boekenduivenmelken

‘Seks is iets voor een paar minuten, de duivensport is voor het hele leven’

Schrijver Rense Sinkgraven op bezoek bij duivenmelker Johan Groenbroek in Wagenborgen. Beeld Pauline Niks
Schrijver Rense Sinkgraven op bezoek bij duivenmelker Johan Groenbroek in Wagenborgen.Beeld Pauline Niks

Rense Sinkgraven schreef de eerste Nederlandse duivensportroman, Dorus de doffer. Hij vroeg duivenmelker Johan Groenbroek om mee te lezen tijdens het schrijfproces. Een literaire reportage vanuit een til vol topduiven in Noordoost-Groningen.

Paul Onkenhout

De rooie is op zijn zusje gekropen, zegt Johan Groenbroek (61 jaar, duivenmelker sinds 1978) in een van zijn zes hokken in Wagenborgen, een verstild dorp in Noordoost-Groningen. Of het de bedoeling was dat de rooie dat zou doen, of juist niet, is niet geheel duidelijk.

Trots duwt Groenbroek de volgende postduif in de handen van bezoeker, dichter, filosoof en, sinds kort, romanschrijver Rense Sinkgraven (56). Die bestudeert elke duif met grote aandacht, in een onmiskenbare staat van opwinding. ‘Het is heerlijk om weer eens in een hok te zijn.’

Sinkgraven kijkt naar de kop, de bek en de poten en spreidt geroutineerd de vleugels. De duiven zijn tam. Eén duif vliegt op en gaat op zijn hoofd zitten. Over een andere duif: ‘Deze voelt heel lekker. Je voelt de klasse. Lekkere zachte pluim ook. Mooie kop. Bij deze duif vind ik de tekening ook heel mooi, met al dat wit. Dat is persoonlijk, ik vind het sierlijk.’

Sinkgraven spreidt geroutineerd de vleugels van een duif. Beeld Pauline Niks
Sinkgraven spreidt geroutineerd de vleugels van een duif.Beeld Pauline Niks

Groenbroek hemelt de donkere ogen van een roodbruine duif op en vertelt enthousiast over halfbroers en halfzussen die uit de 45 komen. De 45 was een ‘absolute topduif’ die, helaas, op een dag verdween en nooit meer terugkeerde naar zijn hok in Wagenborgen.

Niet de 45, maar wel een absolute topduif. Beeld Pauline Niks
Niet de 45, maar wel een absolute topduif.Beeld Pauline Niks

Groenbroek woont in Wagenborgen naast restaurant China Hong-Da. De hokken staan achter zijn huis. Sinkgraven leerde hem kennen toen hij voor zijn eerste, korte roman een meelezer zocht met kennis van de duivensport. In Dorus de doffer staan twee duivenmelkers lijnrecht tegenover elkaar: Wicher met een natuurlijke aanpak, Lambert met een wetenschappelijke.

In de apotheose van de roman nemen ze het tegen elkaar op in een beroemde klassieker, de vlucht vanuit het Franse St. Vincent. De uitgever prijst Dorus de doffer aan als ‘de eerste Nederlandse duivenmelkersroman’. Het milieu, met de spanning van de snelheidsvluchten en het eindeloos wachten op de terugkeer van de duiven, met alle rivaliteit en frustraties van dien, wordt nauwkeurig, gedetailleerd en liefdevol beschreven. Sinkgraven is een voormalige duivenmelker. Dat verklaart veel.

Van 2007 tot 2009 was Sinkgraven stadsdichter van Groningen, de stad waar hij filosofie studeerde en na zijn studie bleef wonen. Zijn eerste dichtbundel, Bombloesem, verscheen in 2005. Bij het culturele centrum Forum Groningen is hij programmeur literatuur en filosofie, en interviewt hij in de Naked Lunch maandelijks een schrijver.

De duivenhokken van Johan Groenbroek. Beeld Pauline Niks
De duivenhokken van Johan Groenbroek.Beeld Pauline Niks

Met Johan Groenbroek, een vriendelijke en spraakzame shagroker en fabrieksarbeider, heeft hij op het eerste gezicht weinig gemeen, totdat het over duiven gaat – en dat is onmiddellijk na aankomst in het huis naast de Chinees het geval. Ze zijn geestverwanten, ingewijden in een krimpende en voor buitenstaanders wonderlijke wereld met geheel eigen mores en talloze rituelen.

Sinkgraven en Groenbroek bekijken een oude duivenklok, een ap­pa­raat voor het re­gis­tre­ren van de aan­komst­tijd van dui­ven bij een wed­vlucht. Beeld Pauline Niks
Sinkgraven en Groenbroek bekijken een oude duivenklok, een ap­pa­raat voor het re­gis­tre­ren van de aan­komst­tijd van dui­ven bij een wed­vlucht.Beeld Pauline Niks

In Dorus de doffer spreekt een van de bijfiguren, de vriendin van Wicher, haar afkeer uit van de duivensport. Waarom stop je niet met de duiven, vraagt ze. ‘Ik vind het maar wreed. Die rotvluchten. En als ze niet goed genoeg zijn, worden ze doodgemaakt. Het slaat echt nergens op! Het zijn beestjes met gevoel. Die willen ook gewoon leven’.

Wicher reageert berustend: ‘Hij deed niet eens meer een poging om het uit te leggen. Als je geen melker was, begreep je het toch niet. Een vroege duif gaf een adrenalinestoot, een geluksmoment. Even stak je boven de grauwe middelmaat uit (...). Je keek naar de lucht en plots, vanuit het niets: pats, een duif!’

Een duif in vlucht. Het aantal actieve duivenmelkers is momenteel ongeveer vijftienduizend. Beeld Pauline Niks
Een duif in vlucht. Het aantal actieve duivenmelkers is momenteel ongeveer vijftienduizend.Beeld Pauline Niks

Die wereld verdwijnt stilletjesaan. Het aantal leden en bij de Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (NPO) aangesloten verenigingen daalt al een paar decennia snel. Het aantal actieve duivenmelkers is momenteel ongeveer vijftienduizend. Er zijn, nog steeds, meer dan zevenhonderd verenigingen.

Hoge kosten en de arbeidsintensiviteit van de verzorging hebben de neergang aangewakkerd. Ooit waren in Nederland rond de honderdduizend duivenmelkers actief en vlogen in elke volksbuurt de postduiven af en aan. ‘De paardensport van de arbeiders’, noemt Sinkgraven het. ‘Duivenmelkers zaten overal.’

Omdat met de vogels weleens geheime berichten zouden kunnen worden verstuurd, verboden de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog het houden van duiven. Ruim een miljoen duiven werden op last van de bezetter gedood. Na de oorlog was prins Bernhard er als de kippen bij om aan wedstrijden deel te nemen – voor het voeren en verzorgen had hij een mannetje – en bloeide de sport op.

Op de nationale radio werden dagelijks de postduivenberichten voorgelezen, met nieuws over de lossingstijden, en in de tv-hit Ja zuster, nee zuster zongen ex-inbreker Gerrit (Leen Jongewaard) en verpleegkundige Klivia (Hetty Blok) in 1968 een lief liedje van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink, Duifies, Duifies:

Duifies, duifies, kom maar bij ons
Wat een mooie veertjes, wat een lekker dons
Duifies, duifies, wat zijn ze mak
Zeventien duifies boven op ’t dak

Het is een wereld die helaas grotendeels verloren is gegaan, zegt Rense Sinkgraven. Als jongen van 12 raakte hij in de ban van duiven, dankzij een vriendje dat contact had met een duivenmelker in de buurt. Sinkgraven woonde in Smilde, Drenthe, en werd lid van de plaatselijke vereniging PV Snel.

Zijn opa timmerde een duivenhokje voor hem. Hij begon met twee duiven en het werden er snel meer. ‘Nog een groter hok, nog een groter hok, totdat je bezig bent met vluchten en inkorven en alles wat daarbij hoort. En op een dag ben je duivenmelker.’

Hawi en Enns waren de namen van zijn eerste duiven. Het waren samenvoegingen van hun rassen: Van Halen en Wigmans. Weetje: alle ringnummers in Dorus de doffer zijn ontleend aan de duiven die Sinkgraven in de jaren zeventig en tachtig in Smilde hield.

Geconcentreerd luisterde hij als jongen naar de duivenberichten op Hilversum 1, waar de lossingstijden van de wedstrijden bekend werden gemaakt. ‘Wij waren afdeling F. Wuustwezel. Half tien gelost, hoorde je dan bijvoorbeeld. Dan begon het rekenen. Oké, zuidelijke wind, het zal snel gaan, zo en zo laat kunnen ze weer thuis zijn. En dan ga je bij het hok zitten en begint het wachten. Wanneer de duif komt, trek je de gummiring van zijn poot, stopt hem in de klok, draait een slag met de sleutel en bam, de tijd staat op papier.

‘Ik heb ook weleens een aankomst gemist, toen sliep ik nog omdat ik veel te veel had gedronken en een vijftal duiven vrolijk koerend op het hok zat. Daar word je niet blij van.’

null Beeld Pauline Niks
Beeld Pauline Niks

Het was niet alleen de spanning van de vluchten die hem greep. ‘Je bent voortdurend bezig met de duiven, je voert ze en verzorgt ze. Ze worden tam, ze gaan op je schouder zitten. Ik was vaak op het hok. Ik vond het fijn om bij de duiven te zijn. Net zoals Wicher in de roman was ik iemand van het warme contact. Ik bouwde een band met ze op. Beetje met het voer spelen, zo nu en dan een lekkere maiskorrel geven.’

Zijn hoogtepunt: de eerste prijs van PV Snel van een vlucht vanuit München, een nationale wedstrijd. ‘Ik had een duifje mee en ineens zat-ie op het hok. Er deden misschien vier of vijf duiven mee van onze vereniging, maar dat maakt niet uit. Ik was eerste van de vereniging. Dat was zo mooi.’

Veertig jaar later oordeelt hij streng over zichzelf als duivenmelker. Hij was een keer jeugdkampioen van PV Snel, maar voor een constante reeks prestaties eenvoudigweg niet goed genoeg.

‘Ik had geen tophok, bij lange na niet. Alleen in het laatste jaar had ik ineens een duif die het heel goed deed en drie keer bij de eerste drie zat. Prachtige duivin, supermooi gebouwd en heel zachte pluimen. Maar eerlijk is eerlijk, ik was niet in staat om de finesse en de klasse van een duif te doorgronden. Ik schoot tekort in ervaring en beoordelingsvermogen. En ik was er ook te jong voor.’

Intussen had Sinkgraven in Smilde een jongen leren kennen die al op jonge leeftijd op zichzelf woonde en wiens huis een vrijplaats werd voor vrije geesten die naar experimentele muziek luisterden, bier dronken en – dáár is de filosofie – Friedrich Nietzsche en Ludwig Wittgenstein ontdekten, ‘en later kwam Arthur Schopenhauer daar nog bij’.

Het was ook een reactie, een tegenaanval in feite, op zijn vader, een overtuigd christen. ‘Het is bijna kinderachtig, want ik wist dat ik mijn vader er enorm mee ergerde. Voor christenen is Nietzsche het gevaar, een soort antichrist. Ik vond het prachtig om me juist daarom in hem te verdiepen. Zijn boeken waren een openbaring voor me, een rijke schatkamer om uit te putten. Ik raakte bezeten.’

Hard lachend: ‘Op feesten van vrienden las ik Also sprach Zarathustra voor, de filosofische alternatieve bijbel van Nietzsche. Op feesten! Als ik er nu aan terugdenk, denk ik: wat was er mis met mij? Dat is toch gek?’

En de reactie van de feestgangers? ‘Die vonden het, eh, interessant. Het was net zoals met nieuwe platen die je had ontdekt en aan iedereen wilde laten horen. Ik vond dat iedereen Nietzsche moest leren kennen.’

null Beeld Pauline Niks
Beeld Pauline Niks

Een studie filosofie in Groningen was de logische volgende stap. Zijn moeder nam de verzorging van zijn duiven over en voor de wedstrijden bleef hij nog een tijdje een combinatie vormen met een andere duivenmelker, maar eerst militaire dienst en later zijn studie slokten hem op. ‘Het was klaar.’

Met Dorus de doffer brengt Sinkgraven óók een warm eerbetoon aan die tijd, in een lichte en bij vlagen geestige roman met wilsbekwaamheid en schuld (en boete) als hoofdthema’s. ‘Maar ik wilde het niet te zwaar aanzetten. Het ging me ook om de sfeertekeningen, om de duivenwereld, de lokalen van de verenigingen en de onderlinge jaloezie van duivenmelkers’.

Enkele van zijn gedichten laten zich lezen als een voorstudie van zijn roman. Wedvlucht bijvoorbeeld, uit 2005:

De duiven kwamen.
Hok boom overvleugeld.
Zijn ferme klompenpas.
Hij rammelde de naam.
Kom Zwarte kom.
Zijn stem een
wanhoopsdaad nabij.
De buurman had geklokt.

Duivenlokaal.
Klok geleegd.
Ringen gerangschikt.
Geen prijs.
Buiten de punten.
Bitter pils.

Sinkgraven: ‘Ik dacht steeds vaker aan die tijd terug en in de literatuur ging het nergens over de duivensport, behalve in Een duif en een jongen van Meir Shalev. En dat terwijl het toch echt bij Nederland hoort. Ik heb iets meegemaakt in mijn leven. Ik ben meer dan tien jaar duivenmelker geweest. Ik vond het leuk om dat vast te leggen. Het klinkt wat dramatisch, maar ik laat dit na in het leven, ook al heb ik er van alles bij verzonnen. Die periode is vastgelegd.’

In de hokken van Johan Groenbroek in Wagenborgen gaat het over decalage, pluimen, tekening op de koppen, halfzussen van de 45 en de 209, duiven met karakter en duizendkilometerduiven, slagpennen, lepelvorming en roodkrassen. De laatste jaren legt hij zich toe op het kweken van duiven, de wedstrijden laat hij schieten. Voor het samenstellen van koppels die prijswinnaars kunnen opleveren, is een grote mate van ervaring en expertise vereist. Groenbroek, trots wijzend naar een duif: ‘Daar komt de beste driejarige duif van Nederland uit’.

Groenbroeks specialisatie: duiven voor wedstrijden van 900 tot 1.300 kilometer. Sinds acht jaar richt hij zich op de overnachtingssoort, duiven voor wedstrijden waarbij ze onderweg overnachten, meestal vanuit Frankrijk. ‘Als het licht wordt, gaan ze weer verder. Ze vliegen 60, 70 kilometer per uur. Het zijn de marathonlopers onder de duiven.’

Oude duivenklokken in de rommelkamer van Johan Groenbroek. Beeld Pauline Niks
Oude duivenklokken in de rommelkamer van Johan Groenbroek.Beeld Pauline Niks

Rijk wordt hij er niet van. Groenbroek heeft weleens snelheidsduiven van de hand kunnen doen die per stuk tussen de 750 en 1.500 euro opleverden. ‘Die gingen naar Chinezen.’ De prijs hangt samen met de leeftijd en de reeds geleverde prestaties van de duif. In België, de bakermat van de sport, verkocht in 2019 een duivenkweker een duif voor 1,2 miljoen euro aan een Chinese industrieel. Armando, heette het beestje.

Bij de selectie let Groenbroek op de ogen. ‘Ik hou vooral van donkere ogen. En twee grote duiven moet je niet op elkaar zetten. Ik kijk naar de kleur, de vleugels. Soms zet ik rooien bij elkaar. En hoe hebben ze gevlogen? Hebben ze prijzen gewonnen? En welke? Ik probeer een stam op te bouwen met een duif.’

Uit de erfenis van een overleden duivenkweker met wie Groenbroek goed bevriend was, Hielko Postma, kreeg Groenbroek een aantal veelbelovende duiven. ‘Ik heb een heel goeie 45 en een 314 van Hielko. Die mix ik met mijn eigen soort.’

De keerzijde: ‘Het is een wrede sport. Ik praat er niet graag over, maar dat is wel de keerzijde van de medaille. Duiven die niet goed genoeg zijn, worden vaak verkocht, maar dat doe ik nooit. Ik maak ze direct van kant.’ Hij gelooft heilig in zijn eigen aanpak, het resultaat van ruim veertig jaar ervaring. ‘De afgelopen drie jaar heb ik niet een duif gehad die weg moest. Ja eentje. Die viel om, kreeg een hartaanval.’

Duiven koppelt hij bij voorkeur met volle maan aan elkaar, iets wat Lambert in Dorus de doffer bestempelt als ‘astrologische wijvenpraat’. Groenbroek: ‘Volle maan levert het beste resultaat. Dan zet ik de vrouwtjes bij de mannetjes en doe ik snel de lampen uit. Daardoor blijven ze bij elkaar zitten. Ik weet niet of het klopt, maar ik heb mijn beste duiven gekweekt met volle maan.’

De ketting van Johan Groenbroek. Hij kreeg deze van zijn vrouw. Beeld Pauline Niks
De ketting van Johan Groenbroek. Hij kreeg deze van zijn vrouw.Beeld Pauline Niks

Om zijn hals draagt hij een ketting met een zilveren duif, een geschenk van zijn vrouw. Overal in huis zijn sporen te zien van zijn bestaan als duivenmelker. Op het toilet hangt een tegeltje met de afbeelding van een duif en een toepasselijke tekst: ‘Met gissen en verzinnen kan men geen eerste prijzen winnen’.

In de keuken heeft hij zijn blauw-witte wandborden, trofeeën van overwinningen, weg moeten halen van zijn vrouw. ‘Tineke wilde daar liever foto’s van de kleinkinderen ophangen.’ Ze hangen nu in wat hij zijn rommelkamer noemt, een domein waar oude duivenklokken staan en talloze afbeeldingen en beeldjes van duiven, oorkonden en diploma’s te zien zijn, plus een foto van de overleden duivenmelker Hielko Postma. ‘Ik had ook nog zes dozen met bekers. Allemaal weggemieterd.’

Prijzen die Johan Groenbroek won met zijn duiven. Beeld Pauline Niks
Prijzen die Johan Groenbroek won met zijn duiven.Beeld Pauline Niks

Groenbroek is verslaafd aan duiven, zegt hij. Hij is dag en nacht met ze bezig. ‘Ik rook ook, dat is ook een verslaving. En ik ben ook verslaafd aan mijn vrouw en aan mijn kinderen. Maar mijn grootste verslaving zijn mijn duiven. Ik ga met ze naar bed en ik sta met ze op. Ze zijn een ongeneeslijk virus.’

Links aan de muur een foto van de overleden duivenmelker Hielko Postma. Beeld Pauline Niks
Links aan de muur een foto van de overleden duivenmelker Hielko Postma.Beeld Pauline Niks

Sinkgraven: ‘Het is zo’n speciale sport, alleen al vanwege de schoonheid van de duif. Een postduif is echt een topvogel. De vleugels, de paarsgroene nek, die mooi afgeronde kop, de sprankelende ogen, het zijn allemaal dingen waarvan je gaat houden.’

Groenbroek: ‘Terwijl Tineke in huis met haar kont staat te draaien, zit jij in het duivenhok, zei een vriend een keer tegen me. Toen zei ik: seks is iets voor een paar minuten, de duivensport is voor het hele leven.’

Rense Sinkgraven: Dorus de doffer. Uitgeverij Brooklyn; 128 pagina’s; € 16,00.

Immaterieel erfgoed

De postduivensport werd in 2017 officieel toegevoegd aan de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland. Het is een erkenning voor een vorm van cultureel erfgoed die van generatie op generatie en van persoon op persoon wordt overgedragen. Op de lijst, opgesteld door het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed, staan naast de postduivensport onder meer de Nijmeegse Vierdaagse, skûtsjesilen, carbidschieten in Drenthe, de Passiespelen in Tegelen en, sinds 2019, de Top 2000 op NPO 2.

null Beeld
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden