Achter het boek Jan Cremer

Schrijver Jan Cremer: ‘Literatuur is aan mij niet besteed’

Hoe schrijft de schrijver? De werklust van schrijver-schilder Jan Cremer, die volgend jaar 80 wordt, is onverminderd. Deze week verscheen Canaille, en bij dat derde deel uit zijn recente autobiografische reeks zal het niet blijven.

Jan Cremer Beeld Daniel Cohen

Je nieuwe roman Canaille – gespuis, ordinair volk – is het derde deel van de reeks die je Odyssee hebt genoemd.

‘Ik zie mijn hele leven als een zwerftocht of odyssee. Van jongs af aan wilde ik schrijven, journalist zijn, maar ben ook dwarsgezeten door mijn talent als schilder. Kunstschilder, dat wilde ik ook zijn! Dat dubbele komt ook in mijn familie voor; mijn vader, Jan Cremer senior, over wie het eerste deel gaat, Fernweh uit 2016, was ingenieur in de aardwetenschappen. Maar hij wilde ook schrijver worden, en maakte reisreportages over de verste landen. Die man ging in 1937 op de fiets naar Palmyra in Syrië. Onvoorstelbaar. Heeft-ie gedaan.

‘Als ik nou alles goed observeer en noteer, dacht ik als kind al, dan kan ik later mooie boeken schrijven. Ik maak  gebruik van tientallen notitieboekjes die ik vanaf mijn 20ste vol schrijf. Over een boek doe ik een jaar. Daarna ga ik weer een tijdje schilderen.’

In je eerste boeken, Ik Jan Cremer deel 1 (1964) en 2 (1966), beschreef je je jeugd en leven tot dan toe. Het bijzondere van de Odyssee-reeks is dat je terugblikt op diezelfde jaren zestig. Je bent intussen iemand anders geworden.

‘Over mijn eerste boeken deed ik een paar weken. Ik Jan Cremer, waar ik wereldberoemd mee ben geworden, beschouw ik als een vingeroefening. Dat was nou, zoals het volk dat noemt, van je af schrijven, zonder enige constructie of leidraad. Als mijn reislust een beetje is getemperd, dacht ik toen, ga ik het uitwerken. Daar ben ik deze jaren mee bezig.’

Met als gevolg dat je vanuit het heden kijkt naar de onrustige jongeman die je was, die vriendinnen had bij wie hij nooit heel lang kon blijven: mannequin en zangeres Loesje Hamel, in deel 2, Sirenen. Ballerina Perrine Peeters, in Canaille.

‘Cremer was altijd het speerpunt, de boeg van het schip dat de golven kliefde. En nu ben ik de kapitein van het schip, en zie de boeg beneden mij. Ik kan afstand nemen van mezelf. Ik zie de Odyssee-reeks als een reeks rotspunten waar ik voorbij vaar. In je leven moet je op een zeker moment de boel afsluiten: het verhaal over mijn vader, die stierf toen ik 2 jaar was. Het verhaal over mijn onmogelijke liefde Loesje.

Wie is Jan Cremer?

In 1964 baarde beeldend kunstenaar Jan Cremer (Enschede, 1940) veel opzien met zijn autobiografische schelmenroman Ik Jan Cremer: pontificale titel, pontificaal omslag (de auteur zelve, gezeten op een motor), en pontificaal proza over een jongen die in de oorlog is geboren dicht bij de grens met Duitsland, die het leven als een eenmansguerrilla ziet en die als onweerstaanbare jongeling al een reeks vriendinnen heeft versleten. Cremer woont jaren in New York en op Cape Cod en verblijft ook lange tijd in Parijs; tegenwoordig woont hij afwisselend in Amsterdam en in Toscane. Behalve de Ik Jan Cremer-reeks (drie delen) publiceert hij reisreportages, en in 1983 verschijnt zijn kolossale epos De Hunnen, waarover de kritiek verdeeld is. Sinds 2016 verschijnt zijn romanreeks Odyssee, met een onderzoek naar het verleden van zijn vader (Fernweh, 2016) en de dramatische liefdesgeschiedenis die hij in de jaren zestig had met Loesje Hamel (Sirenen, 2017). In dat laatste boek laat de auteur zich van een gevoelige kant zien, met zinnen die voorheen in zijn stoere idioom ondenkbaar waren: ‘Mijn hart breekt nu ik jouw brieven na zoveel jaren inkijk. Wat heb ik je aangedaan?’

‘En nu over prima ballerina Perrine, de moeder van mijn dochter Camille. Zes jaar waren we samen in New York, in Monte Carlo, in België bij haar familie en op Cape Cod, waar ik lekker paardreed en in de stilte van de natuur zat te werken, en waar zij het dansen miste. En die vreselijke benepen familie Peeters van haar, miste ze ook; die bedilzieke en antroposofische zus Betty, haar vader die danseressen eigenlijk maar hoeren vond, en die moeder Zulma die zo driftig schoonmaakte dat ze in één moeite door ook haar IQ had weggepoetst.

‘Geld, dat miste Perrine ook, want dat hadden we nooit. Bekommerde ik me niet om. Nog steeds niet, trouwens. Ik beschrijf onze grote liefde, en de onvermijdelijke verwijdering. Varend langs die rotspunt, sluit ik een halve eeuw later die periode af.’

Heeft er iemand schuld aan het mislukken van die relatie?

‘Kijk, ik ben een jongen van de straat, heb nauwelijks een familieleven gehad. Na Loesje kom ik een prachtige vrouw tegen, de liefde van mijn leven. Danseres, ook nog. Ballet is voor mij altijd een entree geweest in de wereld van de schoonheid. Hele zachte lieve mooie meiden. Ik heb een stuk of zes vriendinnen gehad die allemaal bij het ballet zaten.

Bij Jan Cremer Beeld Daniel Cohen

‘Ik wilde het goed doen, en Perrine was maar bang dat ze een leven zou hebben van eerst afgebeuld worden, en als ze dan te oud is – en als danseres ben je dat al snel –, eindigen als caissière in de supermarkt, of als kapster. We kregen een kind, Camille, met wie ik de eerste jaren een heel goede band had. Maar de moeder hitste haar tegen mij op, omdat ze oorlog zat te voeren over dat geld. Mijn droom spatte uiteen.

‘De band met mijn dochter is 10 jaar geleden voorgoed verbroken. Misschien dat ze dit boek ooit nog een keer leest, zodat ze mijn kant van het verhaal leert kennen. Perrine is zakenvrouw geworden.’

Leeft Perrine Peeters nog?

‘Daar kan ik geen antwoord op geven, vanwege mogelijke juridische consequenties. Maar als mensen gekwetst zijn door wat ik schrijf, denk ik altijd: wees blij dat ik je noem, anders zou je naamloos in het donker zijn verdwenen. Nu kom je in de literatuur terecht.’

Zo kennen we Jan Cremer weer. Je schrijft zoals altijd in paragrafen die je nummert. Canaille loopt van nummer 223 tot 435.

‘Zo werk ik al vanaf het begin. Makkelijk, want dan kun je van de hak op de tak springen. En de lezer kan steeds even nadenken, tot de volgende paragraaf.’

Eéntje telt maar 3 zinnen: ‘Terwijl een ober met regelmaat een nutteloos rondje over het nog lege terras maakt en onzichtbare vliegen of kruimels van de terrastafeltjes slaat, zit ik achter mijn grand crème en croissant avec confiture, de bleke opkomende zon vernist de staalblauwe hemel met matte glans. Ik zit in alle vroegte op het terras van Café de Paris op de Place de Casino in Monte Carlo en heb net Perrine afgezet op weg naar de repetitie. Ik kijk haar na, hoe ze met krachtige pas, haar prachtige benen onder een kort opwaaiend jurkje, schuddende billen, over het plein richting balletstudio verdwijnt.’

‘Een filmscène. Daar staat alles in wat ik wil zeggen. Ik schrijf kordaat, en schilder taferelen. In mijn agenda uit die tijd staan misschien twee zinnetjes: ‘Terras Monte Carlo. Perrine gaat naar ballet.’ En meteen herbeleef ik het weer: zie de zon, die ober, haar billen natuurlijk. Ik ruik en hoor alles. Fotografisch geheugen. Zonder grootspraak: ik kan me alles herinneren vanaf mijn vierde jaar.’

Bij Jan Cremer. Beeld Daniel Cohen

Dit is een boek over Perrine en jou. Maar je begint pas in de tweede paragraaf over haar. De eerste zin van Canaille luidt: ‘Ik heb geen paspoort en moet dus illegaal de grens over, zoals ik dat vroeger heb gedaan als lid van een bende smokkelaars.’

‘Op weg naar Antwerpen, waar zij en onze dochter toen woonden. Via een sluiproute. Waarom? Dat weet de lezer later. Hij moet eerst nieuwsgierig worden; dus hij ziet een man illegaal de grens over gaan, naar zijn prachtige danseres. Hoe zit dat?

‘Mijn magnum opus De Hunnen uit 1983 begin ik met een varkensslacht. Niet wat je verwacht, bij een verhaal over de oorlog, maar voor mij als klein kind een heel belangrijk moment. Met zulke beelden wil ik de lezer vangen.’

Heb je een literair voorbeeld?

‘Literatuur is niet aan mij besteed. Als je mij een roman ziet lezen, ben ik niet in orde. Geen geduld voor. Ik zie te veel zogenaamd mooie zinnen. Kwakzalversproza. Geschiedenisboeken, die verslind ik; militaire historie, over Napoleon, Stalin. Ernst Jünger, Hans Fallada, de Harzreise van Heinrich Heine. Daar heb ik wat aan. Ik ben een vrij aards persoon.’

Schrijf je met de pen?

‘Mijn notities wel, ja. En dan de typemachine. Een Triumph Gabriele, daar heb ik er zes van, hier in Amsterdam en in mijn andere huis in Toscane. Die zijn me heel dierbaar. Geen computer, geen internet, dat is een trend die wel weer over gaat. Wát nou Google? Ik heb een Prisma woordenboek, en een Prisma Encyclopedie, het is heerlijk om de geur van papier en inkt op te snuiven. Ik heb zo’n mobieltje, maar dat gebruik ik alleen om te zeggen dat ik met autopech langs de weg sta.’

Heb je het schrijven weleens opgegeven omdat het niet lukte?

‘Mijn hele leven geen last van gehad. Wat ik me voorneem, komt er ook. Al kan het decennia duren. Ik heb in 2010 een boek geschreven dat bijna af is, over mijn tijd in Parijs, in de jaren zeventig. Dat gaat deel 4 worden in de Odyssee-reeks; Sauvage heet dat, omdat ik toen een woesteling werd genoemd. Terwijl ik dat aan het schrijven was, stuitte ik op een blik met brieven uit Amerika, en daar vond ik die correspondentie met Loesje Hamel. Toen heb ik eerst Sirenen geschreven, verschenen in 2017. En behalve die brieven van Loesje vond ik ook de brieven van Perrine. Dus toen heb ik dát gedaan: Canaille.

‘Maar dat Parijse boek, Sauvage, dat gaat er gewoon komen. Over een Enschedese jongen die kunstschilder wil worden, naar Parijs gaat op zijn 14de, en met zijn zinken muntstukken een metro neemt naar Quartier Latin, naar boven gaat, en voor het eerst van zijn leven in een mensenmenigte terechtkomt. Bang als een hond was ik. Kende daar niemand.

Jan Cremer. Beeld Daniel Cohen

‘Vier jaar later kom ik terug, met een beurs van de Franse regering, en kom terecht tussen de Hollandse kunstenaars in de Rue Chanteuil. Wat een desillusie. Met het idee dat kunstenaars verheven mensen zijn die reuze collegiaal en aardig zijn voor elkaar, was ik toen al helemaal klaar. Niks verheven mensen. Jaloerse strebers die elkaar vliegen afvangen, dat zijn kunstenaars.

‘Door armoede leer je de wereld kennen. In Parijs heb ik gebedeld om in leven te blijven. Ik ken de buik van Parijs. ’s Nachts werkte ik in de Hallen. Staat allemaal in dat boek. Gaat eraan komen, jongen. Alles wat ik beloof, kom ik na.’

Laat je iemand jouw manuscript lezen?

‘Nee, niemand. Als ik schrijf, zit ik in mijn eigen wereld. Ben ik klaar, dan ga ik ermee naar mijn redacteur Suzanne Holtzer van De Bezige Bij, en dan kunnen er hooguit een paar vergissingen uit de tekst worden gehaald. Ooit was er een jonge redacteur bij mijn uitgeverij, en die zou Ik Jan Cremer deel 3 eventjes herschrijven. Ging ijverig zitten strepen in mijn typoscript. Maar je gaat toch ook niet een schilderij van mij een beetje bijverven?

‘Weet je waar die jongen is geëindigd? In een psychiatrische inrichting. Dat gebeurt er met je als je in mijn teksten gaat krassen.’

Jan Cremer: Canaille. Odyssee deel 3.

De Bezige Bij; 356 pagina’s; € 22,99.

Lees ook het interview met Volkskrant Boekenchef Wilma de Rek:

Op allerlei manieren over boeken schrijven, daar is de boekenredactie van de Volkskrant de hele dag mee bezig. Maar hoe kiezen zij welke boeken uit het enorme aanbod worden behandeld, en hoe bepaal je wat goed en slecht is? Boekenchef Wilma de Rek: ‘Een roman is goed als je erin wilt blijven wonen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden