Said El Haji.

InterviewSaid El Haji

Schrijver Said El Haji zag als taaldocent uit eerste hand de verbindende kracht van taal

Said El Haji.Beeld Hilde Harshagen

Schrijver Said El Haji is een stuk gelukkiger dan eerst. Waardoor dat komt? De lessen die hij aan migranten geeft als taaldocent. Hij schreef er het boek Gemeente zegt ik Nederlands leren over.

Schrijver Said El Haji (44) had werk nodig. Een buurman raadde hem aan te kijken bij de taalschool om de hoek. El Haji ging langs, kon meteen aan de slag en bleek zijn baan als NT2-docent ook nog eens leuk te vinden. Hij geeft nu ruim drie jaar les aan mensen voor wie Nederlands de tweede taal is, zoals vluchtelingen en oudkomers. In Gemeente zegt ik Nederlands leren doet hij verslag van zijn ervaringen als taaldocent in Rotterdam.

Uw cursisten komen overal vandaan?

‘Ja, uit Pakistan, China, de Dominicaanse Republiek, Eritrea, Ivoorkust, Bosnië, Polen, Marokko, Brazilië, Kameroen, Azerbeidzjan. Wanneer er ergens hommeles is in de wereld, zie ik dat in mijn lokaal. Toen bijvoorbeeld de ruzie tussen de Turkse president Erdogan en zijn tegenhanger Gülen opspeelde, zag ik in mijn klas dat cursisten elkaar ontweken.’

Hoe verschillend zijn de niveaus?

‘Sommige cursisten weten echt niet wat leren is. Ze zijn nooit naar school geweest, of maar een paar jaar. Denk aan Eritreeërs, Afghanen en de eerste generatie Marokkaanse en Turkse immigranten. Gelukkig wordt er tegenwoordig beter ingedeeld. Je kunt mensen met hbo-denkniveau niet in dezelfde klas zetten als mensen die niet weten hoe ze hun naam moeten schrijven. Dat is niet werkbaar.

‘Daarnaast zijn er nog verschillen die worden ingegeven door afkomst. Ik heb cursisten die goed kunnen lezen en luisteren, zoals bijvoorbeeld Chinezen. Maar wanneer je ze iets laat zeggen of schrijven zijn ze minder sterk. Marokkanen komen uit een orale cultuur, zij hebben vaak een absoluut gehoor en oraal geheugen; zij spreken goed, maar kunnen het vaak niet vertalen naar het schrift. Mensen uit Spaanstalige landen hebben weer de neiging om in de uitspraak de laatste letter in te slikken. Zo heeft iedereen wat.’

Is uw cursus verplicht voor nieuwkomers?

‘Als jij een uitkering krijgt of aanvraagt, dan heeft de gemeente een voet tussen de deur om van jou te eisen dat je de taal leert. Dat is de taaleis zoals vastgelegd in de Participatiewet. Als je ouder dan 63 jaar bent, hoeft het niet meer, maar tot die leeftijd kun je er niet onderuit.’

Vindt u dat een goede zaak?

‘Ja, nieuwkomers vinden het zelf ook fijn dat ze meteen op taalcursus moeten, maar oudkomers, mensen die hier al lang wonen, vinden het vaak raar dat zij al heel lang een uitkering hebben en nu ineens verplicht worden om de taal te leren. Ik snap dat dat lastig is, maar het is broodnodig dat die groep uit zijn isolement komt. Sommige van mijn cursisten komen weinig buiten en gaan nooit bij iemand op bezoek.’

Zijn dat vooral vrouwen?

‘Ja, voornamelijk eerste generatie Marokkaanse en Turkse immigranten, maar ook Kaapverdianen en Afghanen. Migranten van de oude stempel lijken anders geprogrammeerd: zij zijn niet zo mobiel en dynamisch. Ze ondernemen weinig en laten alles over zich heen komen, ze leggen dat uit als verdraagzaamheid. 

‘Ik merk dat ook bij mijn moeder, zij is ook van het verdragen, geduld hebben. Ze heeft dat bijna tot kunst verheven. Maar deze mensen lijden wel degelijk, omdat ze louter bezig zijn met het vervullen van plichten en niet of nauwelijks met hun individuele behoeften. Ze ontwikkelen allerlei kwalen: overgewicht, depressie. Bij deze groep gaat het niet zozeer om het leren van de taal, maar meer om ze zelfredzaam te maken: dat ze hun ov-kaart kunnen opladen, een boodschap kunnen doen.’

Said El Haji bij hem thuis in Rotterdam.Beeld Hilde Harshagen

Is uw moeder zelfredzaam?

‘Ja, inmiddels wel. Mijn moeder luisterde uit traditie en respect voor mijn vader naar zijn geboden, dat hoort ook bij de Riffijnse cultuur. Mijn vader was patriarchaal en traditioneel. Hij vond dat mijn moeder niet veel te zoeken had buiten. Hij vond dus ook dat zij de taal niet hoefde te leren, want waarom zou ze dat nodig hebben als ze toch niet naar buiten hoefde? Toen mijn vader overleed, twintig jaar geleden, sloeg mijn moeder haar vleugels uit. Ze ging op de markt lekker staan afdingen.’

Hoe was het voor u om te zien dat uw moeder niet naar buiten mocht?

‘Ik schaamde me en vond het schrijnend dat mijn moeder mijn vader gehoorzaamde en een stap terug deed. Zelf heeft ze dat overigens nooit geproblematiseerd, ze heeft nooit gezegd dat onze vader haar onderdrukte. Ze zei: ‘Joh, dit is gewoon onderdeel van onze cultuur en wij vrouwen hebben dat te accepteren.’ Zij kon dat accepteren, omdat zij de Nederlandse cultuur waarin je vrijgevochten en mondig moet zijn niet goed kende. Voor haar was het vanzelfsprekend. Maar voor mij was het moeilijk om te zien.’

El Haji was bijna 6 jaar toen hij samen met zijn vier broers en een zus vanuit het Rifgebergte naar Nederland kwam. Het gezin ging in Berkel en Rodenrijs wonen, in een kleine Marokkaanse gemeenschap. ‘De eerste jaren in Nederland was mijn vader actief en had hij verschillende baantjes, maar door allerlei kwalen werd hij arbeidsongeschikt. Thuiszitten vond hij moeilijk, dus ging hij vaak naar de moskee. Daar kwam hij in contact met conservatieve islamitische denkbeelden, die nam hij mee naar huis. Vanaf dat moment ging hij de patriarchale man uithangen. Als kind kon ik mijn vader niet tegenspreken als hij mijn moeder verbood de taal te leren. Nu kan ik tegen mijn cursisten zeggen: ‘Je móét de taal leren, dat is belangrijk.’ Dat voelt een beetje als zoete wraak.’

Beeld Hilde Harshagen

Is het een voordeel om als taaldocent een Marokkaanse achtergrond te hebben?

‘Het voordeel is dat cursisten zich met jou identificeren. Veel migranten – of het nu oudkomers of nieuwkomers zijn – voelen zich een buitenbeentje. Ze hebben het gevoel dat ze geen contact kunnen maken met Nederlanders en hun cultuur. Soms letterlijk, omdat de buren hen negeren of niet bij ze op bezoek komen. Ze willen volwaardig in de samenleving meedraaien. Als dat niet lukt, is dat frustrerend. Met mij hebben ze dat contact wel, dat vinden ze prettig.

‘Een nadeel is – dat heb ik vooral met mede-Marokkanen – dat ze onbewust iets van mij verlangen: nabijheid, loyaliteit, privileges. Ze verwachten dat ik hen toestemming geef om tijdens de les te bidden. Als ik zeg dat ze dat in de pauze of na de les moeten doen, snappen ze dat niet. Dan roepen ze: ‘Hoe kan een mede-Marokkaan nee zeggen tegen het gebed?’ In het begin dacht ik: jezus, en kon ik best boos worden. Nu kan ik er wel om lachen.’

In uw boek beschrijft u hoe Hamid, een Marokkaanse cursist, u buiten opwacht en u een gratis apk aanbiedt, mits u hem laat slagen.

‘Ja, als het waar is wat hij zei, hing er dreiging van uitzetting boven zijn hoofd. Als hij zijn diploma niet haalde, moest hij terug naar Marokko, want hij had een tijdelijke verblijfsvergunning. Hij had alle onderdelen gehaald: luisteren, lezen en spreken, maar schrijven ging heel moeizaam. Ineens kwam hij niet meer opdagen, omdat ik hem in zijn ogen had geschoffeerd door hem niet te matsen. Ik dacht dat ik hem kwijt was, maar na een paar weken kwam hij terug. Hij heeft toen zijn schouders eronder gezet en A2-niveau gehaald. Hij mag nu een Nederlands paspoort aanvragen en een gezin stichten.’

U ging niet in op de apk, maar worden docenten weleens omgekocht?  

‘Ik ken  geen enkele docent die zich heeft laten omkopen of iets dergelijks. Sommige cursisten zoeken naarstig naar manieren om te worden gematst. Wat de officiële toetsen betreft, dat zijn de toetsen die via de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) worden afgenomen, is frauderen niet gemakkelijk. Ik zou in elk geval niet weten hoe.’

De Volkskrant berichtte vorige week over twee taalscholen die worden verdacht van fraude. De scholen ontvingen afgelopen jaren samen 15 miljoen euro van de overheid, maar zouden nepfacturen hebben gestuurd. Leerlingen hoefden zich alleen aanwezig te melden in ruil voor Mediamarktbonnen. Herkent u dit beeld?

‘Nee, helemaal niet. Ik ken deze verhalen alleen uit de media. Je krijgt de indruk dat de taalscholenbranche een soort Wilde Westen is, maar dat beeld strookt niet met mijn ervaringen. Bij de twee Rotterdamse taalscholen waar ik heb gewerkt is het heel professioneel geregeld. 

‘Het enige wat nu met onlinelesgeven lastig is, is het afnemen van toetsen. We eisen van onze cursisten dat zij hun webcam aanzetten tijdens het maken van een toets, maar je kunt niet zien of iemand stiekem wat opzoekt op zijn telefoon. Dit zijn overigens geen officiële toetsen, dus uiteindelijk heeft de cursist er vooral zichzelf mee als hij fraudeert.’

Openhartig beschrijft u een discussie die in de klas losbarst als u zegt dat u geen moslim bent.

‘Ja, als schrijver was ik bijna exhibitionistisch in het benadrukken dat ik geen moslim ben. Dat zie je ook in mijn debuutroman De dagen van Sjaitan. Ik moest en zou taboes doorbreken. Als docent had ik snel door dat het niet goed was voor het leerklimaat als ik continu zei dat ik geen moslim ben. (Lacht.) 

‘In dit geval moest ik er wel iets over zeggen, omdat het ramadan was en ik met een kopje koffie voor de klas stond. Ik zag de klas naar me kijken van: en ramadan dan? Toen moest ik met de billen bloot en heb ik uitgelegd dat ik niet geloof in Allah maar in hen, de cursisten. Mijn cursisten, en dan vooral de cursisten die in mij een broeder in het geloof dachten te hebben, voelden zich verraden en afgewezen. Dat werd meteen een persoonlijke zaak. Het gaat niemand wat aan of ik wel of niet geloof, maar dat vinden sommige gelovigen lastig te aanvaarden. Uiteindelijk kwam het goed, maar er moest wel even door een zure appel worden gebeten.’

Waarom vindt u het taaldocentschap een mooi beroep?

‘Dat is heel basaal: vanwege het contact. Als schrijver – ik debuteerde op mijn 23ste – ben ik onthecht geraakt. Schrijven is een eenzaam vak. Maar ook mijn ambities hebben mij verder vereenzaamd: ik wilde alle taboes doorbreken. Als iemand zei dat ik iets niet mocht, ging ik dat juist doen. In mijn debuut uit het jaar 2000 - dus voor 9/11 en voor de komst van Pim Fortuyn - beledigt de hoofdpersoon de islam en de moslimgemeenschap. Ook voer ik een gewelddadige vader op die zijn gewelddaden verantwoordt aan de hand van verzen uit de Koran. Dat werd mij niet in dank afgenomen door mede-Marokkanen en moslims. Zij vonden mij een verrader een nestbevuiler. Ik werd er steeds harder, onthechter en eenzamer van omdat ik absoluut niet wilde inbinden. Nu, 20 jaar later, besef ik dat ik niet in de wieg ben gelegd om zo eenzaam te leven, ik word daar niet gelukkig van. Sinds ik deze lessen geef, ben ik evenwichtiger, blijer en gezonder. Gewoon door contact met mijn cursisten te hebben.’

Beeld Hilde Harshagen

Hoe ziet de toekomst van uw cursisten eruit? In uw boek voert u Walid op, een meneer uit Syrië die droomt van een Chinees wokrestaurant, en Judelle die een eigen kinderopvang wil beginnen. Zijn dit reële vooruitzichten?

‘Nee, ik geloof niet dat ze dit gaan realiseren. Maar daar gaat het mij niet om. Dromen zijn belangrijk om uit te spreken en te formuleren, dat geeft richting. Als ik ze kan leren doelen te stellen, hoe klein ook, dan is dat al het begin van een beetje beweging.

‘Er zijn voorbeelden van cursisten die zich uit het moeras weten te trekken. Maar er zijn ook cursisten die nog voor de eerste les zeggen dat ze er niet de hele les kunnen zijn, omdat ze nog een insulineprik moeten halen of iets dergelijks. Een blik op hun houding vertelt je alles; de passiviteit druipt ervan af. Ze zijn ziekelijk, komen weinig naar de les en als ze komen, zitten ze alleen maar te wachten tot ze weer naar huis kunnen. Sommige cursisten voelen zich te goed voor de cursus, omdat ze bijvoorbeeld niet op een hoop willen worden gegooid met laaggeschoolde Somaliërs en Afghanen, terwijl ze zelf ook nauwelijks scholing hebben gehad. Dan weet je al dat je geen gouden bergen kunt verwachten.’

Is dat niet deprimerend?

‘Het moet niet te vaak gebeuren, dan word ik er negatief door beïnvloed. Als je honderd keer hebt gezegd: leer die woordjes ‘hebben’ en ‘zijn’ uit je hoofd, en elke keer doen ze het niet, geeft dat weinig voldoening.’

U was altijd kritisch als het ging om de integratie van Marokkanen. Is dat veranderd?

‘Jazeker, ik ben minder streng. Marokkanen vallen reuze mee als het gaat om integratie. Nu denk ik dat er zo veel problemen zijn met Marokkanen juist omdát ze goed integreren. In de klas merk ik dat Marokkanen het beter doen dan Turken. Waar Marokkanen het Nederlands omarmen, blijven Turken het Turks de mooiste taal ter wereld vinden en kijken ze neer op het Nederlands. Ik praat nu over de stereotypen. Ik ken ook Marokkanen die de taal maar mondjesmaat spreken en Turken die juist wel de taal willen leren.’

Bent u ook anders naar Nederlanders gaan kijken in hun omgang met nieuwkomers?

‘Het is meer ingekleurd. Nieuwkomers hebben problemen vanwege de taaleigenschappen van het Nederlands, maar ook vanwege de culturele eigenschappen van de Nederlanders en het huidige politieke klimaat. Dat belemmert soms ook het taalcontact. Cursisten klagen dat buren niet langskomen als ze voor een feest worden uitgenodigd. Als ik cursisten de opdracht geef om in een supermarkt met iemand te praten, komen ze terug met verhalen dat ze de opdracht niet goed konden uitvoeren, omdat de Nederlander in het Engels begon terug te praten. Dat zijn ook factoren die meespelen in de integratie. Het ligt niet alleen aan de nieuwkomers. Taal is een collectieve aangelegenheid.’

Cv Said El Haji

1976 geboren in Isoufayen, Marokko

1982 verhuist naar Berkel en Rodenrijs in het kader van gezinshereniging

1998-2000 studie Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden

2000 debuutroman De dagen van Sjaitan.

2006 roman Goddelijke duivel.

2011 roman De aankondiging

2013 non-fictie Sta op en leef, vader.

2020 non-fictie Gemeente zegt ik Nederlands leren

Sinds 2017 is Said El Haji naast schrijver en publicist ook NT2-docent op een taalschool in Rotterdam. Hij woont samen en is vader van een zoon (10) en een dochter (7).

Said El Haji: Gemeente zegt ik Nederlands leren.

Uitgeverij Jurgen Maas; 144 pagina’s; €16,99

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden