dat plotselinge uit het leven gerukt zijn. Dat je denkt: een minuut geleden was alles nog gewoon en nu staat alles op z’n kop. Als we in de auto zitten en Nando rijdt en hij ziet iets akeligs in de verte zegt hij altijd: ‘Niet kijken. Kijk mij aan. We praten net zo lang totdat we er voorbij zijn.’ Ik blijf daar urenlang aan denken: daar ligt iemand en ik heb het al gezien, maar de familie weet van niks. Zo meteen krijgen ze dat telefoontje. Dat vind ik gekmakend. Echt gekmakend.’

Zou je er moeite mee hebben als Nando wil gaan motorrijden?

‘Ik zou het hem zeker niet...’ Stopt. ‘Ik denk wel dat ik het moeilijk zou vinden. Nando en ik zijn niet zo van de vaste afspraken. Hij gaat hardlopen, komt iemand tegen, en dan gaat-ie daar koffie mee drinken. Maar als dat lang duurt, en in het begin van onze relatie gebeurde dat nog weleens, en ik hoor sirenes, dan...’ Ze legt haar hand om haar keel. ‘Dat heb ik hem gezegd. Dus als hij merkt dat het later wordt, laat hij dat altijd even weten.’

null Beeld Erik Smits
Beeld Erik Smits

Hij houdt van snelle sporten, net als jij.

‘Een van de mooiste evenementen waar ik ooit bij ben geweest is de TT van Assen, zo waanzinnig. Ik hou ook enorm van Formule 1.’

Bij Formule 1 verongelukken ook coureurs, vind je dat niet...

Onderbreekt: ‘Mijn maag draait ervan om, ik kan er niet naar kijken, zoals ik ook bijna niet kan kijken naar valpartijen in een wielerpeloton. Maar het zijn wel allemaal topsporters, die weten waaraan ze zijn begonnen. Dus ik hou nog steeds van snelheid, motoren, snelle auto’s. Machtig mooi om te zien. Het is echt sensatie, op de goede manier. Het lef. Ik kan ontzettend veel bewondering hebben voor mensen met dat lef.’

Nando heeft ook al jong zijn vrouw Mariska verloren. Hij vertelde je dat meteen, tijdens jullie eerste echte gesprek.

‘Dat gesprek werd al snel serieus. Als je allebei zoiets heftigs hebt meegemaakt, is het zo belangrijk om te weten hoe de ander daarmee omgaat. Dat we allebei ook nog konden lachen om alles wat er daarna op ons afkwam; niet om wat er gebeurd is zelf natuurlijk. Maar ook in de allerallergrootste ellende van je leven zijn er grappige momenten. Juist in tijden van enorm verdriet moet je nog iets absurdistisch kunnen zien of zeggen, waardoor de spanning even wordt doorbroken. Zoals ik met de dood probeer om te gaan, is precies zoals Nando het doet. Ik kan in de lach schieten van iemand die het allerliefste probeert te zeggen en dan opmerkt: ‘Goh, je hebt wel pech, de laatste tijd.’ Of: ‘Het zit je niet mee.’ Die is ook best geestig.’

Waaraan leed de vrouw van Nando?

‘Een hersentumor. Ze was 33 toen ze doodging. Zo jong. Hij heeft heel goed voor haar gezorgd. Zo afschuwelijk om te weten dat de vrouw met wie je hoopt een leven lang gelukkig te zijn niet oud zal worden. Hij kan over haar vertellen op een manier dat ik denk: wat jammer dat ik haar nooit kan ontmoeten. Dat heeft Nando omgekeerd bij Chris ook. Mariska en Chris waren twee erg leuke mensen.’

Nando vertelde: ze zijn bij ons, elke dag. Maar nooit op een zware manier.

‘Nooit zwaar. Nando en Mariska zijn nog getrouwd, omdat zij dat graag wilde. Als mensen mij vragen: ‘Wil jij niet trouwen?’, denk ik altijd: je hebt geen idee. Ik vind het mooi dat Nando getrouwd is geweest met een superleuke vrouw. En wij doen het nu zo.’

Mis je dat je geen kinderen hebt?

‘Ik hou van kinderen, maar ik mis ze niet. Ik heb weleens gedacht: ik ben ontzettend benieuwd wat voor kind er uit Nando en Dione zou zijn gekomen. Dat gaat dus niet gebeuren.’

Jullie zijn er ook nooit aan begonnen?

‘Het is mislukt, laat ik het zo zeggen. Ik was 39 toen ik hem leerde kennen. En dat is een keer fout gegaan. Wij zeggen dan: we kunnen er eindeloos in blijven hangen, of er een punt achter zetten. Dit is het dus blijkbaar niet, voor ons. We gaan op een andere manier ons leven inrichten.’

Niet in het verleden blijven hangen – daar schijn je goed in te zijn.

‘Dat sta ik mezelf ook niet toe. Je hebt ook geen keus hè. De dood van Chris heeft me er wel vrij jong van doordrongen: nú moet het gebeuren. Het kan zo afgelopen zijn. Ik ben gestopt, misschien wel op datzelfde moment, met: wat wil ik allemaal bereiken? Ik wil het gewoon leuk hebben.’

Wat is leuk?

‘Goeie vraag. Ik weet nog dat good old Theo Reitsma tegen me zei, toen ik nog stage liep bij Studio Sport: ‘Vermijd het woord leuk, want leuk is niks.’ Het zegt niks. Streng tegen zichzelf: ‘Dus ik moet stoppen met dat woord. Ik wil het goed hebben. Ik wil léven.’

Eruit halen wat erin zit?

‘Ik weet niet wat erin zit, dus daar ben ik ook niet mee bezig. Ik heb niet zoveel nodig, dat is wel een geluk. Ik woon driehoog achter en ik heb het enorm naar mijn zin. Spullen zeggen me niks; geld zegt me net zo weinig. Ik weet: ik praat uit een gemakkelijke positie.’

Want je hebt een prachtige baan.

‘Ja. En ik verdien goed, maar als ik in een groot huis had willen wonen, had ik misschien toch klussen moeten aannemen waarvan ik zou denken: liever niet. Dus ik leg mezelf nooit zoveel druk op.’

Je bent het gezicht van NOS Sport. Dat word je niet zomaar.

‘Maar mijn werk is niet mijn leven.’

Weet je het zeker?

‘Ik noem het ook geen carrière, vind ik een ingewikkeld woord. Ik vind carrière maken ook niet zo belangrijk.’

null Beeld Erik Smits
Beeld Erik Smits

Misschien kun je je niet eens meer voorstellen hoe het zou zijn als je deze positie niet had. Het is zo’n vanzelfsprekendheid geworden.

‘Dat is waar. Maar toch. Gisteren hadden we in de uitzending een interview met voetbaltrainer Ron Jans, die zei: ‘Soms zeggen mensen weleens tegen me: maak je jezelf niet te klein? Misschien is dat ook zo, maar dat heb ik duizend keer liever dan dat ik mezelf te groot maak.’ Zo’n uitspraak past erg bij mij. Tegenwoordig profileert iedereen zich zo op sociale media. Ik kom uit een andere tijd. De socials zijn erg van: kijk mij eens gelukkig zijn. Terwijl dat niet altijd zo is – geldt ook voor mij. Of het is van: ‘Hallo hier ben ik en ik heb een mening.’ Daar staat nog net niet bij: ‘En ik zou graag in elke talkshow willen aanschuiven.’ Dat past niet bij mij.’

Jeroen Stekelenburg zei dat hij weleens moeite had met interviews waar je te lief uit kwam als het gaat om je werk. Alsof je niet genoeg voor jezelf opkomt. Daarmee doe je jezelf geen recht, zei hij.

‘Daar heeft hij helemaal gelijk in. Ik heb natuurlijk ook altijd kneiterhard gewerkt.’

Maar toch: je hebt jezelf ook goed kunnen handhaven in Hilversum. Anders zit je niet op die plek.

‘Ik heb nooit een grote mond gehad. Maar ik heb me wel staande gehouden. Door geduld te hebben en door te laten zien dat je graag wilt en elke keer beter wordt. Dat heb ik van mijn vader: ‘Zorg dat je in één ding heel erg goed wordt.’

Later: ‘Ik hoor weleens van anderen dat ze heel duidelijk weten waar ze naartoe willen. Maar op de weg erheen realiseren ze zich helemaal niet meer hoe gaaf het is wat ze nu aan het doen zijn. Ik wil me elke dag realiseren...’ Schiet in de lach. ‘Ik klink wel gezapig nu. Het is echt niet zo dat ik elke dag denk: o leven, dankjewel. Maar ik ben wel echt gelukkig, geloof ik. Dat komt door die kleine dingen.’

Zoals?

‘We gaan nu vier dagen naar Texel. Man, wat een feest. Alleen maar lopen, met je kop in de wind. Meer heb ik niet nodig. Ja, een portie bitterballen, ’s avonds, met een biertje. En met Nando. Sorry, kan het mooier?’

Tegen het einde zegt ze: ‘Nando en ik hebben veel mensen verloren. Ik geloof niet dat we daar een uitzondering in zijn. Het hoort erbij. Maar op momenten dat iemand ons is ontvallen, stel ik mezelf onze stamkroeg voor – in de hemel. Dat iedereen daar zit, op elkaar wacht en er intussen een groot feest van maakt. Zo’n heerlijke gedachte. Je moet effe reizen, maar dan ben je in die hemelse kroeg. Ik stel me daar mijn vader voor die zegt tegen een oude collega: ‘Kom erin, wil je wat drinken?’ Daar word ik heel vrolijk van.’

In een adem door: ‘Maar voor de zekerheid moeten we het vooral nu fijn hebben. Voor de zekerheid. Want stel dat het niet zo is.’

De lentezon breekt door. Ze belt Nando. Of hij een biertje komt drinken op het terras.

CV Dione de Graaff

9 juni 1969 Geboren in Bussum.

Studeerde een jaar Frans, daarna de Academie voor Journalistiek en Voorlichting in Tilburg.

1993-1995 ­Omroep Amersfoort en liep stage bij NOS Studio Sport.

1995 Vaste presentator bij Studio Sport.

De Graaff woont samen met Nando Boers in ­Amsterdam.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden