ColumnJasper van Kuijk

Sinds kort is er een derde teamsport in Zweden: innebandy – en het is helemaal geweldig

null Beeld

Toen we naar Zweden kwamen, dacht ik: misschien moet ik maar weer eens een teamsport. Het is een mooie aanvulling op het hardlopen en een leuke manier om nieuwe mensen te leren kennen.

De twee populairste sporten in Zweden zijn voetbal en hockey. En met ‘hockey’ bedoelt men dan dus ijshockey. Hockey op gras wordt hier ‘landhockey’ genoemd, wat je, als ik het goed heb begrepen, moet zeggen met de ondertoon van verbazing die we in Nederland meestal reserveren voor gerechten met exotische ingrediënten als hond of hamster. Voetbal en (ijs)hockey zijn ook de sporten die in de media verreweg de meeste aandacht krijgen, met de vorderingen van Zweedse spelers in buitenlandse competities tot in detail beschreven.

Dus ik had eventueel voetbal kunnen oppakken, maar de jeugdherinnering van één keer scoren in zeven jaar ploeteren als linkshalf was niet bijzonder motiverend. Daarnaast zijn de Zweedse voetbalvelden tussen oktober en april te nat, besneeuwd of ijzig. En in tegenstelling tot hockey, doelen de Zweden met ‘voetbal’ niet op ijsvoetbal, dus wordt er de hele winter niet gespeeld.

(IJs)hockey zag ik mezelf niet in een jaartje onder de knie krijgen. Sterker nog, met mijn ranke postuur – ja, laten we het inderdaad ‘rank’ noemen – en nog vrijwel complete gebit vond ik ijshockey sowieso niet een superaantrekkelijke optie.

Maar de afgelopen vijftien jaar is er in Zweden nog een andere teamsport enorm populair geworden: innebandy – in goed Nederlands floorball of unihockey. Zweden telt inmiddels zo’n 200 duizend beoefenaars, waaronder mijn achterneefjes en -nichtjes. Zelfs in ons plattelandsgehucht is er elke donderdagavond in de gymzaal van de school een training, waaraan onze oudste twee jongens inmiddels met groot enthousiasme meedoen.

Innebandy laat zich het best omschrijven als ‘zaalijshockey’, inclusief boarding, maar met een lichte bal en niet op schaatsen, maar op sportschoenen. Elk team heeft vijf spelers en een doelman, die in een wat koddige houding op de knieën voor een ijshockeyformaat goaltje zit. Het is toegankelijker dan ijshockey; je hebt er geen ijsbaan voor nodig en het kan het hele jaar door worden beoefend. En het is vooral leuk. Het is technisch, tactisch en razendsnel.

Dat laatste ontdekte ik toen ik zelf voor het eerst meespeelde met een groepje dat twee keer per week op de universiteit speelt. Ik was al vrij snel buiten adem en godsgruwelijk dankbaar voor de drinkpauze na een kwartier. De volgende dag bleek ik niet meer te kunnen zitten van de spierpijn in mijn rechterbil. Heerlijk. Wat ik ook prettig vind, is dat je al spelende een heel stevige intervaltraining afwerkt, maar daarmee, in tegenstelling tot bij hardlopen, niet bewust bezig bent. Je speelt vooral dat spelletje. Het is echt de leukste sport die ik in tijden heb gedaan.

Nou, Van Kuijk is dit niet wat overdreven positief? Nee, daar heb ik goede redenen voor. Ten eerste vind ik de sport dermate leuk dat ik over een half jaar, bij terugkomst in Nederland, wel ermee zou willen doorgaan. Tweede punt is dat floorball in Nederland weliswaar groeit, maar in Delft, waar we volgend jaar weer wonen, zijn er alleen studententeams. Dus het zou me niet héél slecht uitkomen als jij in de regio Delft woont en na dit stukje denkt: ‘Dat floorball klinkt eigenlijk wel geinig’.

Ik zou zeggen: ga een keer naar een training en neem gelijk een paar vrienden mee. En je zwager. Of beter nog: begin maar gewoon alvast dat niet-studententeam. Ik kom het best tot mijn recht op rechtsbuiten. Deal? Dan zie ik jullie over een half jaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden