essayarnon grunberg

Smalltalk kan een zaak zijn van leven en dood, leerde ik van de stervensbegeleider

In gesprek met een geestelijk verzorger leerde Arnon Grunberg hoe luisteren een vorm van stervensbegeleiding kan zijn.

Beeld Loes Faber

Op 8 september 2019 kreeg ik een mailtje van Johannes Klabbers, die me vriendelijk attendeerde op een typfoutje op mijn site. Zijn vriendelijkheid verbaasde me. Wel vaker krijg ik mails van lezers die me wijzen op grote en kleinere fouten, maar doorgaans spreekt uit die mails een intens genoegen dat men de ander op fouten kan betrappen. Begrijpelijk, andermans feilbaarheid is onuitstaanbaar, hoezeer men zelf ook onfeilbaarheid mag ambiëren.

Met enige regelmaat bleef Klabbers me daarna wijzen op foutjes, altijd met dezelfde vriendelijke, bijna verzorgende toon, zonder ooit neerbuigend te worden. Na een halfjaar was ik nieuwsgierig geworden wie achter de naam Johannes Klabbers schuilging en ik nodigde hem uit voor een kopje koffie.

Klabbers had jarenlang in Engeland en Australië gewoond en was nu weer ingetrokken bij zijn oude moeder in Nederland. Ik schatte hem eind 50, begin 60, ik begreep dat hij ooit in een punkbandje had gezeten, daarna had hij gestudeerd en was hij in het kunstonderwijs gegaan, maar op een gegeven moment had hij er genoeg van gehad om tegen betaling interesse te veinzen voor andermans schilderijen en was hij kranten en tijdschriften gaan verkopen in een ziekenhuis in Australië. Dat beviel hem, maar aangezien hij behoefte had aan meer contact met de patiënten volgde hij, als agnosticus, een opleiding tot geestelijk verzorger, en zo was hij in de stervensbegeleiding gerold.

‘Hoewel ik niet meer aan een ziekenhuis verbonden ben, zit ik nog steeds in de stervensbegeleiding’, zei hij. ‘Soms bellen mensen me en dan begeleid ik ze.’

Het was, besefte ik, de eerste keer dat ik met iemand sprak die in de stervensbegeleiding zat zonder dat een familielid van mij bezig was dood te gaan of dat ik zelf aan het sterven was, hoewel je dat natuurlijk nooit met zekerheid kunt zeggen.

Socrates stelde dat leven je voorbereiden is op de dood, terwijl tegenwoordig – maar was het ooit echt anders? – leven veelal het hardnekkig ontkennen van de dood is, maar dat levert ook mooie, uitbundige en ongekend groteske momenten op. Misschien was het pro deo verbeteren van andermans typfouten ook een vorm van stervensbegeleiding? Want als ik me voorstelde dat ik op sterven zou liggen en Klabbers mij zou vragen: ‘Wat kan ik voor je doen?’, dan zou ik antwoorden: ‘Blijf mijn typfouten maar verbeteren.’ Zolang ik leef wil ik schrijven, zolang ik schrijf streef ik naar zo min mogelijk typ- en andere fouten.

Zittend tegenover Klabbers moest ik denken aan de eerste keer dat ik in Afghanistan was en met een humanist sprak. Het Nederlandse leger was een van de eerste legers die een geestelijk begeleider in dienst hadden – in het leger wordt zo iemand aalmoezenier genoemd – die tot geen enkele religieuze gemeenschap behoorde en zich ‘humanist’ noemde. Hij droeg een uniform, zelfs een wapen, want soms ging hij de poort uit met de jongens, maar daar voegde hij aan toe, een zin die ik nooit ben vergeten en waaraan ik sprekend met Klabbers weer dacht: ‘Als de humanist moet gaan schieten, zijn we allemaal verloren.’

Met enige regelmaat bleef ik typfouten maken, Klabbers bleef me er vriendelijk op wijzen en op een gegeven moment voelde ik de noodzaak hem uit te nodigen voor een etentje. Niet alleen omdat ik iets tegenover de pro-deowerkzaamheden wilde stellen, ook omdat ik meer wilde weten over de man die stervensbegeleider was geweest en op jonge leeftijd de punkmuziek vaarwel had gezegd. Ik herinnerde me de film Sid and Nancy van Alex Cox, die ik lang geleden had gezien, over Sid Vicious van The Sex Pistols en zijn vriendin, Nancy Spungen. Een deel van de punkmuziek: suïcidale stervensbegeleiding. Misschien een kern van punk: we begeleiden onszelf wel bij het sterven. Als het om muzikale levens- en stervensbegeleiding gaat, houd ik echter meer van Nirvana dan van The Sex Pistols.

Beeld Loes Faber

Klabbers wilde graag Libanees eten, dat deden we, en tijdens het eten vertelde hij en passant dat hij een boek had geschreven over zijn jaren in een Australisch ziekenhuis. Ik zei dat ik het ging kopen, maar hij zei dat ik me de moeite kon besparen, dat hij het me zou toesturen. Het was geen commercieel succes geworden, feitelijk was het een ramp geweest voor de uitgever.

Onze nederlagen, ook de commerciële, zijn vormen van stervensbegeleiding, maar dat zei ik niet.

Een paar weken later ontving ik het boek, het heette I Am Here: Stories from a Cancer Ward, en het ging over zijn werk als geestelijk verzorger in een ziekenhuis.

Ik begreep tot mijn verbazing dat de stervensbegeleider, althans in Australië, zichzelf voortdurend moest aanbieden en regelmatig werd afgewezen, waarin hij me merkwaardig genoeg deed denken aan een sekswerker die dikwijls moet verdragen dat mannen langdurig voor het raam staan om uiteindelijk toch door te lopen.

De patiënten weigerden de stervensbegeleider omdat ze van mening waren, tegen alle opvattingen van de artsen in, dat ze níét bezig waren te sterven, omdat de stervensbegeleider niet het juiste geloof had, omdat ze geen behoefte hadden aan een praatje of omdat ze de stervensbegeleider gewoon te lelijk vonden. Dat laatste kon ik me herinneren van mijn moeder, die kon ook over iemand zeggen die haar kwam helpen: ‘Nee, die lelijkerd wil ik niet.’

Verder kwam het begeleiden van de doden vooral neer op smalltalk, ik zeg dit nadrukkelijk zonder enige vorm van laatdunkendheid. Smalltalk kan een zaak zijn van leven en dood. Dat deed me weer denken aan de humanist in Afghanistan, die me indertijd vertelde dat hij met de soldaten vooral praatte over sport, de post die er zo lang over deed, wat ze thuis zoal deden (een nieuw bankstel aanschaffen), en vrouwen niet te vergeten. Ik begreep goed dat je als soldaat liever met een humanist over vrouwen praat dan met een priester of rabbijn, maar vooral begreep ik dat soldaten, die niet alleen dreigen te sneuvelen maar zelf soms ook doen sneuvelen, best wel willen praten als ze die dag iemand hebben omgelegd, maar eigenlijk niet over hun werk. Als ik er twee had omgelegd, zou ik dezelfde dag ook tegen de aalmoezenier zeggen: ‘Mijn vriendin overweegt een tweedehandsautootje in Naarden op de kop te tikken, zodat ze wat mobieler is.’ Indirect zou het via die autodealer in Naarden dan toch over de dood in Afghanistan gaan – of niet, en dat zou ook prima zijn.

Van Klabbers begreep ik dat het ging om de aandacht waarmee je over koetjes en kalfjes praatte, dat het erom ging dat je er echt was, dat je je overgaf aan de smalltalk met een stervende. Hij noemt dat, onder verwijzing naar Heidegger, authenticiteit. Authenticiteit vind ik een ingewikkeld begrip, met of zonder Heidegger. Ik begrijp die authenticiteit in deze context, als een vorm van concentratie, van intensiteit, luisteren naar de ademhaling van een stervende alsof het de spannendste scène in een bijzonder spannende film is.

Klabbers schrijft dat hij, voordat hij dit beroep ging uitoefenen, moeite had naar andermans verhalen te luisteren, die inderdaad soms langdradig kunnen zijn. Zeker, al doe ikzelf eigenlijk niets liever, maar ik ben schrijver en schrijven bestaat wat mij betreft voor een belangrijk deel uit het vermogen, uit de wil om echt naar anderen te luisteren, al doe ik dat natuurlijk ook omdat ik het gewoon interessant vind wat men te vertellen heeft. Opinies zijn doorgaans het minst boeiend, de intieme, veelzeggende, unieke details ontbreken; vrijwel alle verhalen over het 5G-netwerk lijken op elkaar, vermoedelijk omdat vooral zij die geen expert zijn op dat gebied zich over het 5G-netwerk uitlaten. Het is mijn overtuiging, die ik deel met de psychoanalyticus, vermoed ik, dat mensen expert zijn als het om het eigen leven gaat, al hebben sommige mensen begeleiding nodig bij het omzetten van die expertise in verhalen. Nee, het luisteren naar die verhalen, zeker als het pure geklaag wordt ontstegen, is een van boeiendste, misschien zelfs een van de aangenaamste dingen die er te doen zijn op deze planeet.

Altijd heb ik gedacht dat het luisteren naar verhalen, de aandacht waarmee dat gepaard ging, ook een verleidingspoging kon zijn, en dat dikwijls ook was. Eerst ontbloot men zich door middel van verhalen, dan trekt men allicht wat kleren uit. Ik had me vergist, na het lezen van Klabbers wist ik dat luisteren weinig met verleiden had uit te staan, zoveel met stervensbegeleiding; al wat Klabbers deed was immers slechts luisteren, soms kwam er wat platonische liefde aan te pas. Bewust samen het sterven vergeten, even het uit het oog verliezen zonder het te ontkennen. Misschien moet de verleider gewoon zeggen: ik kom aan stervensbegeleiding doen, platonische of minder platonische liefde is hooguit een neveneffect.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden